m o s k e n e s . b e

Jef Van Staeyen

welkom ❧

Lange tijd speelde ik met de idee een website op te zetten.
Dat blééf een idee. Tot een vriend me het beslissende duwtje gaf. En Natasja van Desina Design me deze site ontwierp.
Vandaag, zo’n drie jaar na de start, staan er een driehonderdtal berichten op moskenes.be . Heel divers. “Oud” materiaal, en verse dingen. Foto’s en teksten. Verhalen en korte essays. Informatie en opinies.

Ik wens je mooie ontdekkingen.
En een beetje van het plezier dat ik beleefd heb aan het maken van de site, en aan het schrijven, tekenen en fotograferen.

Lees verder:
1. Hoe ga je van Frans naar Nederlands en terug? 
2. Wat staat er op deze site?
3. Kwaliteitsbewaking
4. Mag je overnemen wat je op deze site vindt?
5. Contact

Continue reading

autootjes tellen op de Charlottalei

De Charlottalei (in Antwerpen) is geen straat.
De Charlottalei is een parking — een parking met bomen.
En ze is een door-rij-weg.
Charlotta, de (on)logica achter een project.

ik vermoed dat Verhaeghe en Bourabain zich vergissen

Ik vermoed dat professor Pieter-Paul Verhaeghe en studente Dounia Bourabain, beiden onderzoekers en sociologen, zich vergissen in het centrale deel van hun Vrije Tribune in Knack op 8 september (gepubliceerd onder de titel >’Waarom wordt mijn onderzoek in twijfel getrokken door mijn origine?’).
Ik schrijf “vermoed”, omdat ik me noodgedwongen beperk tot de door de auteurs in hun opiniebijdrage vermelde informatie, en omdat ik de discussie graag open hou.  [info — apenstaart — moskenes — punt — be]

Het kader is inmiddels gekend.  Dounia Bourbain deed veldonderzoek naar de manier waarop winkeliers van kledingzaken hun klanten bejegenen, in functie van de (zichtbare) migratie-achtergrond van deze laatsten.  Aan de hand van 602 praktijktest in Vlaanderen en Brussel stelde ze vast hoe klanten van Maghrebijnse origine zeer vaak (301 op 602 tests) slechter behandeld werden dan klanten van Belgische origine.  Daarop volgde een kwalijke reactie van de voorzitter van het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen (NSZ), die “betreurt dat de studie is uitgevoerd door een onderzoekster van vreemde origine.  Ze vindt het onderzoek daardoor gekleurd”.

Begrijpelijk en terecht kwam reactie op die reactie, onder meer van Dounia Bourabain zelf en haar promotor Pieter-Paul Verhaeghe: de hierboven vermelde tekst in Knack.

Ze gaan echter verder dan reageren op het NSZ, en veralgemenen als volgt (ik citeer).

“De reacties op het onderzoek bewijzen dat alledaagse discriminatie verder gaat dan enkel de winkelomgeving.
Laten we een simpel voorbeeld nemen en naar onze eigen situatie kijken. Pieter-Paul Verhaeghe voert al jaren onderzoek naar discriminatie op de arbeids- en woningmarkt. Hij maakt hiervoor gebruik van praktijktests. Wanneer hij met de resultaten naar buiten komt, krijgt hij meestal wel wat bagger en kritiek over zich omwille van het gevoelige onderwerp. Bij deze negatieve reacties houdt het echter op.
Wanneer Dounia Bourabain onderzoek voert naar discriminatie tijdens het winkelen, maakt ze gebruik van dezelfde methodiek als haar promotor. Wanneer ze met haar resultaten naar buiten komt, krijgt ook zij negatieve reacties. Maar daar houdt het echter niet op. Haar onderzoek wordt openlijk in twijfel getrokken omwille van haar origine. Journalisten beginnen lastige vragen te stellen waarom uitgerekend zij dit onderzoek wilt doen. Ze wordt overladen met vragen over de methodiek. Is ze wel objectief? Is de studie wel wetenschappelijk? De Marokkaans-Belgische onderzoekster wordt gereduceerd tot een ervaringsdeskundige. De onderzoeksresultaten worden geminimaliseerd tot louter individuele anekdotes. Er is geen interesse in haar wetenschappelijke inzichten, noch in de harde bewijzen die uit het onderzoek voortkomen.”

Deze tekst verdient kritiek, en wel op drie punten.

Eén.
Een wetenschapper, en vooral een socioloog, zou nooit verbaasd mogen zijn over de vragen die rijzen over zijn onderzoek.  Wetenschap bestaat bij gratie van tegenspraak.  Tegenspraak vanwege de ruime kring vakgenoten, en tegenspraak vanuit de maatschappij.  Daarmee doel ik niet op bagger.
Voor sociologie, waarvan het onderzoeksveld de maatschappij zelf is, geldt dat nog meer dan voor andere wetenschappen.  Ook omdat sociologie, als menswetenschap, impliciet en vaak  expliciet (zoals in voorliggend onderzoek) naar maatschappelijke aanbevelingen leidt: gedragsaanbevelingen voor de burger, en beleidsaanbevelingen voor de overheid.  En omdat de socioloog zelf in het maatschappelijk onderzoeksveld staat, dat tegelijkertijd ook het maatschappelijk discussieveld is.  Een laborant die de kwaliteit van het zwemwater onderzoekt staat aan de rand van het bad.   Een socioloog zwemt mee.

Daarom is het legitiem en noodzakelijk dat er uit de maatschappij vragen worden gesteld.  En omdat niet ieder burger individueel vragen kan stellen, handelen de journalisten als hun maatschappelijke spreekbuis — juister: vraagbuis.  Dat is hun taak, daar zijn ze voor.  Met lastige vragen.  Misschien krijgt Pieter-Paul Verhaeghe te weinig vragen.

Twee. 
Dounia Bourabain is studente.   Ze “start binnenkort met een doctoraat in de sociologie”, staat er onder de tekst in Knack.  Dat betekent dat ze in een proces zit dat ertoe moet leiden dat haar vakbewaamheid door haar vakgenoten wordt gehomologeerd.  Pieter-Paul Verhaeghe promoveerde vijf jaar geleden met een sociologisch doctoraat over de sociale achterstelling van etnische minderheden in Vlaanderen, waarover hij ook een boek schreef “Migrant zkt toekomst”.  Is het zo onlogisch en onterecht dat een beginnend onderzoeker, waarvan de wetenschappelijke bekwaamheid nog moet bevestigd worden, meer vragen krijgt dan haar collega die al enkele jaren aan de weg timmert?  Ook wanneer die laatste de eerste begeleidt.

Drie, en vooral. 
Dounia Bourabain is betrokken bij het onderzoeksveld dat ze zich koos.  Dat zegt ze ook zelf.  Die betrokkenheid betekent niét dat haar vraagstelling en onderzoekshouding niet rechtgeaard is, of dat haar onderzoek niet vakkundig, relevant en pertinent kan zijn.  Maar ze legitimeert wel dat Dounia Bourabain extra vragen krijgt, meer dan Pieter-Paul Verhaeghe.  Ter vergelijking geef ik drie voorbeelden.

Voorbeeld één.  Onderzoekers van de Technische Universiteit Delft deden onderzoek naar het belang van de universiteit en de universitaire wereld voor de economische ontwikkeling van de Randstad.  Ze kwamen tot vaststellingen en een beleidsadvies waarbij de universiteit een centrale speler wordt in de regionale en grootstedelijke ontwikkelingsstrategie.  Dat heeft een aantal implicaties, zowel financieel als maatschappelijk — de universiteit als bevoorrechte gesprekspartner van de overheid.  (U mag Delft door een andere universiteit vervangen.  Er zijn wellicht nog voorbeelden.)
Wat ook de kwaliteit van het onderzoek en de integriteit van de onderzoekers mogen zijn, dergelijk onderwerp vergt een andere en vooral meer kritische maatschappelijke ontvangst, vanwege burgers, journalisten en politici, dan een gelijkaardig onderzoek naar zeg maar het belang van de Brabantse varkenskweek of de Hollandse bloemenmarkt (die beide ook heel belangrijk zijn, maar waarin de onderzoekende TUDelft geen speler is).

Voorbeeld twee.  De Amerikaanse socioloog Richard Florida stelde in zijn boek ‘The rise of the creative class’ uit 2002 dat de maatschappelijke groep waartoe hij behoort, en die hij de creatieve klasse noemt, de motor is van de stedelijke ontwikkeling en welvaart.  Wat Florida creatief noemt gaat in feite vooral om goed betaalde beroepscategorieën.  Zijn advies is heel eenvoudig: verwen de creatieve klasse, geef ze wat ze vraagt, naar woonomgeving, stedelijke sfeer, kunst, onderwijs en cultuur.  Het geld dat je daar besteedt, en het geld dat ze verdient, sijpelt op de een of andere manier tot bij de armere, lager opgeleide bevolkingsgroepen.  (Al was het maar door op vernissages cava te torsen.)
Het recept wordt door talrijke steden expliciet toegepast — in feite deden ze het al vóór Florida erover schreef.  En vóór Florida was er al een andere onderzoeker die het theoriseerde, maar blijkbaar iets minder communicatief was aangelegd (Charles Landry, ‘A Creative City’, 1980).  Alleen al omdat Richard Florida als academicus zelf midden zijn onderzoeksveld staat, is een zeer kritische ontvangst noodzakelijk.  Van vakgenoten, journalisten, burgers en politici.

Voorbeeld drie.  Met de regelmaat van de klok (of toch bijna) publiceren Leuvense professoren (dat is : van Vlaamse universiteiten) studies over de financiële transfers tussen de Belgische gewesten.  Begrijp: van Vlaanderen naar de twee andere gewesten — niet tussen de provincies : Limburg en West-Vlaanderen, weet iemand daar iets van?  De dag nadien, bij wijze van spreken, geven ze politiek en economisch advies.  Ook hier is een kritische kijk vereist — maar te vaak afwezig —, al was het maar om te bekijken wat de onderzoekers wél, en wat ze niet als transfers zien.

Deze drie voorbeelden tonen aan — voor zover voorbeelden iets kunnen aantonen —, dat vakkundig onderzoek, door rechtgeaarde en geoefende vaklieden volgens beproefde methodes uitgevoerd, een kritische ontvangst vereist, vooral als de onderzoeker zelf bij het onderzoeksveld betrokken is.  Deze betrokkenheid van de onderzoeker legitimeert een extra kritische kijk en lastige vragen vanuit de maatschappij (en haar woord- en vraagvoerders, de journalisten), ze maakt ze zelfs noodzakelijk.  Vragen over de methodiek, de criteria, de controlemechanismen.  Een van die vragen gaat ook over de subjectiefste fase van elk onderzoek: de keuze van het onderwerp.  Die terechte vraag is niet “waarom koos U dat onderwerp?”, maar wel “waarom koos u DAT onderwerp?”.  Als journalisten (of anderen) die vragen stellen, mogen onderzoekers zich daarover niet verbazen.

Ik zou Pieter-Paul Verhaeghe en Dounia Bourabain willen advizeren, verder te gaan met gelijkaardig onderzoek.  En de journalisten, lastige vragen te blijven stellen.  Beide zijn nodig.  Als de onderzoekers kunnen vermijden op een trapje te gaan staan, komen we daarmee wellicht een flink stuk vooruit.

ook voor de NMBS kan telewerken een oplossing zijn


De trein nemen om een reiskaartje te kopen

Ik begin met een anekdote. Ze is al enkele jaren oud.
Omdat de Frans-Belgische lokale spoorverbindingen niet de volledige avond lopen, ben ik wel eens ‘s morgens met de auto naar het station van Kortrijk, Moeskroen of Doornik gereden, om daar een reiskaartje te kopen en de trein te nemen naar een of andere Belgische of Nederlandse bestemming — de garantie dat ik ‘s avonds nog thuis geraak in Lille. Ik ben in die stations altijd goed en vriendelijk ontvangen, met handige adviezen om in de doolhof van treintarieven de voordeligste oplossing te vinden, wat me op het net niet altijd lukt.
Die dag stond ik in Moeskroen, en vroeg een kaartje naar Culemborg, in de Betuwe, en dan naar Amsterdam. “Daarvoor moet u naar Doornik”, zei de vrouw achter het loket, “het station in Moeskroen mag geen internationale tickets meer verkopen”. Dat vond ik merkwaardig, want wat voor een spoorwegbeambte door de NMBS te complex wordt geacht, word ik verondersteld thuis aan de computer zelf te doen.
Ik ben niet terug naar mijn auto gestapt, en heb de trein naar Kortrijk genomen — dat kon ook —, waar ik aan het loket mijn internationale kaartjes heb gekocht. Tussen twee treinen heb ik tijd genoeg gehad om in de stad, bij Theoria, een boek van Brouwers te kopen (Sisyphus’ bakens, dat heeft me niet gespijt).
De trein nemen om een kaartje te kopen, zou dat de toekomst zijn van de NMBS?

Minder volk achter de loketten

De kranten berichtten het eind augustus (>De Standaard; >De Morgen): in een dertigtal spoorwegstations worden de openingsuren van de loketten vanaf oktober drastisch beperkt. “De NMBS belooft dat in de betrokken stations in september een verkoopbediende bij de automaat zal staan om mensen te begeleiden.”
47% van de reiskaartjes worden aan de automaten gekocht, en 43% aan het loket, waardoor de loketbedienden soms “een inactiviteitsgraad van 60%” hebben, en de NMBS die mensen liever “inzet waar deze het meest nodig zijn voor de reiziger”.
Wat voor de NMBS de reden en oorzaak is (minder verkoop aan de loketten), is in feite het doel (nog minder verkoop aan de loketten), terwijl zo’n loketbediende voor vele reizigers een belangrijke meerwaarde heeft. Alleen de dagelijkse, regelmatige passagier is met zo’n automaat goed gediend, hij weet wat hij wil en hoeveel dat kost.

Van telewerken heeft de NMBS nooit gehoord. Het kan niet moeilijk zijn de loketbediende twee verschillende taken te geven: lokaal de verkoop van reiskaartjes, en het advies dat daarbij hoort, en centraal een andere taak (in de boekhouding, de aankoopdienst, het personeelsbeleid, enz.) die via telewerk wordt uitgevoerd. Met eventueel een dag per week aanwezigheid in het centrale kantoor, om de informele band met de collega’s te houden. Omdat combineren van twee taken niet altijd even makkelijk is (je springt niet altijd foutloos van de boekhouding naar een ongeduldige reiziger aan het loket) kan zelfs afgesproken worden dat de beschikbaarheid een kwartier vóór het vertrek van de trein volledig is, en daarbuiten enige wachttijd vergt.

Drie of vier vliegen in één klap: een goede lokale dienstverlening, versterkte lokale werkgelegenheid, minder pendelverkeer naar het centrale kantoor, en misschien zelfs ruimtewinst in dat kantoor.

Technologie als versterking van menselijke dienstverlening

Met de nieuwe communicatietechnologieën is het makkelijker dan ooit geworden om bij wijze van spreken overal een goed uitgebouwde, menselijke dienstverlening te verzekeren: technologie niet als vervanging, maar als versterking van menselijke dienstverlening.
In concreto wordt echter, niet alleen door de spoorwegen, net het omgekeerde gedaan. De menselijke dienstverlening wordt door machines vervangen, en de ervaring leert dat die minder aanspreekbaar en minder betrouwbaar zijn, maar vaak wel nukkiger.
Misschien komt straks de dag waarop de spoorwegen, net als de bank of de verzekeraar, je bellen of mailen met de vraag toch eens langs te komen, in hun kantoor, omdat ze je sinds lang niet meer aan hun loket hebben gezien.
Tenzij.

* * *

P.S.: Hier publiceer ik, in het Frans, mijn recente ervaring met de Franse en Europese spoorwegen. Een ander verhaal: Les chemins de fer du 21ème siècle: “Ce n’est pas nous, c’est les autres”.

“Frankrijk is Frankrijk niet meer”

De kleine overwinning van Emmanuel Macron, door het Franse kiessysteem buiten proportie opgeblazen, heeft de politieke realiteit wat verdoezeld : talrijke Fransen zijn niét naar de stembus getrokken, of hebben op systeembrekende partijen gestemd, het Front National en La France Insoumise (waarmee ik deze twee niét over eenzelfde kam wil scheren), plus nog wat klein grut. Inmiddels is president Macron (>hier een Franstalige, drie jaar oude tekst over hem, op deze site) begonnen geld van de armste Fransen naar rijkere Fransen te schuiven, in casu door de verlaging van de woonsubsidies: uniform 5 euro per maand gaat er af.
De vraag blijft dus, even sterk als voorheen, naar de Franse malaise, waarover ik enkele maanden geleden schreef. Ik ga daar verder op in, een stuk concreter, maar wel erg makkelijk voor me. Ik vertel jullie een boeiende tekst die onlangs in het digitale tijdschrift Métropolitiques verscheen: >Distance spatiale et distance de classe, Les mutations de l’encadrement industriel en milieu rural.  Julian Mischi onderzocht de impact van de hedendaagse management-technieken in een atelier van de Franse spoorwegen op de sociale verhoudingen en interacties in de landelijke regio waar dat atelier gevestigd is.
De inhoud spreekt voor zich.
Maar Julian Mischi’s verhaal biedt me ook een onverwachte kans terug te keren naar Michiel Hendryckx’ verlangen naar Frankrijk, het beginpunt van deze korte reeks teksten. Daarover dadelijk meer.

De werkbank

Het spoorwegatelier werd in de jaren 50 opgericht, 360 werknemers in een groot dorp dat vandaag 3000 inwoners telt. De nationale SNCF zond kaderleden, en de arbeiders werden ter plaatse gerekruteerd, in families die leefden van landbouw en/of industrie. De kersverse kaderleden integreerden zich snel in de plaatselijke samenleving, in de politiek (als gemeenteraadslid, burgemeester of adjoint), in de sport en het verenigingsleven, ze gingen naar de plaatselijke winkels, en stuurden hun kinderen naar de plaatselijke school. De arbeidsrelaties mengden zich met talrijke andere sociale interacties, waarbij de hiërarchie uit de fabriek wel eens werd omgegooid.
Rekrutering en promotie gebeurden vooral lokaal. Daar waren meerdere — goede en minder goede — redenen voor: de lokale kaderleden beslisten in vertrouwen (ze kozen vooral wie ze kenden), informatie circuleerde weinig (ze bleef vooral binnen het bedrijf en het dorp), de regio werd door buitenstaanders weinig aantrekkelijk geacht, en concrete arbeidservaring werd zeer op prijs gesteld. Wie aan de werkbank had gestaan wist wat en hoe kon.
Zo’n 30 tot 40 jaar na de oprichting van het atelier was de omkadering vooral lokaal, door sociale promotie ontstaan. Zowel in als buiten het bedrijf werden de kaderleden om hun technische en sociale vaardigheden erkend: ze hadden eigenhandig industriële installaties gerenoveerd, hadden hun eigen huis gebouwd of verbouwd, waren actief in het verenigingsleven en bleven betrokken bij hun vroegere collega’s. Enkelen hadden zelfs hun lidmaatschap bij de vakbond bewaard — de CGT. Dat was een rijkdom aan sociale interacties, wat niet betekende dat er in het atelier geen conflicten waren. Maar die betroffen concrete mensen, die elkaar kenden en erkenden.

Ontwaard

De management-technieken van de jaren 90 hebben die sociale structuur overhoop gegooid. Geografische mobiliteit werd een vereiste, lokale verankering een handicap. Kaderleden blijven slechts voor enkele jaren, ze installeren zich niet in het dorp. Ze wonen in een grotere stad, tientallen kilometers van het atelier vandaan, of in een verre metropool. Ze engageren zich niet in het lokale verenigingsleven, of in de politiek, ze gaan niet naar de lokale winkels, spelen niet in het lokale voetbalteam, en zenden hun kinderen niet naar de lokale school. Ze kennen hun ondergeschikten enkel vanuit de arbeidsrelatie. Sociale afstand en ruimtelijke afstand versterken elkaar.
De nieuwe management-technieken treffen de arbeiders hard. Hun promotiekansen smelten als sneeuw voor de zon. Hun technische vaardigheden worden ontwaard. Ze hebben chefs die het werk niet begrijpen, die niet weten waarover het gaat, wier denk- en beslissingsmodel andere logica’s volgt. En ze maken zich zorgen over werkzekerheid. Een manager die zijn mensen niet kent en geen banden heeft met de streek, sluit makkelijker een fabriek dan hij die lokaal wel sterk betrokken is.
De ont-persoonlijking van de socio-economische relaties en de groeiende maatschappelijke afstand tussen het gewone volk — la classe populaire, hoe vertaal je dat? — en de midden- en hogere klasse leidt tot een verzelfstandiging, een repli sur soi. Het stemgedrag — absenteïsme of Front National — is een uiting daarvan.

L’horizon est bouché.
De horizon is dichtgeklapt in het dorp.

 

De cirkel sluit zich — terug naar Michiel Hendryckx en het verlangen naar Frankrijk

Een eerste tekst over de Franse malaise was het verlangen naar Gent (9 april), althans een deel ervan, parafrase op Michiel Hendryckx’ tentoonstelling en boek het verlangen naar Frankrijk, die ik in de Gentse Sint-Baafsabdij zag. Ik schreef onder meer:

“Hendryckx vraagt zich ook af wat er mis gaat met Frankrijk. Iedereen gaat akkoord dat het misgaat, maar niemand weet waarom. Een deel van het antwoord geeft hij elders toch zelf, al lijkt hij dat niet zo te beseffen. Een land waar anderen heen gaan uit nostalgie, een land dat naar gisteren verwijst, dat aan gisteren denkt, is een land dat niet in zichzelf gelooft. Dat niet meer weet waarheen.
Want wat vandaag gisteren is, is ooit morgen geweest. Het Frankrijk van Hendryckx bestaat nog wel, maar het is Frankrijk niet meer. Hendryckx, met zijn verliefde ogen, heeft dat niet gezien, de Fransen wel.”

Een tweede tekst, de Franse malaise (19 april), moest verduidelijken wat daar te kort geschreven stond. Het Frankrijk van Hendryckx bestaat nog wel, maar het is Frankrijk niet meer. Zelfs Voskuil — kan het Hollandser? — heb ik erbij gehaald. Plus nog wat andere teksten, waarin ik eerder over Frankrijk schreef: France, novembre 2005 en Spiegels op het water (2007, niet gepubliceerd op deze site). Deze laatste tekst had niet toevallig als ondertitel “een kort verhaal omtrent kanalen in Bourgogne, en God in Frankrijk”. Een fietstocht langs Bourgondische kanalen had me ideeën gebracht.
Ik haalde er de Franse mythen bij, waarop het land is gebouwd, en waaraan het zijn samenhang dankt — het geweld, le terroir, de eeuwenoude gezamenlijke culturele erfenis, en het project dat Frankrijk is —, en schreef:

“Het Frankrijk van de Fransen is niet langer het Frankrijk dat Michiel Hendryckx heeft gezien, het Frankrijk waar hij zo van houdt.
Er zijn twee Frankrijken, mag je stellen : een Frankrijk waar de meeste Fransen wonen, en een Frankrijk dat je in de foto’s ziet. Een Frankrijk van de mensen, en een Frankrijk van het landschap. Zelfs al is ook dat laatste door Fransen bewoond.
De Fransen, alle Fransen, identificeren zich nog steeds met dat landschap — het is een van de mythes van daarnet. Maar de meesten wonen er niet meer. Ze zien Frankrijk langs de autoweg of door het raampje van de TGV. Of bij verre familie op bezoek. Ook voor hen wordt dat Frankrijk een buitenland.
De Fransen die wel in het landschap wonen zijn er niet beter aan toe. Vergeet even de grote steden en hun ruime omgeving, of sommige kleinere steden, vooral bij de kust, het westen, het zuiden, en kijk wat er overblijft : dorpen, provinciesteden en -stadjes, vaak ook een Préfecture. Fabrieken sluiten, winkels staan leeg, scholen krimpen, de kraamkliniek gaat dicht. Zelfs het belastingkantoor — le Trésor Public — is vertrokken, en de kazerne verhuist naar de stad. De inwoners voelen zich verlaten. Ze zijn het ook. Want het Frankrijk van de mensen, het Frankrijk dat telt, is elders naartoe. Het beeld klopt niet meer met de werkelijkheid.”
Venarey-Les Laumes

Het heeft me weinig moeite gevergd te ontdekken hoe het dorp heet waar Julian Mischi over schrijft. Maar het was wel een verrassing. Een atelier van de Franse spoorwegen, in le Centre-Est — versta Bourgogne of Franche-Comté —, een dorp van 3000 inwoners, op 70 km van een stad. Venarey-Les Laumes is zijn naam. De plaatselijke krant, Le Bien Public (23 maart 2016) bevestigde mijn vermoeden — of gok.

Venarey-Les Laumes ligt in het département de la Côte d’Or, Bourgogne. Een prachtige streek. Elke Vlaming of Nederlander weet dat. Het Canal de Bourgogne loopt langs het dorp. Sluis 55. Meer dan tweeduizend jaar geleden vonden de Galliërs het al een ideale plek: op een heuvel, naast de rivier — la Brenne — bouwden ze Alésia. Venarey ligt aan het water, aan de voet de heuvel, de Mont Auxois. Het ligt zelfs aan de voeten van Vercingétorix, het meer dan zes meter hoge, groenkoperen beeld uit 1865 dat vanop een granieten sokkel de site van het slagveld (52 v.C.) en de opgravingen van Alésia overschouwt. Het stadje Semur-en-Auxois en de voormalige cisterciënzerabdij van Fontenay zijn vlakbij. In die streek ben ik meermaals geweest: fietsen, wandelen, kamperen, of er met de auto gestopt. Bourgondisch eten.
Ook Michiel Hendryck is er geweest — veel meer dan ik —, het Bourgondisch complot.

In Venarey heb je in één hand de vier Franse mythen. Het land is uit geweld geboren — een meervoudige keizersnede of césarienne zelfs —, le terroir, de cultuur, en het project — waarvan het Canal de Bourgogne een van de mooiste voorbeelden is. Maar ook de spoorweg is niet mis.

Welke beelden Hendryckx ginds geschoten heeft, weet ik niet. Of Venarey er op staat, evenmin. Maar het dorp, of op zijn minst de site en de streek waar het toe hoort, is de essentie van het Frankrijk waar hij van houdt, het Frankrijk dat hij liefkozend fotografeert — het mooiste land ter wereld. Dat vinden wij ook.

Er hangen bloemen op de brug over het Canal de Bourgogne.

Maar Venarey — Julian Mischi toont het ons — is ook het Frankrijk dat langzaam sterft. Het Frankrijk dat mensen in hun ambities blokkeert. Het Frankrijk dat niemand aantrekkelijk vindt — om er te wonen, echt te wonen, met zijn hele leven en doen, en niet deeltijds, als korte of lange verademing van de grote stad. De auto voor de deur, om te vluchten, als navelstreng. Of een snelle TGV, het vliegtuig wat verderop.
Venarey — pars pro toto — is het Frankrijk waaruit Frankrijk langzaam wegtrekt. Het is het Frankrijk waar het maatschappelijk, politiek en cultureel weefsel in rafels valt.
Dus schreef ik: Het Frankrijk van Hendryckx bestaat nog wel, maar het is Frankrijk niet meer. Hendryckx, met zijn verliefde ogen, heeft dat niet gezien, de Fransen wel.

Op een mij onverwachte en sterke manier brengt Julian Mischi’s verhaal me waar ik begon, bij Hendryckx’ (en mijn) verlangen naar Frankrijk. Het verlangen — de weemoed — van alle Fransen wellicht. De cirkel is rond.

 

0708-Canal_de_Bourgogne-locatie-onbekend

 

Dit is een PDF-bestand van bovenstaande tekst, d.d. 1 augustus 2017

« Older posts