Jef Van Staeyen

Categorie: In de etalage

het Rubenshuis binnenstebuiten gedraaid

Het Rubenshuis krijgt een nieuw onthaalgebouw, op het Hopland, met ook nieuwe ruimten voor het Rubenianum. [Of het saaie gebouw in Kolveniersstraat daarmee verdwijnt, is niet duidelijk.]
Robbrecht en Daem ontwierpen het nieuwe gebouw, nadat ze eerst ook het masterplan voor de site hebben opgesteld, een gebouw van waaruit de kennismaking met Rubens en het Rubenshuis voor de bezoekers zal worden georganiseerd. Het huidige onthaalgebouw op de Wapper, rechtover het Rubenshuis, in 1999 opgericht naar ontwerp van Stéphane Beel, wordt (allicht) naar het openluchtmuseum Middelheim verhuisd, dat daarmee een beetje een nieuw Bokrijk wordt.

In 1610 kocht de toen 33-jarige Peter Paul Rubens een huis met aangrenzend terrein in een smalle Antwerpse straat — die later naar hem zou worden genoemd. Rubens was een succesrijk man uit een welstellende familie, en het zestiende-eeuwse koopmanshuis was wat groter dan de gemiddelde Antwerpse woning, maar verschilde weinig van de andere rijke huizen in de stad, zoals er toen wel honderd of meer moeten hebben gestaan. Het was een huis in traditionele Vlaamse bak- en zandsteenstijl, met kruisramen en trapgevels. En vooral: met krappe lokalen achter de gevel. Twee jaar eerder was Rubens uit Italië teruggekeerd, waar hij in Genua de rijke en ruime, laat zestiende-eeuwse renaissance en barok paleizen had bestudeerd — waarover hij in 1622 een boek zou publiceren: Palazzi di Genova. Zowel in zijn eigen woning als in de Carolus Borromeuskerk (1615) — en in zijn schetsen en publicaties — toonde Rubens zich een pleitbezorger en wegbereider van de barok architectuur en decoratie in Noord-Europa. Naast het oude renaissance huis bouwde hij een barok atelier, en vervolledigde dit alles met een triomfboog, en een tuin met een paviljoentje erin. Dit alles was uiteindelijk groter en rijker dan wat je elders in Antwerpen zag, maar toch maar kleintjes in vergelijking met wat hij in Italië bewonderd had. Geen Antwerpse burger of familie heeft ooit de macht en de rijkdom gehad, die in Genua, Venetië of Firenze tot vandaag in de paleizen zichtbaar zijn.

Na Rubens’ overlijden in 1640 kende het huis een bewogen geschiedenis, waarbij het ook werd verbouwd. Vanaf 1880 ondernam de stad Antwerpen herhaalde pogingen het aan te kopen, wat pas in 1937, na een lange onteigeningsprocedure, is gelukt. Het gebouw en de tuin werden grondig — te grondig ? — gerestaureerd, en in 1947 als museum voor het publiek open gesteld.

De smalle Rubensstraat werd in 1972 verbreed, door de afbraak van het in de zestiende eeuw ontstane bouwblok tussen de parallelle Wappers- en Rubensstraten (ook Wappers was een schilder), dat in feite boven de Herentalse vaart (1490) was gebouwd — minder een vaart dan een waterleiding. Initieel had die afbraak tot doel een nieuwe, brede straat aan te leggen, van de Frankrijklei naar de Meir, maar de aldus ontstane ruimte werd al snel een plein en tot Wapper herdoopt, een herinnering aan de hefboom (of wip, of wapper) die op de hoek met de Meir moet hebben gestaan om het water uit de vaart te hijsen.
Omdat het Rubenshuis niet helemaal — of helemaal niet — op het onthaal van groepen bezoekers was voorzien, kwam er in 1999, ter gelegenheid van het Van Dyckjaar (alle redenen zijn goed…), Stéphane Beels glazen paviljoen op de Wapper.

de Vlaamse achterdeur

Sinds 1947 ontdek je dus het Rubenshuis zoals Rubens dat heeft gedacht, en zoals hijzelf en zijn bezoekers dat hebben beleefd. Je komt binnen via een discrete poort in een al bij al banale gevel, en ontdekt de veeleer krappe en duistere ruimten van het renaissance-huis. Samen met Rubens ga je dan naar de indrukwekkende italianiserende ruimten van de barok, en betreedt, wanneer je terug op adem bent gekomen, via een enorme triomfboog een verrassend grote tuin. Je ervaart de geschiedenis zoals ze verlopen is, en zoals de meester dat heeft gewild.
Met Robbrecht en Daems onthaalgebouw op het Hopland wordt deze ervaring omgegooid. Je begint met de finale — de tuin en het tuinpaviljoen— en gaat via de achterzijde van de triomfboog naar het huis, waarvan je eerst de barokke en pas later de renaissance delen ontdekt. Het oude huis wordt zowaar een annexe van het hedendaagse, trotse toegangsgebouw.
Nu kan je stellen dat dat echt Vlaams is: je komt binnen langs de achterdeur — die in dit geval wat buitenmaats is —, wat veelal enkel vrienden en kennissen, en een deel van de familie wordt gegund. Dat is niet de goede manier om het huis en zijn omgeving te ervaren, en het mag verrassen dat de architecten dat niet hebben gezien. Overigens wordt het recente paviljoen op de Wapper afgebroken en verhuisd, omdat het voor niks meer dient — er zit al horeca in het Koninklijk Paleis, en in zovele andere gebouwen — én om de gevels van het Rubenshuis beter te zien, die vier eeuwen lang (waaronder Rubens’ tijd) in een smalle straat hebben gestaan.

(foto: uitzicht op de triomfboog en op de tuin, vanuit de door Rubens ontworpen italianiserende uitbreiding, tijdens restauratiewerken; juni 2021)

* * *

In 1996 bezocht ik de wereldberoemde abdij van Melk, aan de Donau. Na een mooie vakantie reden we van Bratislava naar Rijsel. Omzeggens dertig jaar lang had ik van zo’n bezoek gedroomd, en een eerdere poging (bij een terugreis uit Wenen) was niet gelukt. Toen, in 1996, werden we ergens door een kleine deur binnen gelaten, kregen een geleid bezoek aan gangen en zalen, zonder enig besef van het grote en prachtige gebouw, en mochten uiteindelijk langs een grote deur weer naar buiten. Vaak heb ik dat contra-architecturale bezoek vervloekt. Krijgen we in Antwerpen dra ook zo’n circuit?

* * *

aanvulling (juni 2021)
Het zou goed zijn de toekomstige nieuwbouw op het Hopland te gebruiken om een aantal momenteel in het Rubenshuis tentoongestelde kunstwerken over te brengen. Niet omdat ze te talrijk zijn, maar omdat de toeristische rondleiding langs deze werken, met bordjes, koorden en pijlen, het bezoeken en waarderen van de architectuur ernstig schaadt. Toen ik het museum begin juni nog eens bezocht, was ik de enige bezoeker, toch moest ik de verplichte looprichting volgen. Wanneer er dra weer meer bezoekers zijn, met gidsen en audiofoons, wordt elke beleving van de architectuur in de kiem gesmoord.

Dezelfde tekst in een pdf-je: het Rubenshuis binnenstebuiten gedraaid.

voetgangersnegatie bij VIAS

oorspronkelijke titel: roodlichtnegatie bij voetgangers (bis)

In een eerder bericht, op 9 januari, zeven goede redenen, en drie slechte, waarom voetgangers rode lichten negéren, vertrok ik van een rapport van VIAS over verkeersongevallen met voetgangers, en verbaasde me — alhoewel — over het feit dat dit instituut voor verkeersveiligheid zich niet de vraag stelde wáárom voetgangers zo vaak de rode lichten negéren. Ik vermeldde een aantal mogelijke  “goede” en slechte redenen voor dat voetgangersgedrag. Redenen die het verkeersbeleid kunnen inspireren, voor meer veiligheid, comfort en leefbaarheid.

Maar het kan erger.
De studie Diependaele (2015) waarnaar VIAS in 2019 verwijst, werd in opdracht van VIAS uitgevoerd: Respect voor verkeerslichten bij voetgangers: Een nationale gedragsmeting in België. Ze gaat voorbij aan de mogelijke redenen waarom voetgangers de rode lichten negéren. Alleen de omstandigheden worden onderzocht. Van de zeven omgevingselementen (of acht, met de plassen en niet opgeruimde sneeuw) die roodlichtnegatie kunnen verklaren — en in hoofde van de voetgangers kunnen legitimeren —, komen alleen de drukknoppen (smeekknoppen, pestknoppen) aan bod.
Behalve die drukknoppen (die de roodlichtnegatie bevorderen en aldus de onveiligheid verhogen) worden enkel onderzocht de aanwezigheid van visuele of auditieve signalen, de goede zichtbaarheid van het zebrapad, de aard en omvang van de over te steken weg (aantal rijrichtingen, aantal rijstroken, aanwezigheid van tram- of busbanen) en (uiteraard) de drukte van het verkeer (het aantal voertuigen en voetgangers).
Niemand werd geïnterviewd, en er werd niet gekeken naar de inrichting van het kruispunt, naar de verhouding groen/rood, naar de verhouding wagens bij groen/wagens bij rood, etc.
Waardoor de studie, na enkele zwakke aanbevelingen (sommige verkeerslichten op stille momenten of oranje zetten, drukknoppen plek per plek evalueren, bijkomende auditieve of visuele signalen, en extra verf voor de zebrapaden) besluit:

“Het feit dat op bepaalde oversteekplaatsen meer dan 30% van de oversteekbewegingen door het rood gebeuren, is een belangrijk probleem voor de verkeersveiligheid en toont nogmaals aan dat voetgangers zelf een aanzienlijke verantwoordelijkheid dragen in het verbeteren van hun eigen veiligheid in het verkeer.” (pagina 31)

Moet het verwonderen dat voetgangers sommige regels negéren van een verkeerssysteem dat hén voortdurend negeert?

enkele cijfers en plekken

1.
Bijkomend dient vermeld dat de roodlichtnegatie in feite hoger is dan de door Diependaele vastgestelde gemiddeld 20% van de voetgangers die oversteken bij rood licht. [De hierboven vermelde 30% is een maximum. Diependaele vindt cijfers van 15 tot 30%, met 20,85% als gemiddelde.]
In de 80% die niet oversteken bij rood licht zitten immers zowel zij die wachten bij rood licht als zij die bij groen licht de rijweg bereiken en hoe dan ook niet moeten wachten (p. 27 van het rapport).
Als men er van uitgaat dat een kwart van de voetgangers het kruispunt bereiken wanneer het licht voor hen op groen staat — eigen schatting — blijven er uiteindelijk 55% van de voetgangers die effectief wachten (100% – 20% – 25%). Herrekend tot de 75% die met een rood licht geconfronteerd worden, is dat ongeveer 73%. De roodlichtnegatie is dan 27%. Met andere woorden: ongeveer een kwart.

2.
De in Antwerpen onderzochte kruispunten zijn:

  • Van Ertbornstraat / Osystraat  x  Franklin Rooseveltplaats: het oversteken van de straat (met trams) is een klein onderdeel van een veel grotere beweging waarbij de toe- en uitritten van meerdere bushaltes moeten overgestoken worden. Vergeleken met die gevaarlijke bewegingen lijkt de straat zelf overzichtelijk.
  • Sint-Jansplein / Van Maerlantstraat  x Vondelstraat / Sint-Jansplein: (inderdaad) een behoorlijk gevaarlijk kruispunt, waar de oversteekbewegingen van voetgangers vaak door het vastgelopen verkeer worden belemmerd.
  • Lange Koepoortstraat / Klapdorp  x  Sint Paulusstraat / Minderbroedersrui: kruispunt met vijf “straten”, trams en veel winkels (sindsdien heraangelegd).
  • Nationalestraat  x  Kammenstraat: kruispunt met zes “straten”, trams, veel winkels, en smalle voetpaden die geen plaats laten om te wachten.
  • Vlaamsekaai  x  Scheldestraat: regelmatig kruispunt met twee-richtingstraten; de aanleg van een pleintje heeft de complexiteit van de nabije Graaf van Egmontstraat opgelost.
  • Bourlastraat / Maria-Henriettalei  x  Frankrijklei: de oversteekbeweging van de Frankrijklei omvat vier (of in feite zes) oversteekbewegingen, waarvan er twee van verkeerslichten zijn voorzien (de brede rijwegen); verder gaat het over tweemaal twee tramsporen en twee fietspaden.
  • Belgielei  x  Lange Leemstraat: zeer druk kruispunt met kruisende tramlijnen, tramhaltes, fietspaden en zeer talrijke voetgangers.
  • Kroonstraat/Helmstraat  x  Turnhoutsebaan: zeer druk kruispunt in winkelrijk gebied; de Turnhoutsebaan (met tram) kan slechts in één beweging worden overgestoken.

De onderzoekers hebben drukke kruispunten gekozen, met vaak ook veel winkels in de omgeving. Sommige kruispunten zijn bijzonder complex. Op datum van het onderzoek (september 2014) waren er (allicht) geen drukknoppen aanwezig.

rue Royale

“Pardon, messieurs”, zei het meisje, de jonge vrouw, “savez-vous s’il y a d’autres maisons comme celle d’en face dans cette rue ?” We stonden, twee heren van middelbare leeftijd, op de bus te wachten, die ochtend in de rue Royale…

In de Rijselse rue Royale zag ik wat een ander niet zag.

verantwoording

Dit verhaal heeft een wat complexe ontstaansgeschiedenis.
Reeds in 2014 schreef ik een korte Franse tekst met als titel “le piéton est le roi de la ville” en als bestandsnaam “vive le piéton”, waarin ik na een korte overpeinzing over de plaats van de voetganger in de stad, zowel belaagd als geprivilegieerd, enkele anekdotes verzamelde.
Van toen dateert mijn idee ooit een tekst over de rue Royale te schrijven. Meerdere oudere teksten die je op deze website vindt zijn overigens geheel of gedeeltelijk tijdens het stappen op de rue Royale ontstaan. De tekst zou er komen nadat ik Rijsel verlaten had, want ook toen ontstond het voornemen om na, of misschien zelfs vóór mijn pensioen, weer naar Antwerpen te trekken. [Toegegeven, ook Gent gaf ik een kleine kans.]

De korte tekst van 2014 is in de kast blijven liggen, of veeleer vergeten in mijn computerbestand. In november 2019, kort na mijn  verhuis naar Antwerpen, schreef ik een eerste Nederlandse tekst rue Royale. Het resultaat stelde me teleur: er zat te weinig vlees aan de beentjes. Een jaar later, in oktober 2020 probeerde ik het opnieuw, met méér vlees. Toen publiceerde ik de tekst.
Tot ik in februari 2021 bij het opruimen van de bestanden op het tekstje van 2014 stootte, en een rist anekdotes vond, tragiques et cocasses, die ik toch vergeten was: de jongeman met de bloemen, de scène de ménage, etc. Reden genoeg om mijn tekst nog wat aan te dikken. Geen vet, maar vlees.
Wie weet komt er later nóg wat bij, denk ik dan.

Vóór de anekdotes stond deze tekst, die een echo in de vergeten voetganger vindt:

Le piéton est le roi de la ville.
Certes, il est méconnu — méprisé faut-il dire! — par les urbanistes, les architectes, les ingénieurs, les décideurs politiques, les policiers et les entreprises du bâtiment et des travaux publics. Pour les cafetiers et les restaurateurs, il est un fléau quand il passe, mais une aubaine quand il s’assoit. Il est voué aux gémonies par les automobilistes et les cyclistes, dont il empêche la circulation et contraint le stationnement. Pire, il lui arrive de vouloir monter dans un bus ou un tram, ce qui perturbe la régularité de leurs horaires et nuit à la tranquillité des chauffeurs.
Mais: c’est lui qui voit et vit la ville. Il lui arrive même — rare privilège — de pouvoir s’arrêter où et quand il veut. De regarder, et de s’étonner. Il lui arrive de rencontrer une vieille connaissance ou un proche ami, de le reconnaître, de le héler, et de prendre le temps pour causer.

méér over de rue Royale

Ik vul de tekst hier nog even aan:

  • Tussen de winkels, die er nauwelijks zijn in de rue Royale, waren er wel twee uitstekende bakkers, de een met zuurdesembrood, dat ik veel later ontdekte dan goed voor me was, de ander met fougasses (olijfolie, olijven, uien… in je brood). De een is op pensioen gegaan, te vroeg voor mij als klant, de ander heeft zijn zaak toen ze goed draaide verkocht. Nu zijn er minder klanten voor minder lekker brood.
  • Over de kerk Saint-André in de rue Royale, en over twee tableaus van Otto Venius, lees je hier: het raadsel van Veen.
  • In de reeks Lille in foto’s zit ook een beetje rue Royale.
  • Analyse architecturale d’un abri voor voyageurs de bus geeft je, in het Frans, een beschrijving en commentaar van een bushalte-met-hok in de rue Royale.

 

© 2021 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑