Jef Van Staeyen

Categorie: Archief (Pagina 1 van 92)

steps

Dit had hier al eerder moeten staan: vorig jaar promootte de stad Antwerpen — terecht — Slim naar Antwerpen.
Daarin, jammer genoeg, dom genoeg, de elektrische step. Om haastig tussen de mensen te rijden, en hen aan het schrikken te brengen.

het diner — Herman Koch

Het enthousiasme van Jeroen Vullings over “het Diner”, dat ik pas onlangs las (februari 2021), al stond het sinds lang op een lijstje, kan ik niet delen.
[Deze eerste zin verwijst naar “Burgerlijke outlaws, over de boeken van Herman Koch”, Jeroen Vullings, in Ons Erfdeel 2014, nr. 1.]

Toegegeven, misschien heeft het in eerste instantie te maken met de betwistbare keuzes die Paul en zijn vrouw Claire maken, die voor menige lezer, waaronder ik, niet alleen immoreel zijn, maar waarmee ze hun zoon Michel, die ze willen beschermen, op de lange duur in de vernieling rijden. Ze beschermen vooral zichzelf, en een jarenlange frustratie, een soort “Van oude Menschen…” (de dingen die niet voorbijgaan) wacht hém op. Misschien een idee voor een ander boek: wat doe je op rijpere leeftijd met een dom- en wreedheid uit je jeugd, als je door de erkenning ervan je ouders verloochent.
En misschien denk je (of alvast: denk ik) bij zo’n setting — een diner met twee koppels — aan een roemrucht literair vuurwerk in prachtige taal. Maar in dit boek wordt verhoudingsgewijs weinig gezegd, en wat wel gezegd wordt is behoorlijk slapjes als argument. Herman Koch ziet zich zelfs verplicht, in zowat de eerste helft van het boek, eindeloos te leuteren over de restaurant-cultuur en over Nederlanders in de Dordogne. Wat hij zegt is grappig en veelal terecht, maar het had wat minder mogen zijn. Tenzij Koch op die manier de verveling wil doen gevoelen, die je in zo’n restaurant hebt terwijl je hongerig wacht op je bord.

Twee dingen steken me veel meer tegen.
Eén: ik krijg onmogelijk de uiteenlopende kenmerken van Paul in één personage geprangd. Okee, mensen zijn complex, vol verrassingen. Maar niet zo. Paul is de eeuwig twijfelende en onzekere man, die plots heel zelfzeker en vol zelfbeheersing gewelddadig wordt. Niet éénmaal, geen tweemaal, maar meermaals. Bovendien slaagt Koch er amper in te duiden waarom hij dat wordt: een affiche aan de muur? de kleur van een vest? Het is weinig. Ook twijfelt die man geen ogenblik hoe hij moet reageren wanneer hij de daad van zijn zoon ontdekt.
Twee: evenmin slaagt Koch erin de tijdspanne van het diner als kader te gebruiken. Nadat hij, en de disgenoten, en de lezer in een eerste deel (een eerste gang) veel tijd verloren hebben — er is ook nauwelijks wat gezegd — ziet Koch zich verplicht de ene flash-back na de andere te brengen, waarin de ik-persoon de lezer vertelt wat er voordien is gebeurd. Dat is nogal wat. Daarbij gaat Koch voorbij aan het feit dat voor de lezer, terwijl de ik-persoon hem dat alles vertelt, de klok gewoon doorloopt. [Met een hij-persoon had dat probleem niet bestaan.] Ten langen leste vraag je je af hoe het komt dat de anders zo actieve en ondernemende Serge urenlang binnen aan tafel blijft zitten, terwijl zijn drie disgenoten buiten staan.
Ik bedoel: als lezer krijg ik dat alles onmogelijk in de tijdspanne van een diner, ook al vindt dat diner plaats in een van die restaurants waar wachten en ceremonieel de belangrijkste bezigheden zijn. Heel kort komt het uiteindelijk dan toch tot een discussie, maar één, of zelfs twee disgenoten zitten er voor spek en bonen bij.
Conclusie: het argument waarover gediscussieerd wordt is zwak, en de vorm past er niet op. Dat er uiteindelijk meer geslagen dan gesproken wordt, en meer geweld dan woorden is, mag niet verrassen.

VSV — Leon de Winter

een reactie op een artikel in Ons Erfdeel, 2013, nr. 1 ; Jan Lensen: Barmhartigheid als flauw antidotum. “VSV of daden van onbaatzuchtigheid” van Leon de Winter

Pas nu (februari 2021) heb ik De Winters boek gelezen, dat op de kaft alleen de titel “VSV” draagt. De ondertitel over barmhartigheid ontdek ik pas in Lensens artikel, en staat inderdaad binnen het boek wél vermeld.
Het is een gedurfd boek, om met echt bestaande mensen en elementen van hun reële biografie over een zeer heikel onderwerp te schrijven. De Mulischiaanse keuze Theo Van Gogh (reëel) en Jimmy Davis (fictie) in het hiernamaals te plaatsen is zeer slim, want daarmee ondervangt De Winter meteen de kritiek omtrent fictie versus realiteit. (Seffens blijkt waarom ik “hiernamaals” schrijf.)
Vreemd is de taal van de gesprekken, die meer op een stripverhaal lijkt. (Soms lijkt het Jerommeke) Ik begrijp dat men in SMS-jes, mailtjes, of sommige geschreven teksten, veel korte zinnen zonder voornaamwoord vormt. In een verhaal drijft het de spanning op. Maar spreken Amsterdammers (en hun bewindslieden) echt zo? Wie aarzelt of onderbroken wordt, breekt het einde van zijn zinnen af, nooit het begin.

In zijn recensie vermeldt Jan Lensen terecht de vele losse eindjes. Met de “schijnbare toevalligheid” heb ik minder problemen. Het is nu eenmaal een roman, waarin zelfs engelen zitten. Religie is een belangrijk onderwerp, dus voorbestemdheid mag dat ook zijn.
Vreemder is dat het boek, ergens op twee derde van zijn dikte, teneinde lijkt te zijn, waarna De Winter snel nieuw materiaal aanreikt. (Okee, er zitten wel heel kleine aanwijzingen dat er misschien nog wat komt.) En ronduit teleurstellend is de ontknoping, als je bedenkt hoeveel mensen en dingen De Winter in stelling heeft gebracht, en… hoeveel knopen hij heeft gelegd. Uiteindelijk gaat gewoon de bijl erin. Zo wordt heel het verhaal één groot “los eind”.

Tenslotte, voor Jan Lensen: Theo zit niet in het vagevuur, zoals hij stelt, maar in het voorgeborchte, al werd dat enkele jaren eerder plechtig afgeschaft. Hij zit daar “als derde categorie” naast goede mensen die nooit de kans hebben gehad de openbaring te zien: geboren vóór de komst van Christus, of als boreling gestorven vóór de doop. Daarom schreef ik “hiernamaals”, want in de “hemel” komt Theo pas nadien. Of: wat is het tegengestelde van “ondermaanse”?

« Oudere berichten

© 2021 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑