Jef Van Staeyen

Tag: reizen (Pagina 1 van 14)

waarom heet la gare d’Austerlitz

Paris-Austerlitz in 2011

Vaak heb ik in Paris-Austerlitz de trein genomen, eerst naar Niort en later naar Zuid-Franse vrienden. Ik heb dat altijd graag gedaan. Er hangt — nee: hing — een Zuid-Franse sfeer in dat station, het was er ook rustiger dan in Paris-Nord, Gare de Lyon of Montparnasse. Door het nabuurschap van de Seine en de Jardin de Plantes zit de gare d’Austerlitz ook minder geprangd in de stad. Er is ruimte en tijd voor zon.
Soms vroeg ik me dan af waarom een station waar de treinen naar Orléans, Bordeaux en Toulouse vertrekken, naar Austerlitz is genoemd, een stadje in Moravië — nu Slavkov u Brna, weet ik pas — waar Napoleons leger in 1805 de verzamelde Oostenrijkse en Russische legers versloeg. De driekeizersslag.
Na het lezen van Sebald’s Austerlitz wilde ik daar het fijne van weten.

Niet in Antwerpen — met zijn schildersstraten —, Gent of Brussel, maar in Parijs zijn talrijke belangrijke straten naar veldslagen, generaals en legers vernoemd: Rivoli, Iena, Sebastopol, Solferino, Magenta, Turbigo, Alma, Arcole, Tolbiac… Foch, Kléber, La Grande Armée… en Austerlitz. Vaak ook worden belangrijke instellingen en gebouwen naar hun adres genoemd: place Beauvau voor het Ministerie van Binnenlandse zaken, Quai d’Orsay voor het Buitenland, Bercy voor Financiën…, la rue Solférino destijds voor de Parti socialiste, toen die nog rijk en machtig was. En soms een spoorwegstation: Saint-Lazare en Austerlitz.

De zes grote kopstations in Parijs bedienen elk een deel van het Franse grondgebied, en werden tot de oprichting van de SNCF in 1937 elk door een verschillende spoorwegmaatschappij uitgebaat. De Compagnie du chemin de fer de Paris à Orléans (PO), wier spoorwegnet tot Bordeaux en Toulouse zou reiken, opende in september1840 in het zuidoosten van de stad een eerste station, Gare d’Orléans, dat in 1846 werd vergroot en in 1867 door het huidige vervangen werd. In 1900 besliste de Compagnie d’Orléans de spoorweg te verlengen tot een nieuw, centraler gelegen — en extreem luxueus — kopstation, la Gare d’Orsay. Dat station dankt zijn naam aan zijn locatie, de quai d’Orsay, waar ook het Ministerie van Buitenlandse zaken gelegen is, en die quai d’Orsay is genoemd naar Charles Boucher, seigneur d’Orsay (1641-1714). In 1939 werd die inmiddels te klein geworden Gare d’Orsay gedegradeerd tot lokaal treinverkeer, en keerden de grote treinverbindingen terug naar Austerlitz. Het lijkt me aannemelijk, maar ik heb er geen geschreven bron van gevonden, dat het bestaan van twee “Gare d’Orléans” geleid heeft tot de naamgeving “Gare d’Austerlitz” en “Gare d’Orsay” (nu het Musée d’Orsay), elk genoemd naar de locatie, quai d’Austerlitz, pont d’Austerlitz, en quai d’Orsay.

Het best spectaculaire metrostation Gare d’Austerlitz van lijn 5 Bobigny-Place d’Italie, dat zich letterlijk door de stationshal boort, dateert van 1906. In 1960 werd voor de lokale spoorlijnen (la banlieue) een ondergronds station gebouwd, maar vanaf 1990 verloor Paris-Austerlitz een belangrijk deel van het lange-afstandsverkeer, dat sindsdien met TGV’s vanuit Paris-Montparnasse geschiedt. Naast en over het station wordt sinds 1990 het stadsontwikkelings-project Paris Rive Gauche gebouwd, waardoor het steeds meer onder beton bedolven wordt. Het oude Zuid-Frankrijk is weg.

Verbouwingswerken in de hal van Paris-Austerlitz, zicht vanuit het metrostation, juni 2025

Frankrijk per trein — deel 4: langs Orléans en Toulouse ❧

De voorbije lente heb ik voor een vierde maal een treinreis door Frankrijk gemaakt. Per TER, Train Express Régional, van stad naar stad. Zowel de trajecten zelf als de steden, en een beetje het toeval, hebben mijn reisplan bepaald. Maar, alhoewel ik eerst dacht aan een reis van oost naar west, met Clermont-Ferrand en Limoges, wat in dat land, per trein of per auto, nooit makkelijk is, ben ik uiteindelijk bij een lange lus langs Orléans en Toulouse beland — mét Clermont en Limoges. Een lus die ik, met enige overdrijving, ook een “méridienne” noem. Fransen houden van zo’n woorden, en je bent Fransman of je bent het niet.

Het station Paris Bercy Bourgogne Pays d’Auvergne, waar mijn trein naar Moulins vertrok.

“navettes”, of schietspoelen

A priori kies ik steden die ik nooit heb bezocht (Clermont-Ferrand, Limoges…), of waaraan mijn herinneringen zijn vervaagd (Orléans, Cahors…). Ik heb een zwak voor miskende steden, die door de grote toeristenstromen worden vergeten (Moulins, Montluçon, Agen). Ik zette er Toulouse bij, dat ik toch meende te kennen — nee, dus — en Périgueux, een toeristische hot-spot dacht ik — verrassend kalm voor een Pinksterweekend.

Ik hou van kleine, lokale spoorlijnen, zoals van Clermont-Ferrand naar Limoges, via Montluçon, of van Limoges naar Périgueux, en dan Agen. Lijnen waar er drie treinen zijn per dag. Drie navettes, maar dan echt, zo sterk lijken ze op de schietspoelen van een weefgetouw. [Een navette is een schietspoel.] Ook op grotere lijnen, met Intercités of zelfs TGV, neem ik het liefst een TER. En ik vermijd de grote spoorweg-knooppunten (zoals Bordeaux) waarvoor je straalsgewijs omwegen maakt.
Het negatief van mijn reis zijn dan de talrijke steden waar ik eerder al was, omdat ik in de omgeving woonde (Niort), dan wel omdat ik ze bezocht als toerist of voor mijn werk. Dat zijn er nogal wat. Het vertaalt ook, het kan niet anders, de aan- of afwezigheid van een ietswat geknoopt spoorwegnet.

eiken en kastanjelaars

Geen enkele van de spoorlijnen is spectaculair. Maar de meeste zijn heel mooi. En bevreemdend. In de Limousin en de Périgord lijkt de treinreis op een wandeling, aan hoge snelheid weliswaar, in een eindeloos bos van eiken en kastanjelaars, slechts onderbroken door een zeldzaam huis of dorp, en door de bultige weien waarop Limousin koeien en hun kalveren vreedzaam grazen. [Een ander leven dan in de stallen hier.]
God had allicht aarde teveel toen hij de Limousin geschapen heeft. Daarom heeft hij heuvels, plooien en krullen gemodelleerd, waartussen de spoorlijn bochtig haar weg zoekt. Het (niet-geëlektrificeerd) enkelspoor volgt het reliëf, en dus slingert het heen en weer. Bochten naar links en bochten naar rechts volgen elkaar op. De spoorstaven zijn kort, de wielen slaan voortdurend tegen de voegen. De bomen en struiken geselen de trein — of juister: de trein geselt hun takken. Ik vraag me af hoe een machinist zich voelt in die groene omgeving, terwijl hij nauwelijks ziet waarheen hij rijdt. En of er in die bossen geen groen-blindheid ontstaat, verwant aan wat skiërs in het wit in de bergen ervaren.

Toch was het langs twee grotere spoorlijnen, van Agen naar Toulouse, en van Toulouse naar Limoges — tussen Montauban en Toulouse is dat hetzelfde traject — dat er het meest te zien is. Het uitzicht is er vaak ruimer, over grote valleien. Tunnels en viaducten volgen elkaar op. Men ziet de Lot, de Tarn, de Garonne (een beetje), en vooral, van Agen tot Toulouse, haar kanaal — le Canal latéral à la Garonne — soms heel kortbij. Boten en treinen volgen hetzelfde traject, wat niet echt mag verrassen. En wie goed oplet, ziet ook enkele kanaalbruggen, zoals in Moissac over de Tarn.

Voor een beeld-reportage in 50 pagina’s, klik hier of op de foto of kaart.

 

 

Lees ook, bij het bezoek aan de kerk en het klooster van de Jacobijnen in Toulouse: ik wil dóór de beelden kijken.

En lees hier over de vorige reizen:

drie toeristische teleurstellingen

Er zijn talrijke plaatsen waar ik zeer mooie herinneringen aan heb. Sommige wil ik graag nog eens bezoeken. Andere niet — uit vrees dat het tegenvalt…
En er zijn enkele — zeldzame — plekken die me zwaar hebben teleurgesteld. Ik geef er drie. Ik denk niet dat er nog andere zijn.

Mulhouse, treinen in de duisternis  ★☆☆☆☆

Ik ben een spoorwegfanaat, een ferrovipaat. Zowel van kleine als — vooral — van grote treinen. Toch heb ik tweemaal Luzern bezocht (met vrienden, en met mijn kinderen) zonder naar het befaamde transportmuseum te gaan. Zó fanatiek ben ik dus niet. In het Franse Mulhouse wilde ik dat corrigeren. Reeds lang geleden had mijn Franse familie, die mijn bewondering voor grote machines op sporen kent, me over dat museum gesproken. Een vakantie in de Vogezen en het Zwarte Woud in 2003 was de gelegenheid om met de kinderen naar dat museum te gaan.
In Mulhouse is er echter ook een befaamd automobielmuseum, en ik ben (of was?) democratisch genoeg om de kinderen te laten kiezen. Treinen of auto’s? Het werden auto’s.
Het jaar daarop, in 2004, zaten we weer in de buurt. Dé kans om dan toch het spoorwegmuseum te zien. Op de website zocht ik de locatie en de openingsuren. Ondanks de beperkte bewegwijzering — nog geen GPS — vond ik het museum… en zag dat het in een gigantische bouwwerf herschapen was. Het museum was dicht, maar dat wist de website niet.
Derde keer goede keer. Ik werkte in de grensoverschrijdende samenwerking in Rijsel (Lille), en dat hield in dat ik meermaals per jaar voor conferenties, werkgroepen, uitwisselingsprogramma’s… op andere grenzen zat: Bayonne, Menton, Chamonix, Genève, Straatsburg, Longwy, Kopenhagen, Heerlen, Ratzdorf… of Mulhouse. Eén van die conferenties, in 2006, gaf me de kans, mits een vroeger vertrek (en een iets latere aankomst) uiteindelijk toch nog naar het spoorwegmuseum van Mulhouse te gaan.
Je meet mijn teleurstelling niet! Allicht was dat het resultaat van het renovatieproject dat voordien was uitgevoerd, maar voor de sfeer had men al die prachtige machines… in het halfduister gezet. Ik ging om de treinen te zien, de wielen, de stangen, de klinknagels, bouten en moeren, de ketels en schouwen, de vensters en deuren, de platen, het koper en het schilderwerk… er was amper wat te zien. De treinen hadden ook van karton kunnen zijn.

La Cité du Train in Mulhouse krijgt van mij één ster, omdat er naast de donkere hal waar je de treinen nauwelijks kan zien, ook banale, correct verlichte hallen zijn (of waren?) waar de prachtige locomotieven en wagons gewoon achter elkaar staan gerangeerd.

Melk, de abdij  ★☆☆☆☆

Ik moet nog op de middelbare schoolbanken gezeten hebben, de les geschiedenis allicht. Een foto van de abdij van Melk, op een rots aan de oever van de Donau, sprak me aan. Ooit moest ik die zien.
Een architectuurtrip met een vriend, ergens in de jaren 70 of 80, bood een eerste kans. Stuttgart en Wenen: Melk ligt op de weg. Maar des vriends interesse ging toch veeleer naar moderne, vooroorlogse architectuur, niet naar barok, en de weg was lang.
Járen later, in 1996, bood een reis met de kinderen naar Tjechië, Polen en Slovakije een nieuwe kans. Op de terugweg van Bratislava zijn we in Melk gestopt. Ik droomde van een wandeling door de grote poort, over de mooie pleinen, alles zoals de architect (Jakob Prandtauer) het heeft gewild. Niets daarvan: via een kleine poort mag je binnen, waarna een onduidelijk parcours door gangen, zalen en kamers volgt. De architectuur, de promenade architecturale — om het met een anachronisme te zeggen — krijg je niet te zien.

Het Stift Melk krijgt van mij één ster, want de abdij is mooi, en omdat ik hoop dat het parcours intussen verbeterd is.

Schengen zonder grenzen  ★☆☆☆☆

Je mag het een obsessie noemen, maar toen ik in de grensoverschrijdende samenwerking werkte leek een korte herfstvakantie in Schengen met de kinderen me een goed idee. Luxemburg was culturele hoofdstad van Europa (1995), het was herfst in de bossen, en vanuit een grensstadje als Schengen krijg je drie landen te zien. Het huisje dat ik huurde was niet op bezoekers ingesteld — de eigenaars hadden schrik van leegte, en hadden voor de gezelligheid de schabben, de meubels en de tafels vol stoffige, onnuttige spullen gezet —, het comfort was bedenkelijk — bij een warme douche hoorde een ontploffing in de geiser —, maar vooral, en ik had het moeten weten: Schengen is allicht het minst charmante dorpje van het hele hertogdom. Het is één klomp alcohol- en sigarettenwinkels en benzinestations. Of ik mijn geld voor het huisje heb teruggevraagd en -gekregen, weet ik niet, maar we zijn naar een Waals vakantiedorp nabij Virton gevlucht. Dat kende ik al van het jaar voordien.

Schengen krijgt van mij één ster, omdat het een aangename locatie is voor wie alcoholische dranken, sigaretten of benzine zoekt.

« Oudere berichten

© 2025 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑