Jef Van Staeyen

Tag: reizen (Pagina 1 van 11)

twee verhalen, één stad — Langres — en hoe je ze verlaat

Iedereen kent Langres: een kleine stad als een kroon op een lage berg die de heuvels op de grens van Champagne en Bourgogne beheerst. Denk aan Laon, Saint-Flour of, korter bij huis, aan Cassel. De torens zijn minder hoog of beeldbepalend, en de wallen zwaarder. Langres is tot de twintigste eeuw onneembaar geweest, een meesterstuk voor de koning van Frankrijk wanneer die met zijn buren ruzie had.

Langres heeft een station, sinds 1858, maar als je daar je trein verlaat en naar het stadje kijkt, voel je je als de legers die nooit tot boven zijn geraakt. Een vriendelijke automobilist die aan het station zijn dochters kwam halen — zijn er maar drie reizigers uit de trein gestapt, de twee jonge vrouwen en ik? — heeft mij naar boven gebracht. In Langres moest hij niet zijn, maar hij maakte graag een praatje met een Belg.

De elektrische tandradbaan die tot 1971 het station met het stadje verbond is erfgoed geworden. Een van de treinstellen werd gerestaureerd en op wat van de baan overblijft als bezienswaardigheid geplaatst.

Ik heb Langres bezocht, de verdedigingswallen, de Romeinse poort, de straatjes, de kathedraal en het museum met de mozaïeken — en heb er nog talrijke vriendelijke mensen ontmoet. En ik heb gezien wat overblijft van de tandradbaan die van 1887 tot 1971 het station beneden met de stad boven verbond: 132 meter hoogteverschil op een afstand van 1475. Ze was de oudste van Frankrijk, en werd tot 1935 met stoomlocomotieven en daarna elektrisch bediend. Zowat elk uur een trein in elke richting, van één uur ‘s morgens tot elf uur ‘s avonds, met een reistijd van tien minuten, perfect was dat. Vandaag rijden er bussen op onmogelijke uren. De dag na mijn bezoek ben ik dus te voet weer naar het station afgedaald. Fijn grint op het voetpad. Zelfs bergafwaarts was lastig.

 

Denis Diderot waakt over de stad die hij is ontvlucht.

lettre sur les aveugles

Langres herdenkt, naast zijn bisschoppen en militairen, poortwachters van de macht, twee van zijn burgers: Denis Diderot en Jeanne Mance. Beiden hebben ze het stadje verlaten en elders hun vleugels ontplooid. Diderot (1713-1784) is de meest bekende. Hij was een zeer veelzijdig auteur in talrijke genres (romans, verhalen, theater, essais, kritieken…), maar wordt toch vooral geroemd om de Encyclopédie waaraan hij samen met d’Alembert twintig jaar heeft gewerkt. Zijn vader, messenmaker — wat tot vandaag in die regio een belangrijke nijverheid is — bestemde hem voor het priesterambt of, als dat niet lukte, het ambacht. De erfenis van zijn oom, met een prebende of kerkelijke vergoeding als kanunnik, lag bijna voor hem klaar. Maar Diderot wilde dat niet, hij trok naar Parijs, studeerde er filosofie en theologie, waagde zich aan de letteren, ook en vooral in vertalingen uit het Engels — waaruit veel van zijn ideeën zijn gerijpt — en vond zijn weg in intellectuele kringen. Op 29-jarige leeftijd vroeg hij zijn vader of hij mocht huwen — meerderjarig was men toen pas op 30 — wat die weigerde, en hem in een klooster in Troyes opsloot. Waaruit hij wist te ontsnappen. Enkele jaren later, in 1749, werd hij nog eens opgesloten, maar toen was het in opdracht van de censuur, die zijn Lettre sur les aveugles à l’intention de ceux qui voient te materialistisch en daarom staatsgevaarlijk vond. Diderot beschreef en analyseerde de dingen zoals hij ze zag, veeleer dan zoals men zei dat ze waren. Hij kreeg ook vaak meer steun uit Stockholm, Berlijn (de Preußische Akademie der Wissenschaften) of Sint-Petersburg, dan uit eigen land. Om hem te helpen kocht Tsarina Catharina II zijn bibliotheek, maar belastte hem ze te bewaren en beheren, en vergoedde hem daarvoor. In 1773 en ’74 voerde ze in Sint-Petersburg — Diderots enige buitenlandse reis, die hem ook in Den Haag heeft gebracht — talrijke lange gesprekken met hem, waarvoor hij tientallen voorbereidende mémoires schreef. Diderot keerde slechts zelden naar zijn geboortestad terug, maar schreef wel, in 1770, een Voyage à Langres. Veeleer dan een brok nostalgie is het een accurate beschrijving van de beperkingen waaraan de mensen die er leven onderworpen zijn: de streek oogt charmant maar is het niet. Met name het pachtsysteem dat de eigenaars vaste inkomsten garandeert, de versnippering van de percelen en de slechte transportmogelijkheden zorgen voor veel hongersnood, armoede en onzekerheid. Diderot is in de schaduw van de Kerk, de koning en de krijgsmacht geboren, en werd door zijn vader, een ambachtsman, voorbestemd om in die wereld verder te gaan, maar hij heeft getoond en geschreven hoe je eraan ontsnapt.

 

Het geboortehuis van Jeanne Mance in de rue du Barbier d’Aucourt.

une femme de vertu et de résolution assez mâle

Honderd jaar eerder was ook Jeanne Mance (1606-1673) haar eigen weg gegaan, zij het in de Kerk, of in de marge ervan. Samen met Paul de Chomedey de Maisonneuve heeft ze in 1642 Montréal gesticht — toen nog Ville-Marie. Haar ouders en grootouders waren invloedrijke mensen uit de noblesse de robe, de ambtsadel, als procureurs du roi, maar toen haar vader en moeder op korte tijd stierven, moest ze samen met haar oudere zus in het levensonderhoud van de jongere broers en zussen voorzien — Jeanne was geboren als tweede van twaalf. Ze voelde niets voor huwelijk of klooster, en koos als leek voor de zorg, waar in Langres grote behoefte aan was. De pest en de dertigjarige oorlog maakten veel slachtoffers. Tegelijkertijd onderhield ze regelmatige contacten met zeer gelovige of zelfs devote mensen, die in la Nouvelle France het katholicisme wilden verspreiden en daar hun geld aan besteedden. Ze ontmoette, ook in haar zeer kerkelijke familie, priesters die in de snel groeiende overzeese provincie waren geweest en erover vertelden. Via contacten in Parijs kon Jeanne Mance op 9 mei 1641 inschepen in La Rochelle, in een convooi van twee schepen onder leiding van Paul de Chomedey de Maisonneuve. Voor het stichten van een hospitaal — en missiepost en kolonie en militair kamp — had men immers ook een vrouw gezocht die haar mannetje kon staan: “une fille ou femme de vertu assez héroïque et de résolution assez mâle pour venir dans ce pays prendre le soin de toutes les denrées et marchandises nécessaires à la subsistance de ce monde et pour servir en même temps d’hospitalière aux malades ou blessés”. De geestelijken konden preken en dopen en praten over God, en de soldaten vechten, maar er moest iemand zijn die ervoor zorgde dat er bijtijds wat op tafel stond, en de zieken en gekwetsten verzorgde. Het schip met Jeanne Mance arriveerde na een moeilijke overtocht van drie maanden in het stadje Québec, maar van het schip met Maisonneuve was lange tijd geen nieuws. Zij arriveerden pas eind september in Tadoussac, iets meer stroomafwaarts de rivier. Er ontstond discussie over de plek waar de missiepost moest worden gesticht —  de gouverneur vond het eiland Montréal, dat al eerder in kaart was gebracht, te ver en te gevaarlijk — maar Maisonneuve zette door, en in naam van de Franse koning werd de concessie toegekend. [In 1534 had Jacques Cartier uit Saint-Malo in opdracht van de Franse koning aan de monding van de Saint-Laurent een kruis geplant, en vanaf die dag beschouwde men in Parijs en later ook Québec dat het de koning en zijn gezanten toehoort grote of kleine stukken van het nieuwe land in concessie of in feodaal leenrecht te geven. Alles werd bij de gratie Gods in wetten en contracten gezet, maar de autochtone bewoners werden als rechtelozen in hun eigen land beschouwd.]

Heel de winter werd de expeditie voorbereid, die na het breken van het ijs op de Saint-Laurent kon vertrekken. Op 17 mei werd het eiland Montréal bereikt. De kolonisten bouwden een vesting, een kerk en een hospitaal, waarvoor de leek Jeanne Mance aan het hoofd van de hospitaalzusters stond. Irokezen werden gedoopt, en er werd oorlog met hen gevoerd. Jeanne Mance keerde meermaals naar Frankrijk terug, voor geldelijke steun, of om hospitaalzusters of soldaten te vinden, maar bleef uiteindelijk in Ville-Marie, waar ze in 1673 overleed. Op dat ogenblik telde de missiepost ongeveer vijfhonderd Franse inwoners — inboorlingen werden niet geteld —, vooral uit het westen van het land. De naam Ville-Marie zou langzaam verdwijnen, ten voordele van de oudere naam Montréal, de naam van de berg en het eiland waarop die ligt. Jaren-, nee eeuwenlang zou Maisonneuve als enige stichter van Montréal worden beschouwd, een eer die hij pas sinds 2012 mag delen met Jeanne Mance. Misschien heeft Langres, die de figuur in 1968 met een sculptuur van Jean Cardot in de bloemetjes heeft gezet — op een plein dat al in 1954 place Jeanne Mance werd gedoopt — daar wel toe bijgedragen. De afwezigheid in Langres van een zee of van een maritiem klimaat, zelfs van grote rivieren en boten, heeft Jeanne Mance er niet van weerhouden haar geluk aan de overkant van de oceaan te zoeken, in la Nouvelle France. Ze is niet uit de wereld van Kerk, koning en krijgsmacht gestapt, maar heeft er wel een heel eigen plaats en vrijheid verworven.

 Zie hier wat Langres nog meer te bieden heeft, bijvoorbeeld in het Musée d’Art et d’Histoire, dat de bezoeker terugvoert naar de Gallo-Romeinse geschiedenis van de stad.


het geheim van Paray-le-Monial

Ooit moet ik mooie foto’s hebben gezien van de romaanse basiliek van Paray-le-Monial, die in mijn hoofd zijn blijven hangen, en die me ertoe hebben verleid het kleine stadje (9200 inwoners) in mijn Franse treinreis op te nemen, ergens tussen Nevers en Chalon-sur-Saône. Samen met het ook atypische Le Creusot — totaal anders weliswaar: een oude, verloren gelegen industriestad van 21.000 mensen in een agglomeratie van 34.000 — bracht Paray-le-Monial me op weinig bereden sporen, waar de takken van de struiken tegen de vensters van de treinen zwepen. Ik bedoel: Nevers en Chalon-sur-Saône hebben op hun niveau (kleine préfecture en grote sous-préfecture) al wat je van een stad verwacht, terwijl Paray-le-Monial en Le Creusot beide op een dominante, wat paternalistische nijverheid zijn gebouwd. In Le Creusot is dat de metaalverwerkende industrie van Schneider en in Paray de Roomse kerk.

Al in de 11de eeuw besliste Hugo, abt van Cluny, in Paray een nieuwe kerk te bouwen aan de oever van de Bourbince, een verkleinde copie van “Cluny 3”, maar zonder de rijke versiering ervan. Enkele eeuwen later, in 1673, had notaris-dochter en kloosterzuster Marguerite-Marie Alacoque (sœur de la Visitation) de gelukkige idee verschijningen van Christus’ Heilig Hart te zien, waarvan haar biechtvader de boodschap noteerde: “Voilà ce Cœur qui a tant aimé les hommes”. Daarmee waren de zuster en haar biechtvader hun tijd ver vooruit, want andere beroemde verschijningen dateren uit de 19de en 20ste eeuw, en de cultus van het Heilig Hart zou pas na de Franse revolutie, of zelfs na het Eerste Vaticaans Concilie in 1869 een hoge vlucht nemen, als reactie op de ontkerkelijking. [Het katholicisme zoals wij dat hebben geleerd en ook beleefd, en dat ons als eeuwenoud werd voorgesteld, is door Pius IX, paus van 1846 tot 1878, in de steigers gezet, terwijl hij de wereldlijke macht van zijn Pauselijke Staten verloor: onfeilbaarheid, onbevlekte ontvangenis, verering van het heilig hart…]

Florida

Paray-le-Monial is dus een bedevaartsoord, maar is dat allicht vooral op de derde vrijdag na Pinksteren. Mij lijkt het meer op een katholiek Florida. De indrukken die ik had werden nadien door digitale media gestaafd: een rustig en ordentelijk stadje, dat niet om centen verlegen zit, met welvarende, weldenkende en wellevende mensen, en met een voorzieningenniveau (ook commercieel) waar menige grotere stad jaloers op kan zijn. Bijna de helft van de Parodiens is ouder dan 60, wat op departementaal niveau slechts een derde, en nationaal een flink kwart is. Al sinds 1989 wordt het bestuurd door een overtuigde katholiek (manifest tegen het homo-ouderschap, kerststallen in het gemeentehuis…) die zijn politieke loopbaan ooit als jeune giscardien begonnen is. Hij is er wel in geslaagd het openbaar domein in het oude centrum, de omgeving van de basiliek, het belfort en het stadhuis prachtig heraan te leggen — met meer smaak voor architectuur en stedenbouw dan de lokale bouwpromotoren en hun klanten hebben getoond — en ook het zeer merkwaardige Musée du Hiéron en het interieur van de basiliek te renoveren, waarna beide door de toenmalige minister van cultuur en partijgenoot Renaud Donnedieu de Vabres werden ingehuldigd (diens naam leest als een boek). Als er voor ouder wordende katholieken een paradijs op aarde bestaat, ligt het in Paray-le-Monial.

Arabische motieven in het noordportaal van de basiliek

De idee achter het Musée eucharistique du Hiéron, heb ik begrepen, is dat er over alle landen en tijden heen, één religie is, waarvan het katholicisme de meest volmaakte vorm en de sacrale kunst de bevoorrechte uitdrukking is. Het museum uit 1888, in 2005 flink vergroot, bevat een rijke en diverse collectie, en ontvangt ook tijdelijke tentoonstellingen van hedendaagse kunst — een bezoek meer dan waard. Het geheim van Paray-le-Monial zit echter in de Basilique du Sacré Cœur (tot 1875 gewoon église Notre-Dame genoemd). Ze oogt als een slimme romaanse bouwdoos, een waterval van grote en kleine volumes, drie flinke torens, een open narthex en een arabiserend noordportaal (Hugo van Cluny is in Castillië geweest). Het interieur is behoorlijk saai — veeleer dan enkel sober — maar wie binnen en buiten vergelijkt staat voor een raadsel, waarvan de oplossing althans mij nogal wat tijd, een beetje hulp, én gelukkige omstandigheden heeft gevergd. Als je vóór de westgevel met de twee torens staat, zie je hoe de hoge vieringtoren wél, maar de nok van het schip niét in de (schijnbare) as van de gevel zit (zie foto). Meermaals ben ik van buiten naar binnen gelopen, om niet te begrijpen hoe het zat, tot een informatiebord wat verder (zie foto) me enigszins op weg heeft geholpen. De basiliek uit de elfde eeuw werd ter vervanging van een oudere kerk gebouwd, waarbij de oriëntatie — zoals bij zoveel oude kerken — enigszins werd aangepast. [De dag voordien had ik in de kathedraal van Nevers gezien hoe er een knik zit tussen koor en schip.] De as waarrond de kerk van Paray werd gewenteld zit in het koor, iets voorbij de viering, maar de narthex en de twee torens, of op zijn minst hun basis, bleven op hun oude plaats. Niet de gevel van het schip, met zijn twee bescheiden vensters, maar de torens staan naast de as van de kerk. Toch is het pas de wijd open deur op zondagavond, waarlangs ik ongehinderd van binnen naar buiten kon, die voor opheldering heeft gezorgd.

De puntgevel van het schip (met de twee eenvoudige boogvensters boven elkaar) staat uit de as van de vieringtoren en van de twee torens (met narthex) vooraan.

mozaïeken

Een mooie verrassing is het Maison de la mosaïque contemporaine, dat zich ook in de trottoirs van Paray aankondigt, en behalve ateliers en sensibiliseringsacties ook (kleine) tentoonstellingen biedt. Van hedendaags mozaïek uiteraard, in een diversiteit van materialen, zoals glas, hout en leisteen, waarbij niet alleen de kleur maar ook de textuur wordt gebruikt. [Oudere, meer dan kamerbrede Gallo-Romeinse mozaïeken zag ik enkele dagen later in de musea van Besançon en Langres.] Nabij het station is er ook het Musée du carrelage céramique Paul Charnoz (de naam van de fabriek) maar voor de te beperkte bezoekuren had ik geen geluk.

Vindt onder deze straatstenen nog meer foto’s van Paray-le-Monial
en van de mozaïeken.

Toch was het pas ′s anderendaags, toen ik in het station de trein nam naar Le Creusot, dat ik Paray-le-Monial wat beter begreep. Toen zag ik dat er achter de spoorweg nog een heel stuk Paray ligt, dat omwille van de sporen, het Canal du Centre, de industriële sites en de rivier la Bourbince, vanuit het centrum nauwelijks te bereiken valt, en dat — van op afstand althans — een wat grauwere aanblik biedt. Misschien wonen daar de mensen die het paradijs van Paray draaiende houden, en de oude bewoners, pelgrims en toeristen de zorg geven waar ze om vragen.

 


la France en TER — het traject

Links het traject van 2019, dat ik met een TGV van Tours naar Lille heb afgerond, en rechts het traject van 2022. Montchanin, Dijon, Belfort en Chaumont zijn geen etappes, maar overstapstations, eventueel met een brasserie erbij. Dijon en Chaumont heb ik overigens al herhaaldelijk (en in zeer goed gezelschap) bezocht, en Montchanin is weinig meer dan een station. Blois (in 2019) en Tournus bezocht ik toen ik in Tours of in Chalon logeerde.

En dit is het (trein)verslag van 2019, in het Frans.

Edvard Munch in Sologne

Dit is de kerk van Vierzon, Notre-Dame, gebouwd in de 12de en vergroot in de 15de eeuw. Vierzon is een kleine stad in het centrum van Frankrijk — een sous-préfecture van ongeveer 25.000 mensen. Het is een belangrijke industriestad geweest, met porselein, faïence en landbouwmachines, en het is en blijft een verkeersknooppunt, eerst met het Canal du Berry, en later met spoor- en tenslotte autowegen. Veel bezoekers leveren die wegen en spoorwegen niet op: het stadje telt welgeteld één hotel — in het centrum althans, want langs de autoweg staan er meer — en dat lelijke gebouw staat net op de plaats waar het oude Canal du Berry werd gedempt. Vierzon kennen we van Brel’s liedje… Vesoul.
T’as voulu voir Vierzon.
Vierzon ligt aan de zuidelijke rand van la Sologne, een immens natuurgebied van ongeveer 5000 km2, zo groot als de provincies Antwerpen en Vlaams Brabant samen, met vlakke, arme bodems, dat omwille van zijn bossen en vennen vooral door jagers, vissers en natuurliefhebbers wordt gesmaakt.

Met De Schreeuw (of De Kreet — Skrik — 1893, 1895, 1910…) tekende en schilderde Edvard Munch (1863-1944) een van de beroemdste kunstwerken uit de 19de eeuw. Er bestaat nogal wat aandacht, en er bestaan nogal wat hypothesen, over de plek nabij Oslo waar Munch De Schreeuw heeft getekend, en over het licht en het hemelverschijnsel dat hij toen zag. In zijn dagboek verhaalt hij die ervaring. Minder aandacht gaat naar de centrale figuur die met haar handen haar oren bedekt. Soms verwijst men naar een Peruviaanse mumie die Munch in Firenze of Parijs zou hebben kunnen zien.

Ik voeg daar graag een hypothese aan toe: De Schreeuw is de kerk van Vierzon.
Van 1885 tot 1889 verbleef de jonge Edvard Munch meermaals in Frankrijk en met name Parijs. In zijn eerste, Noorse jaren had hij wel eens landschappen geschilderd, maar in Frankrijk was hij als kunstenaar op de dool. De tekenlessen bij Léon Bonnat bevielen hem niet, maar diens commentaren in musea des te meer, en hij was enthousiast over het werk — en vooral de kleuren — van Gauguin, Van Gogh en Toulouse-Lautrec. Het is heel aannemelijk dat hij, net als vele andere kunstenaars voor hem, de natuur in trok, ook voor het licht en de kleuren. De vallei van de Seine, Normandië, de Loire en, waarom niet, la Sologne. Toen heeft hij, denk ik maar, op een avond de gloed van de kerk van Vierzon gezien, en dat beeld is hem bijgebleven.

Zijn verblijf in Frankrijk werd plots afgebroken door de eerste van een reeks dramatische gebeurtenissen die zijn leven en zijn kunst ingrijpend zouden veranderen, en tot De Schreeuw zouden leiden. In december 1889 stierf Munch’s vader — terstond keerde Munch naar zijn land terug — en daarop volgden een onmogelijke liefde en de zelfmoord van een goede vriend. En dan De Schreeuw, dat hij herhaaldelijk getekend en geschilderd heeft. Landschappen waren er voorlopig niet meer, wel menselijke figuren, bij wie verwrongen landschappen en hemels de significante achtergrond zijn. Er bestaat discussie over wie schreeuwt. Is het de schreeuw van het personage zelf, of van het landschap en de hemel, waarvoor dat personage zijn oren en hoofd beschermt? Niet iedereen ziet hetzelfde wanneer hij naar Munch’s meesterwerk kijkt.

De kerktoren van Vierzon trekt hoge, beangstigde ogen. Ook de neus en de mond, niet helemaal zichtbaar op de foto boven, zijn als in Munch’s tekening sterk uitgerekt. En vooral, er zijn de steunberen als armen en beschermende handen, links en rechts, die Munch zeker heeft opgemerkt — als hij er was. Misschien heeft de toren die avond ook echt geschreeuwd.

 

 Bij zonsondergang staat de toren van Vierzon als een geel-oranje baken in de donkere stad.

 

P.S.: Een deel van de site van de vroegere Société Française de Vierzon (SFV-landbouwmachines), nabij het station, herbergt het museum van Vierzon, met aandacht voor de industriële erfenis: spoorwegen (makettes en onderdelen), tractoren, glas, keramische producten, confectie…

wat de kerken zijn voor Napels, is de metro voor Montréal ❧

 

Pas enkele maanden geleden, op 12 november 2021, publiceerde ik op deze website een lovend artikel over de architectuur van de metro van Montréal.  Een nieuw bezoek aan die stad, in april 2022, bracht nieuwe foto’s en nieuwe inzichten. U krijgt hier vier — toch nog altijd onvolledige — fotoreportages van de vier metrolijnen van Montréal. Daar staan zowel “oude”, reeds gepubliceerde als “nieuwe” foto’s in. De bijhorende tekst heb ik (nog) niet herschreven en aangevuld. Dat komt nog. Er valt immers veel te zeggen over de bijzondere architecturale kwaliteiten van de stations. Wel geef ik alvast een inkijk in de slimme functionele structuur van drie van de vier overstapstations.

  De groene lijn Angrignon — Honoré Beaugrand telt 27 stations, waarvan er 22 in deze foto-reportage staan.

  De oranje lijn Côte Vertu — Montmorency telt 31 stations, waarvan er 26 in deze foto-reportage staan. De overstapstations Lionel Groulx en Berri-UQAM, reeds vermeld voor de groene lijn, komen uiteraard ook hier aan bod.

  De blauwe lijn Snowdon — Saint-Michel telt 12 stations, die allemaal in deze foto-reportage staan. Ook hier worden de reeds eerder getoonde overstapstations — in dit geval Snowdon en Jean Talon, uit de oranje lijn — opnieuw vermeld.

  Voor de volledigheid — maar wat is volledigheid? — is dit de gele lijn Berri-UQAM — Longueuil-Université de Sherbrooke. Het is een korte lijn met een lange naam, slechts 3 stations, waarvan het eerste, Berri-UQAM, ook al bij de groene en de oranje lijn aan bod kwam, en het laatste, Longueuil…, in de foto-reportage nog ontbreekt. Er staat dus slechts twee “nieuwe” foto’s, van het ene station Jean Drapeau, foto’s die ik overigens al in 2013 genomen heb.

  Drie van de vier overstapstations — Lionel Groulx, Snowdon en Berri-UQAM — zijn meesterwerken wat betreft de organisatie van de verkeersstromen van (overstappende) reizigers. Lees en zie hier waarom.

En dit is, ter herinnering, een link naar de tekst die ik november 2021 schreef.

sterren ★★★★

Heel subjectief en, geef ik toe, nog onvolledig, ken ik de metrostations volgende kwaliteitssterren toe.

★★★★ vier sterren: Verdun en Radisson (groene lijn), en Bonaventure (oranje lijn),

★★★ drie sterren: De l’Église, Peel, Langelier (groene lijn), Plamondon, Place Saint-Henri, Georges Vanier, Lucien L’Allier, Jarry (oranje lijn), en Outremont (blauwe lijn),

★★★ ook drie sterren, omwille van de slimme organisatie van de verkeersstromen: de overstapstations Lionel Groulx, Snowdon en Berri-UQAM,

★★ twee sterren: Angrignon, Monk, Jolicœur, Charlevoix, Place des Arts, Beaudry, Préfontaine, Joliette, Pie IX, Viau, Assomption, Cadillac (groene lijn), Du Collège, De la Savane, Côte Saint-Catherine, Villa Maria, Vendôme, Rosemont, Beaubien, Jean Talon, Crémazie, De la Concorde (oranje lijn), Côte des Neiges, Université de Montréal, Édouard Montpetit, Acadie, Parc, De Castelnau, Jean Talon, Fabre, D’Iberville en Saint-Michel (blauwe lijn),

★ één ster: Saint-Laurent, Frontenac (groene lijn), Côte-Vertu, Namur, Sherbrooke, Mont Royal, Henri Bourassa, Cartier, Montmorency (oranje lijn), en Jean Drapeau (gele lijn),

geen ster: Guy Concordia, McGill en Papineau (groene lijn).

nog niet bezocht — nu ja, in sommige ben ik al gewéést, en heb ik misschien zelfs foto’s van, maar niet genoeg om een oordeel te staven : LaSalle, Atwater, Honoré Beaugrand (groene lijn), Square Victoria OACI, Place d’Armes, Champ de Mars, Laurier, Sauvé (oranje lijn), en Longueuil Université de Sherbrooke (gele lijn).
[Het lijkt erop dat LaSalle, waarvan ik onlangs foto’s zag, en dat ik “dringend” eens moet bezoeken, een stevige kandidaat is voor een sterrenregen.]

Daar horen nog enkele opmerkingen bij:

  • Let op het hoge niveau, en het hoge aantal twee-sterren stations. Slechts weinig stations halen dat (hoge) niveau niet. Op de blauwe lijn hebben alle stations twee of zelfs drie sterren.
  • Tussen twee- en drie-sterren stations zijn er flink wat twijfelgevallen: Monk, Charlevoix, De la Concorde…
  • Nader onderzoek (met name van de “édicules” of inkomkiosken aan de straat — die ik niet overal heb bezocht) kan tot toekenning van bijkomende sterren leiden.
  • Mijn aandacht gaat meer naar de ruimtelijke kwaliteiten en de helderheid van de trajecten dan naar de aankleding van de stations of de aanwezige kunstwerken — en ik heb een zwak voor de brutalistische architectuur (Verdun, De l’Église, Outremont…).
  • Dit is en blijft uiteraard subjectief.

Samen met de foto’s, de beschrijvingen en de schema’s geven de talrijke sterren aan hoe boeiend en bezoekwaardig de metro van Montréal is. Wat de kerken zijn voor Napels, is de metro voor Montréal.
Vaut le voyage.

« Oudere berichten

© 2022 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑