Jef Van Staeyen

Tag: Antwerpen (Pagina 1 van 8)

Berchemse niemendalletjes

De Groenenhoek — Gitschotellei, Te Boelaar, of Zurenberg zoals je op oude kaarten leest — heb ik onlangs verlaten, maar ik vertel nog graag twee kleine anekdotes. Dingetjes, niemendalletjes, die me een glimlach getoverd hebben. En niet alleen mij.

Voor de eerste anekdote moet je weten dat er voor trams bijzondere verkeers- en voorrangsregels gelden. Niet alleen hebben ze, als spoorvoertuigen, voorrang op al het andere verkeer, maar de regels bepalen ook waar en wanneer welke tram op welke tram voorrang heeft. De eenvoudigste regel — a priori althans — bepaalt dat een tram die een manoeuver uitvoert (een keerlus of een bocht) voorrang moet geven aan een tram die rechtdoor de straat blijft volgen. [A priori, zeg ik, want op het bochtige parcours van lijn 12 heeft die regel al tot misverstanden en aanrijdingen geleid.]
Nabij de halte en de oude stelplaats, nu museum, Groenenhoek, ligt er een keerlus Groenenhoek. In normale omstandigheden is dat de terminus van lijn 11, maar omdat er werken zijn aan de sporen op de Belgiëlei, komen ook de grotere tramstellen van lijn 6 op die keerlus terecht. De Lijn is zo vriendelijk de reizigers toe te laten de lus ook als op- en afstap-halte te gebruiken. Aan de Groenenhoek ligt de laatste halte dus voorbij de formele terminus Berchem Station.
Elke tram die de keerlus oprijdt, en elke tram die de keerlus verlaat, snijdt zowel de rijweg als het fietspad en voetpad. Daar heeft hij voorrang. Hij heeft geen voorrang ten overstaan van de trams die de keerlus niet gebruiken (lijnen 4 en 9), en die in concreto van de Gitschotellei naar Berchem station rijden.

De voorgaande uitleg is langer dan de anekdote, die maar enkele seconden heeft geduurd.
Die dag, een van mijn laatste Berchemse dagen, nam ik tram 6 naar Merksem. Hij had al twee minuten vertraging toen hij de keerlus bereikte, en zodra ik als enige passagier was opgestapt reed hij onmiddellijk weg. Naar het voetpad, het fietspad, de rijweg — waar hij voorrang had. Een jonge vrouw kwam moeizaam aangefietst. Ze keek vertwijfeld naar de tram, die haar de weg ging versperren. Heel even later kwam er, “achter haar”, maar onzichtbaar voor haar, ook een tram, een 4 of een 9, die voorrang had. “Mijn” 6 stopte dus, nog vóór het fietspad, wat de jonge vrouw als een attentie van de wattman begreep — zo’n grote tram die stopt voor mij. Een brede glimlach van blijdschap en dankbaarheid toverde zich op haar gezicht. Het was, ze was heel mooi om zien.
Nadien kwamen nog enkele andere reizigers naar de stilgehouden tram gerend. Ook zij mochten mee. Het vertrek heeft wat langer geduurd, maar iedereen was content.

 

Het tweede niemendalletje is korter.
Op de Gitschotellei werden werken uitgevoerd, een kabel in het trottoir. Een dozijn mannen met gele hesjes. Die dag waren de terrasjes net weer open gegaan, én was het zalig weer. Ik zat op de tram, die van het Eksterlaar kwam, het was omstreeks noen. Prachtig waren ze: al die vrolijke gele hesjes op een terrasje dat pas weer open was.

deelmobiliteit vs. leefkwaliteit

In al zijn eenvoud is dit een van de vriendelijkste plekjes openbaar domein in Antwerpen, op de hoek van de Marsstraat, de Bacchuslaan en de Gitschotellei, op de grens van Berchem en Borgerhout. Het voetpad werd verbreed, enkele tulpenbomen en hagen geplant. Je kan er zitten, er staat een lokaal informatiepaneel (waar niemand op let…), de elektrische kast heeft een kleurtje  en leuke tekeningen gekregen (een marsmannetje?), en in een tegel wat verder lees je discreet de oude grens — BE en BO zijn niet beneden en boven, maar Berchem en Borgerhout. Soms zie je er kinderen spelen, mensen praten, of gewoon wat wachten op vrienden of tot de apotheek open gaat. Meer moet dat niet zijn.

Sinds kort is dat mooie hoekje een parking — of showroom? — voor deelscooters: vier, vijf, soms zes van die dingen staan er tentoongesteld.
Laat dat een goed teken zijn: hoe minder ze rijden, hoe beter het is.

het Rubenshuis binnenstebuiten gedraaid

Het Rubenshuis krijgt een nieuw onthaalgebouw, op het Hopland, met ook nieuwe ruimten voor het Rubenianum. [Of het saaie gebouw in Kolveniersstraat daarmee verdwijnt, is niet duidelijk.]
Robbrecht en Daem ontwierpen het nieuwe gebouw, nadat ze eerst ook het masterplan voor de site hebben opgesteld, een gebouw van waaruit de kennismaking met Rubens en het Rubenshuis voor de bezoekers zal worden georganiseerd. Het huidige onthaalgebouw op de Wapper, rechtover het Rubenshuis, in 1999 opgericht naar ontwerp van Stéphane Beel, wordt (allicht) naar het openluchtmuseum Middelheim verhuisd, dat daarmee een beetje een nieuw Bokrijk wordt.

In 1610 kocht de toen 33-jarige Peter Paul Rubens een huis met aangrenzend terrein in een smalle Antwerpse straat — die later naar hem zou worden genoemd. Rubens was een succesrijk man uit een welstellende familie, en het zestiende-eeuwse koopmanshuis was wat groter dan de gemiddelde Antwerpse woning, maar verschilde weinig van de andere rijke huizen in de stad, zoals er toen wel honderd of meer moeten hebben gestaan. Het was een huis in traditionele Vlaamse bak- en zandsteenstijl, met kruisramen en trapgevels. En vooral: met krappe lokalen achter de gevel. Twee jaar eerder was Rubens uit Italië teruggekeerd, waar hij in Genua de rijke en ruime, laat zestiende-eeuwse renaissance en barok paleizen had bestudeerd — waarover hij in 1622 een boek zou publiceren: Palazzi di Genova. Zowel in zijn eigen woning als in de Carolus Borromeuskerk (1615) — en in zijn schetsen en publicaties — toonde Rubens zich een pleitbezorger en wegbereider van de barok architectuur en decoratie in Noord-Europa. Naast het oude renaissance huis bouwde hij een barok atelier, en vervolledigde dit alles met een triomfboog, en een tuin met een paviljoentje erin. Dit alles was uiteindelijk groter en rijker dan wat je elders in Antwerpen zag, maar toch maar kleintjes in vergelijking met wat hij in Italië bewonderd had. Geen Antwerpse burger of familie heeft ooit de macht en de rijkdom gehad, die in Genua, Venetië of Firenze tot vandaag in de paleizen zichtbaar zijn.

Na Rubens’ overlijden in 1640 kende het huis een bewogen geschiedenis, waarbij het ook werd verbouwd. Vanaf 1880 ondernam de stad Antwerpen herhaalde pogingen het aan te kopen, wat pas in 1937, na een lange onteigeningsprocedure, is gelukt. Het gebouw en de tuin werden grondig — te grondig ? — gerestaureerd, en in 1947 als museum voor het publiek open gesteld.

De smalle Rubensstraat werd in 1972 verbreed, door de afbraak van het in de zestiende eeuw ontstane bouwblok tussen de parallelle Wappers- en Rubensstraten (ook Wappers was een schilder), dat in feite boven de Herentalse vaart (1490) was gebouwd — minder een vaart dan een waterleiding. Initieel had die afbraak tot doel een nieuwe, brede straat aan te leggen, van de Frankrijklei naar de Meir, maar de aldus ontstane ruimte werd al snel een plein en tot Wapper herdoopt, een herinnering aan de hefboom (of wip, of wapper) die op de hoek met de Meir moet hebben gestaan om het water uit de vaart te hijsen.
Omdat het Rubenshuis niet helemaal — of helemaal niet — op het onthaal van groepen bezoekers was voorzien, kwam er in 1999, ter gelegenheid van het Van Dyckjaar (alle redenen zijn goed…), Stéphane Beels glazen paviljoen op de Wapper.

de Vlaamse achterdeur

Sinds 1947 ontdek je dus het Rubenshuis zoals Rubens dat heeft gedacht, en zoals hijzelf en zijn bezoekers dat hebben beleefd. Je komt binnen via een discrete poort in een al bij al banale gevel, en ontdekt de veeleer krappe en duistere ruimten van het renaissance-huis. Samen met Rubens ga je dan naar de indrukwekkende italianiserende ruimten van de barok, en betreedt, wanneer je terug op adem bent gekomen, via een enorme triomfboog een verrassend grote tuin. Je ervaart de geschiedenis zoals ze verlopen is, en zoals de meester dat heeft gewild.
Met Robbrecht en Daems onthaalgebouw op het Hopland wordt deze ervaring omgegooid. Je begint met de finale — de tuin en het tuinpaviljoen— en gaat via de achterzijde van de triomfboog naar het huis, waarvan je eerst de barokke en pas later de renaissance delen ontdekt. Het oude huis wordt zowaar een annexe van het hedendaagse, trotse toegangsgebouw.
Nu kan je stellen dat dat echt Vlaams is: je komt binnen langs de achterdeur — die in dit geval wat buitenmaats is —, wat veelal enkel vrienden en kennissen, en een deel van de familie wordt gegund. Dat is niet de goede manier om het huis en zijn omgeving te ervaren, en het mag verrassen dat de architecten dat niet hebben gezien. Overigens wordt het recente paviljoen op de Wapper afgebroken en verhuisd, omdat het voor niks meer dient — er zit al horeca in het Koninklijk Paleis, en in zovele andere gebouwen — én om de gevels van het Rubenshuis beter te zien, die vier eeuwen lang (waaronder Rubens’ tijd) in een smalle straat hebben gestaan.

(foto: uitzicht op de triomfboog en op de tuin, vanuit de door Rubens ontworpen italianiserende uitbreiding, tijdens restauratiewerken; juni 2021)

* * *

In 1996 bezocht ik de wereldberoemde abdij van Melk, aan de Donau. Na een mooie vakantie reden we van Bratislava naar Rijsel. Omzeggens dertig jaar lang had ik van zo’n bezoek gedroomd, en een eerdere poging (bij een terugreis uit Wenen) was niet gelukt. Toen, in 1996, werden we ergens door een kleine deur binnen gelaten, kregen een geleid bezoek aan gangen en zalen, zonder enig besef van het grote en prachtige gebouw, en mochten uiteindelijk langs een grote deur weer naar buiten. Vaak heb ik dat contra-architecturale bezoek vervloekt. Krijgen we in Antwerpen dra ook zo’n circuit?

* * *

aanvulling (juni 2021)
Het zou goed zijn de toekomstige nieuwbouw op het Hopland te gebruiken om een aantal momenteel in het Rubenshuis tentoongestelde kunstwerken over te brengen. Niet omdat ze te talrijk zijn, maar omdat de toeristische rondleiding langs deze werken, met bordjes, koorden en pijlen, het bezoeken en waarderen van de architectuur ernstig schaadt. Toen ik het museum begin juni nog eens bezocht, was ik de enige bezoeker, toch moest ik de verplichte looprichting volgen. Wanneer er dra weer meer bezoekers zijn, met gidsen en audiofoons, wordt elke beleving van de architectuur in de kiem gesmoord.

Dezelfde tekst in een pdf-je: het Rubenshuis binnenstebuiten gedraaid.

het is verboden Merksem te betreden

 

Wie van Antwerpen naar Merksem wil gaan heeft niet veel keus. Er is de duistere Groenendaallaan, onder de auto- en spoorwegbruggen, nadat je via de Noorderlaan over het Albertkanaal bent gegaan. Er is de IJzerlaan, maar sinds de oude IJzerbrug is afgebroken ligt er een fietsbrug zonder trappen. En er is de Theunisbrug, van Schijnpoort en Sportpaleis. Die brug wordt herbouwd, hoger en langer voor de containervaart, met een trambaan, twee rijwegen, en aan elke zijde voet- en fietspaden. Aan de oostkant is het (reeds gerealiseerde) voet-en-fietspad 3,75 meter breed, en aan de westkant komen er afzonderlijke voet- en fietspaden van elk 3,00 meter.

Blijkbaar is het niet de bedoeling dat je die voetpaden ook kan bereiken: aan Antwerpse kant (in feite in Deurne) loopt de toegang naar het viaduct (foto 1) over een ongemakkelijke helling, en aan Merksemse kant zit er in het voetpad van de Minister Delbekelaan (foto 2), dat aansluit op het viaduct, een versmalling tot een 70-tal cm — al is de straat, van gevel tot gevel, er 70 meter breed.
De nieuwe brug is nog niet voltooid, maar zowel de onmogelijke helling als het extreem smalle voetpad is brandnieuw.

Vermits er tussen Antwerpen en Merksem géén correcte voetverbindingen meer zijn, zou het correct zijn voortaan gratis openbaar vervoer aan te bieden — zoals ook voetveren over de Schelde gratis zijn.

 

 

aanvulling (2 april 2021)

In antwoord op een brief met gelijkaardige inhoud antwoordde de stad Antwerpen op 1 april het volgende.

(…)
Bedankt voor uw melding over de verkeerssituatie. Het klopt dat dat de oversteek gelegen aan de Tweemontstraat niet optimaal is in functie van verkeersveiligheid.
Naar de toekomst toe zal dit probleem opgelost worden wanneer de Tweemontstraat een volledige heraanleg zal krijgen. Het stuk weg ligt buiten de contouren van de huidige werfzone Theunisbrug waardoor een concrete oplossing momenteel nog niet is uitgewerkt. Echter hebben we wel de vraag gesteld om ook op korte termijn hier naar een oplossing te zoeken in afwachting van de definitieve heraanleg in de Tweemontstraat.
We hopen hier snel vooruitgang te kunnen maken.
Uw bemerking omtrent de beperkte voetpadbreedte ter hoogte van het kruispunt Gasthuishoevestraat is inderdaad terecht. Elke ontwerpopdracht is een puzzel om alle noden in het openbaar domein verwerkt te krijgen. Specifiek in deze situatie ontstaat de versmalling doordat het fietspad uitbuigt naar rechts in functie van het kruispunt met de Gasthuishoevestraat. Dit wordt gedaan om de fietser beter in beeld te brengen t.o.v. het afslaand gemotoriseerd verkeer en om mogelijke conflictsituaties te vermijden als de bestuurder de fietser te laat heeft gezien. Het is op dit punt dat het voetpad kort even versmald.
Gezien het hier een beperkte versmalling betreft en het aantal voetgangersbewegingen niet al te hoog is, werden er tijdens het ontwerpproces beslist dat deze versmalling kon toegestaan worden in functie van de veiligheid voor alle verkeersdeelnemers.
Een alternatief is hier helaas niet mogelijk gezien er geen overschot is aan openbaar domein dat hiervoor kan ingenomen worden.
Met vriendelijke groeten

het POTAS-principe

aanvulling (4 april 2021)

Enig nader onderzoek op het web toont dat in de informatiebrochures van 2018 en 2020 het nu vastgestelde probleem niet bestaat: het voetpad behoudt er zijn breedte, ook aan de hoek met de Gasthuishoevestraat. [Publiek toegankelijke technische documenten heb ik niet gevonden.]

Overigens is de aanleg in strijd met de eigen normering door het Vlaamse gewest (besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1997) dat voorziet dat “wegen van voetgangersverkeer die minder dan 1,5 meter breed zijn alleen [mogen worden] aangelegd in straten met een rooilijnbreedte van minder dan 9 meter”.

Het lijkt erop dat men het probleem niet heeft voorzien, en het pas ontdekte wanneer andere werken al ver gevorderd waren. Het was immers niet moeilijk om de sporen en de rijweg enkele meters oostwaarts te verplaatsen, en/of de Gasthuishoevestraat zuidwaarts.

De aanleg is wel een voorbeeld van wat ik elders het POTAS-principe noemde. Beleidslijnen van ministers spreken graag over het STOP-principe, volgens hetwelke bij de aanleg van het openbaar domein de aandacht eerst gaat naar Stappers (voetgangers), dan Trappers (fietsers), vervolgens Openbaar vervoer, en pas dan Particulier vervoer. In realiteit wordt dat omgegooid — dat zagen we ook in de  Plantin en Moretuslei —, waarbij nog vóór de Stappers aan Allerlei ambetante dingen wordt gedacht, die wel op het voetpad worden gezet, maar voor voetgangers geen enkele meerwaarde bieden: verkeerssignalen, parkeermeters, laadkasten, telefoniekasten, tot en met geparkeerde fietsen in alle maten.

« Oudere berichten

© 2021 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑