Jef Van Staeyen

Tag: politiek en samenleving (Pagina 1 van 53)

Jan Emiel Daele was een moordenaar

Wie heden (september 2022) op wikipedia het lemma Jan Emiel Daele opzoekt, vindt dit: Jan Emiel Daele (Gent, 12 april1942 – Gent, 14 februari1978) was een Vlaams romanschrijver, essayist en dichter.
Wat verder, onder Privé, staat:

Daele hunkerde naar erkenning en waardering. Hij meende die te hebben gevonden in de loge ‘Pieter de Zuttere’ van de Grootloge van België, tot hij moest vaststellen dat zijn vrouw [Digne (of Digna) Van Cappellen (1948-1978), met wie hij in 1973 was gehuwd, en die hem in 1975 een zoon had geschonken] een relatie was aangegaan met de achtbare meester van die werkplaats en ze aanstalten maakte om hem te verlaten.
Op 14 februari 1978, Valentijnsdag, trok Daele hieruit zijn conclusies en schoot hij Digna dood. Daarop beroofde hij zichzelf van het leven. Uit nagelaten brieven bleek dat hij de moord en zelfmoord al een hele tijd had gepland.

Wie Jeroen Brouwers’ Vlaamse teksten leest (Vlaamse leeuwen (1994), Gezichten, gestalten (2011)*) komt alras tot de vaststelling dat de Vlaamse letteren omstreeks de jaren ’60 en ’70 werden gepleegd door een gezelschap dat behalve uit enkele dwaze ouderlingen (Jonckheere, Gijsen) vooral uit zuipschuiten bestond, die zich in Antwerpse herbergen of bij elkaar thuis te pletter dronken, op feestjes met trofeevrouwen pronkten — en ze bij wijlen aan elkaar verloren — waarna ze huiswaarts kerend de Vlaamse wegen onveilig maakten. Brouwers heeft ook over zelfmoord van literatoren geschreven (De laatste deur (1983, 2017), De zwarte zon (1999)) en Jan Emiel Daele hoort erbij.

In de tekst over Jan Emiel Daele — die hij in februari 1978 schreef, en zowel in Leeuwen als Gezichten is opgenomen — vermengt Brouwers heel handig, en meesterlijk, Daele’s verhaal met het zijne, en met Tolstoj’s Anna Karenina. Op 17 november 1973, de zwartste der dagen, komt Brouwers’ geliefde, die ik zal noemen Nachtschade schrijft hij, en van wien we behalve de schoonheid weinig vernemen, met een vrachttaxi-met-chauffeur haar spullen halen. Nachtschade had geruime tijd met Jeroen in huize Krekelbos in Rijmenam gewoond, en keerde terug naar haar echtgenoot.

Het afscheid in de slaapkamer, — ik op de rand van het bed gezeten, zij drentelend voor de geopende kleerkast, waaruit ze haar jas nam, die ze aantrok, waarna ze het hangertje op de bodem van de kast liet vallen. Bezat ik een vuurwapen, ik zou haar nu… ik weet het zeker. Ik zal haar de schuld blijven geven van al mijn angsten en er daarna weer berouw over hebben. Zo luidt een van de slotzinnen van Anna Karenina.

En wat verder:

Zou ik daarna een brief schrijven, daarin verwoordend ‘hoe ik ertoe gekomen ben’, en zou ik daarna de vuurmond van het wapen op mezelf richten teneinde, vervuld van haat, vervuld van angst, vervuld van wroeging , ook aan mezelf het vonnis te voltrekken?

Het zijn prachtige bladzijden die Brouwers schrijft, die de vergelijking met een meesterwerk als Geheime kamers (2000) kunnen doorstaan. Misschien — allicht — heeft hij het aangedikt, versterkt, met sneeuw, tocht, openstaande kasten, elektriciteit die uitvalt en gas die op is, maar wat verder gaat het over realiteit. Over Jan Emiel Daele en zijn vrouw — Botticelli schildert de lentebruid, oprijzend uit de zee (…) Digna valt niet te beschrijven, zo niet te beschrijven mooi was ze. Brouwers verhaalt in enkele pagina’s de verburgerlijking van een generatie jonge schrijvers die voor vrijheid pleitten, ook in de liefde, en die er ondanks hun torenhoge ambities niet in geslaagd zijn Vlaanderens niet te verwrikken onbeweegbaarheid te veranderen. Wanneer Jan Emiel Daele en Digna Van Cappellen op 7 september 1973 in het huwelijk treden vindt de receptie plaats in de linkervleugel van een kasteel, terwijl in de rechtervleugel de bruid een dochter is van Manu Ruys. Sommige gasten lopen tussen de twee feesten heen en weer, ze hebben verplichtingen aan beide kanten, en op de binnenplaats krijgt Brouwers pardoes een hand van premier Tindemans. Zéér lezenswaardig is het, als portret van een generatie en van een milieu, en van haar oprechte of gespeelde dromen, en wat daarmee is geschied. Onderwijl, als geweerschoten in een roesdronken dag, lardeert Brouwers zijn tekst met zelfmoorden: Jimi Hendrix, Anneke de Witte (**), Jan Emmens, Henry de Montherlant, Yasunari Kawabata, Anne Walravens, Jotie T’Hooft…
Anne Walravens’ zelfmoord, die Brouwers hard heeft getroffen, staat bijna gewoon in de rij, bijna in dezelfde zin waarin Tindemans’ handdruk wordt verteld  — Die avond zag ik dat ‘vroeger’ opeens voorbij was en alles definitief zou veranderen — waardoor Brouwers over zijn eigen lijden extreem terughoudend blijft. Een zin in mineur.

De link met Daele op 17 november 1973 wordt wat later gelegd. Een grafsteen, vermeld op een telegram dat Brouwers die dag van Daele krijgt — grafzerk toegekomen wil je mij opbellen —, is een van de vele elementen die genoemde Daele uit een afgebroken kerk en een opgeruimd kerkhof naar zijn huis in Drongen (Kerkstraat) laat aanvoeren — de zerk is wel voor Brouwers bestemd —, waaronder ook een gouden kazuifel dat ook binnenstebuiten kon worden gedragen en dan een rouwkazuifel was. Daele’s huis is omringd door prikkeldraad, hoge hagen en een sloot, maar de dood zit binnen, ze zit in het huis.

Nachtschade is vier maanden na die 17de november met haar meubelstukken, koffers, dozen, volgepropte kussenslopen en katten in Brouwers’ leven teruggekkeerd. Het koppel verliet Vlaanderen, en imiteerde tot heden (1978) de huwelijkse staat aan de rand van de wereld. Maar

Vier dagen geleden [op 14 februari 1978] heeft Daele met het vuurwapen zijn vrouw gedood: — daar zij hem angst inboezemde, van welke angst hij haar de schuld zou blijven geven terwijl het berouw daarover hem het verderdenken en het ademen zou beletten. Toen heeft Daele door de sneeuw lopend — sneeuw uiteraard, zoals op Brouwers’ eigenste 17 november 1973 — de brieven gepost waarin hij had verwoord hoe hij ertoe gekomen is. Toen heeft Daele zich uitgedost in de kleren die hij wenste te dragen en trok zijn witte handschoenen aan, waarbij hij, zo beeld ik me in nu ik mij met hem vereenzelvig, het horloge heeft horen tikken dat niet hoeft te worden opgewonden zolang de polsslagader klopt. Toen heeft Daele niet staan stuntelen omdat hij zich nog niet zou hebben afgevraagd waar tegen zijn lichaam hij de vuurmond zou drukken teneinde vóór te blijven op zijn achtervolgers [De Achtervolgers is Daele’s belangrijkste boek] : Daele drukte de vuurmond van het wapen tegen het weke gedeelte tussen kin en strottenhoofd.

Waarmee Daele zelfdoding heeft gepleegd, en de moord op Digna Van Cappellen als context, als collateral damage, als nevenschade wordt vermeld. Witte handschoenen, sneeuw, en een vrouw als slachtoffer. Wikipedia leert ons ook dat Daele alles goed heeft voorbereid: Enkele dagen voor zijn fatale daden, stuurde Daele een pak archiefstukken, enerzijds naar de directeur van uitgeverij Manteau, Julien Weverbergh, anderzijds naar de directeur van het Letterenhuis, Ludo Simons.

We herinneren ons Daele een beetje als schrijver, en vooral, dankzij Brouwers, als schrijver-zelfmoordenaar, de zoveelste in de rij. Zelfmoord als literaire daad en als getuigenis, mét archieven in het Letterenhuis. Zelfmoord als poging tot onsterfelijkheid. Maar het ingrijpendste dat Daele ooit heeft gedaan is niet zijn schrijven, noch zijn zelfdoding, maar het plegen van een moord op iemand die daar geenszins om had gevraagd. Zij wilde verder leven, zonder hem, en was daar zeker toe in staat. Digna zou het in haar leven wèl hebben gemaakt, schrijft Brouwers. Met alle respect voor wie zelfdoding pleegt — het enige bewijs van menselijke vrijheid, volgens de Zweedse schrijver Stig Dagerman in Onze behoefte aan troost (1955, postuum) — maar iemand meenemen in die doding is zowat het lafste en laaghartigste dat er bestaat.
Op wikipedia staat de moord onder de hoofding Privé, maar er is allicht niets dat meer openbaar is dan dat.

onsterfelijkheid

Ik heb een aantal (niet alle) van Brouwers’ teksten over schrijvers en zelfdoding gelezen — en prijs me gelukkig dat Brouwers ondanks zijn interesse (of is het obsessie?) niet zelf in het verhaal is gestapt.
Voor vele auteurs (niet voor alle, want sommigen zijn uit hun land en hun heimat verdreven, werden vervolgd of waren ongeneeslijk ziek) lijkt zelfdoding meer op een literaire daad — een ultiem, extreem hoofdstuk van hun productie. Ze schrijven verhalen en romans, gedichten en essays, theaterteksten, recensies, commentaren, cursiefjes en brieven, en zetten zelfdoding als kroon op hun werk, waarbij de som, goed bewaard, een œuvre moet zijn dat onsterfelijkheid brengt. Wat blijft er over? is ook de vraag die Brouwers vaak stelt, alsof voor een leven slechts wat overblijft telt.
Daarin zitten vaak twee paradoxen. Nogal wat zelfdoding-schrijvers sluiten zich af van de wereld, zo mogelijk samen met een geliefde — idealiter stapt die nadien vrijwillig mee in de dood. Behalve voor wat andere schrijvers schreven vóór hen sluiten ze hun ogen en oren voor het geraas van de maatschappij. Ze willen niet horen maar praten of roepen, en zijn ontstemd wanneer niet naar hen geluisterd wordt, wanneer ze geen uitgever vinden, of wanneer hun uitgegeven werk nauwelijks lezers vindt. Sommigen plannen hun zelfdoding — behoorlijk jong — maar raken in paniek bij wat ze allemaal nog willen schrijven eer het zover is. Enkel de onsterfelijkheid van wie gestorven is brengt hen rust.

 


Ik ga de wiki-pagina corrigeren. Benieuwd wat dat geeft.

 

(*) In Gezichten, gestalten verzamelt Brouwers enkele oudere teksten, die weliswaar niet uitsluitend, maar wel vooral over Vlaamse schrijvers handelen.
(**) Met Anneke de Witte verwijst Jeroen Brouwers allicht naar Anneke Hoegaerts, de echtgenote van auteur Dirk de Witte, en Brouwers’ secretaresse bij Manteau. Zij doodde zichzelf nadat ze de archieven van haar eveneens zelfgedode echtgenoot had geordend en bij wijlen van commentaar had voorzien.

zijn we Katharina Blum vergeten? ❧

We hebben het ouderlijk huis opgeruimd. De meubels, de huisraad, de boeken.
Uit vaders bibliotheek koos ik enkele romans, van Eric De Kuyper, Hella Haasse, Heinrich Böll.
De verloren eer van Katharina Blum — net herlezen — greep me even hard aan als vijftig jaar geleden. Niets heeft dat verhaal aan kracht ingeboet.

Katharina Blum is een vrouw van 27. Ze heeft twee handicaps, en haar gedrag vertoont twee ongerijmdheden. De handicaps zijn dat ze mooi is en hard werkt. Ze werkt als huishoudhulp — gek woord voor iemand die niet helpt maar doet — en in de horeca: cafés, restaurants, recepties. Vaak wordt ze lastig gevallen. Ook en vooral wanneer ze bij invloedrijke mensen thuis feestjes organiseert. De ongerijmdheden, die al snel verdacht worden gevonden, zijn dat ze soms in haar Volkswagen stapt en uren ver rijdt, liefst in de regen langs wegen met bomen, en ook dat ze, die als een terughoudende vrouw bekend staat en soms “de non” wordt genoemd, op een feestje plots verliefd wordt op een haar onbekende man, de hele avond innig met hem danst, beslist dat ze voortaan met hem wil leven en hem mee naar huis neemt. Hij is een misdadiger die door de politie wordt gevolgd — dat weet ze niet — en ze helpt hem uit haar omsingelde appartement te ontsnappen. Daar komen problemen van, met de politie en vooral met de pers: de Zeitung. Voor de politie is de ontmoeting met de gangster niet toevallig, maar opgezet spel, en is Katharina sinds jaren zijn handlanger. Waarom heeft ze de voorbije jaren al die kilometers naar nergens gereden? Waarom is ze met de tram naar het feestje gegaan? Wie was het herenbezoek waarover haar buren praten, dat ze — ongewenst — kreeg en haar — ongevraagd — een dure ring heeft geschonken? Voor de pers, althans de Zeitung, is er veel meer aan de hand. De twijfels van de politie worden tot zekerheden uitvergroot, Katharina wordt het centrum van een staatsgevaarlijk netwerk, en al wie Katharina kent wordt mee door de modder gesleurd. Nee, niet iedereen: de Zeitung is selectief in wie ze besmeurt. Blijkbaar wordt een en ander uit het politiekantoor gelekt, en met verdraaide getuigenissen aangedikt. Maar, zoals de jonge advocaat-generaal dr. Korten tijdens een verhoor aan Katharina zegt, wanneer die zich over de gang van zaken beklaagt: “wie zich niet in slecht gezelschap begeeft of daarin terechtkomt, geeft de pers geen enkele aanleiding tot een vertekende voorstelling van zaken”. De mensen hebben immers recht “de tegenwoordige geschiedenis” te kennen. Uiteindelijk maakt Katharina een afspraak met de journalist van de Zeitung, en schiet hem dood.

geen Böll in de bib

Dat laatste lezen we niet op het einde van het verhaal, maar in het begin, wat deel uitmaakt van de magistrale structuur en stijl van het boek. In 58 korte (soms zeer korte) hoofdstukken neemt Heinrich Böll de lezer bij de hand, en schrijft in reportagestijl, soms heel ernstig, dan weer ironisch, het verhaal overhoop — wat me enigszins doet denken aan het (veel recentere) Puhdistus (Zuivering) van Sofi Oksanen uit 2008. De lezer laat zich best niet afschrikken door de wat bizarre stijl en mededelingen van de eerste twee hoofstukken, en doet er goed aan de soms op elkaar lijkende Duitse namen goed te onthouden. Dit in acht genomen loopt het verhaal als een trein.

Ik heb het boek tweemaal herlezen, en merk nu pas dat ik ook een in Frankrijk uitgegeven pocket-versie heb: “Lire en Allemand”, een Duitse tekst met Duitse uitleg en (heel soms) Franse vertalingen van moeilijke woorden erbij. Dat moet me lukken. [Een enkele keer helpt een Duits woord met Franse vertaling me verder dan de Nederlandse: Staatsanwalt — procureur — advocaat-generaal.]
Onderwijl verbaas ik me (of niet?) geen Böll in de boekhandel te vinden, en nauwelijks in de bibliotheek. Toch blijven die boeken vijftig jaar na hun verschijnen even actueel en aangrijpend als toen.

 

Post scripta:

  • Zonder de kennis van de Nederlandse vertaling was ik in de Duitse tekst volledig verloren gelopen, maar met die kennis was het een echt leesplezier. Dit is geen kritiek op Jan Bernards vertaling, maar met die Duitse tekst van Böll voel je soms toch nog wat anders.
  • Hoofdstukje 4 begint met een subtiele woordspeling, die in de vertalingen verloren is gegaan. Elke lezer begrijpt dat Heinrich Böll met de Zeitung het Hamburgse dagblad Bildzeitung bedoelt. Kortweg Bild. [“De overeenkomsten zijn niet opzettelijk en evenmin toevallig, maar onvermijdelijk”, schrijft Böll als leeswaarschuwing.]
    Wanneer enkele dagen na de journalist van de Zeitung ook een collega-persfotograaf wordt vermoord — eerst denkt de politie aan Katharina Blum als dader, maar die heeft een alibi: ze zat in de cel — noemt Böll hem treffend Bildjournalist.
  • Ik merk wel enkele ongerijmdheden in het verhaal. Er is een kwestie van uren (hfdst. 14) en een van jaren en kilometers (hfdst. 24), die ik zowel in de Nederlandse vertaling (1974) als in een Engelse (1975) vond, maar in de Franse uitgave-met-Duitse tekst uit 1991 is gecorrigeerd. Een andere ongerijmdheid betreft de woning van hoofdinspecteur van de recherche Walter Moeding, waar Katharina Blum op zondagavond aanbelt om te verklaren dat zij de Zeitung-journalist heeft vermoord, terwijl niets in het verhaal erop wijst dat zij Moedings adres kent.
  • Die verlorene Ehre der Katharina Blum werd in 1975 door Volker Schlöndorff en Margarethe von Trotta verfilmd.

echte Belgen en Vlamingen gezocht

(naar aanleiding van de enquête “De Stemming” in De Standaard, 10 mei 2022)

 

Op 13 januari 2021 wist De Standaard te melden dat een derde van de Belgische bevolking “geen Belgische achtergrond heeft”. Het gaat om ongeveer 3,7 miljoen mensen, hetzij 33% van de bevolking, een aandeel dat in tien jaar flink gestegen is — toen bedroeg het nog 26%.
Concreet betekent de gebruikte maatstaf, dat als minstens één van je ouders eerst met een andere dan de Belgische nationaliteit in het rijksregister is ingeschreven geweest, je volgens het Belgisch statistiekbureau Statbel wel een buitenlandse, én volgens De Standaard “géén Belgische achtergrond” hebt. Je kan dus in België geboren en getogen zijn, van een even Belgische vader of moeder, maar als de andere ouder, zelfs al was het maar voor korte tijd, eerst een andere dan de Belgische nationaliteit heeft gehad, dan heb je, aldus De Standaard, “geen Belgische achtergrond”.

Twee jaar eerder, op 25 februari 2019, werd in De Standaard door academici met enig tromgeroffel aangekondigd dat Antwerpen superdivers is geworden. Eindelijk, want de metropool was dat aan zichzelf verplicht. Steden als Brussel en Rotterdam, en zelfs Genk, zijn dat al veel langer.

Om de haverklap wordt ons ook toegeroepen hoe anders en verschillend — hoe divers — we allemaal zijn, en hoe belangrijk dat is. Niet zozeer verschillend als individuen, dan wel als elementen van gemeenschappen. Tussen het individu en de samenleving worden van elkaar verschillende “gemeenschappen” geschoven.

Moet het dan verwonderen dat de geënquêteerden voor De Stemming, in antwoord op een schimmige vraag — want wat in hemelsnaam is “echt Belg of Vlaming zijn” ? — gewoon napraten wat hen de voorbije jaren door academici en journalisten is voorgezegd? Dat ze op hun beurt de verschillen benadrukken en het “echt Belg of Vlaming zijn” beperkend beschouwen?

Overigens mag diezelfde geënquêteerden wel enige tegenstrijdigheid worden aangewreven, want hoe men zowel “de politieke instellingen en de wetten van ons land [kan] respecteren” als “onze gewoonten en cultuur hebben” is onduidelijk, in een land waar het niet respecteren van wetten en instellingen tot de gewoonten en cultuur behoort.

 

P.S. : Volgens 25% van de geënquêteerden kan men “echt Belg of Vlaming zijn” zonder Belg te zijn (“het staatsburgerschap hebben”). Misschien kunnen we daar ook even bij stilstaan.

« Oudere berichten

© 2022 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑