moskenes.be

Jef Van Staeyen

Tag: politiek en samenleving (pagina 1 van 38)

waarom Google-Brussel voor Frans- en Nederlandstaligen niet hetzelfde is

Soms is een waarheid zó groot dat zelfs een wetenschapper ze niet ziet.

‘Google zegt niet langer alleen hoe we ons moeten verplaatsen, maar ook waar we naartoe moeten gaan’. Op 4 december stond er een boeiend artikel van Annelien Smets in Knack. Smets is onderzoeker imec-SMIT/ VUB, en werkt aan een doctoraat omtrent de invloed van algoritmische personalisatie. Zij betoogt dat Google ons gedrag meer en meer bepaalt, zowel in de virtuele als in de fysieke openbare ruimte. Over deze tekst gaat het hier niet, maar ik raad wel de lezing aan.

Onderaan Annelien Smets’ bijdrage was er een link naar een eerder artikel, op 7 augustus, waarin Knack-journaliste Saskia Naafs een onderzoek van diezelfde Annelien Smets presenteerde: ‘Hoe Google Maps Vlamingen en Franstaligen in Brussel van elkaar weghoudt’.  Daarover gaat het hier wel.

Ik citeer: De VUB heeft meer dan duizend cultuurtips, hotels en restaurantsuggesties in Brussel bekeken op Google Maps. Ben je als Nederlandstalige gebruiker van de populaire navigatiedienst op zoek naar een restaurant in de hoofdstad, zo bleek, dan schotelt hij vrijwel alleen adresjes in het centrum voor. Ben je Franstalig, dan krijg je suggesties verspreid over de stad. ‘Voor de restaurants vonden we 70 procent verschil tussen de Franse en Nederlandse zoekresultaten’, zegt promovenda Annelien Smets, die het onderzoek uitvoerde. ‘Dat is opmerkelijk.’
Een eenduidige verklaring daarvoor heeft Smets niet. Het algoritme van Google is als een geheim recept, buitenstaanders krijgen er geen inzicht in. Het zou bijvoorbeeld met de taal van de restaurantrecensies te maken kunnen hebben, of met betaalde advertenties. Waar het niét mee te maken heeft is de instelling van Smets’ computer: die was nieuw, en de zoekgeschiedenis werd telkens gewist. De resultaten zijn maar ten dele beïnvloed door de locatie vanwaar ze zocht. Annelien Smets deed haar onderzoek immers ook vanuit het rijkere Sint-Pieters-Woluwe en het armere Sint-Jans-Molenbeek, en vond daarbij slechts 20 procent verschil, veel minder dan de talige 70%.

Annelien Smets heeft groot gelijk waar ze stelt dat we ons ervan bewust moeten zijn dat Google ons handelen beïnvloedt. Maar Google staat daarin niet alleen. Werd er al onderzoek uitgevoerd naar de adviezen die bijvoorbeeld de tijdschriften Knack en Le Vif/L’Express hun respectieve lezers geven? Wijzen die naar dezelfde, of andere gelegenheden? [Toegegeven, met Knack en Le Vif/L’Express weet je dat het verschillend is, met Google ben je je daar niet van bewust.]

Voor ik verder ga, moet gezegd dat het woordje ‘Hoe’ uit de titel van Knack (Hoe Google Maps Vlamingen en Franstaligen in Brussel van elkaar weghoudt’) uiteindelijk nergens op slaat, want het belangrijkste dat Annelien Smet zegt, is dat ze niet weet hoe. Een eenduidige verklaring heeft ze niet. Zo’n eenduidige verklaring kan ik echter wel suggereren. Ze is zo groot als een huis, zo groot dat weinigen ze zien. Zelfs in politieke analyses van België wordt ze vaak over het hoofd gezien.

Het lijkt logisch dat Google bij het selecteren van antwoorden (in casu restaurants) rekening houdt met het taalkader waarin de vraag wordt gesteld (voor België zijn dat Nederlands, Frans, Engels en Duits), én met de antwoorden die door eerdere vraagstellers in diezelfde taal als interessant werden beschouwd, dat is aangevinkt. Als er in een lijst van bijvoorbeeld tien restaurants vijf door ‘Nederlandstaligen’ vaak worden aangevinkt, zullen de andere vijf snel uit de Nederlandstalige lijst verdwijnen en door nieuwe vervangen worden. Idem dito voor de Franstaligen en de Franstalige lijst.
Van de Franstalige Belgen woont ongeveer 20% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van de Nederlandstalige Belgen is dat slechts 3 tot 4%. ‘Brussel’ weegt zwaar in Franstalig België — ook politiek —, in Nederlandstalig België is het een pluimgewicht. Pas die cijfers desnoods wat aan, de grootte-orde blijft bestaan. Als Google een in het Frans gestelde vraag krijgt, is de kans groot dat ze van een ‘Brusselaar’ komt, iemand die ergens in Molenbeek, Woluwe, Elsene of Ukkel woont. De kans dat die Brusselaar een restaurant in Brussel zoekt is overigens veel groter dan voor iemand uit La Louvière, Neufchâteau of Verviers. Krijgt Google een in het Nederlands gestelde vraag, dan is de kans veel kleiner dat ze van een ‘Brusselaar’ komt, maar wel van een Gewest-Vlaming die van Brussel enkel de kortste weg van het Noord-Station (of Groot-Bijgaarden) tot zijn werkplek kent, plus eventueel enkele culturele instellingen. De eersten zijn vertrouwd met de restaurants die over het Gewest verspreid of verloren liggen, ze hebben ze in het verleden al aangevinkt, misschien zelfs bezocht. De tweeden kennen vooral of enkel het centrum; in Ukkel of Elsene zijn ze nooit geweest — en het aantal VUB-ers (in Elsene, waar de campus ligt) is allicht niet talrijk en/of kapitaalkrachtig genoeg om de zoekresultaten in hun richting te trekken.

Google-Brussel is anders voor Franstaligen dan voor Nederlandstaligen, omdat Brussel zelf anders is. Voor de een is het vaak een thuis, voor de ander meestal elders.

 

Sinterklaas en de georganiseerde leugen

deze tekst gaat niet over Zwarte Piet
deze tekst gaat niet over het kruis op de mijter van Sinterklaas
deze tekst gaat niet over de commercie die veel van de handelingen van Sinterklaas vergezelt

 

Er is een discussie ontstaan over Sinterklaas, over de georganiseerde leugen waarmee wij, volwassenen en grote kinderen, de kleine kinderen voorliegen dat de Sint bestaat en hen cadeautjes brengt, en over de schade die we hen daarmee zouden berokkenen. Voortrekker van de discussie is de filosoof Maarten Boudry, die naar zijn zeggen zelf lang in de Sint heeft geloofd, en blijkens andere van zijn verklaringen ook nu nog vaak op Hem vertrouwt.

Toch even dit, als bijdrage aan de discussie.

Mijn kinderen vonden (vinden) Sinterklaas het tofste feest van het jaar. We vierden het nochtans zonder ceremoniële of materiële overdrijving.

Ook ik vond Sinterklaas het tofste feest van het jaar. Het is veel plezanter wanneer iedereen cadeautjes krijgt (van een mysterieuze Sint), dan wanneer je de enige bent. Het eenvoudige ceremoniële karakter (met liedjes, wensen, giften e.d.) trok me erg aan. Bovendien is het evenement een waanzinnig goede oefening in… geduld, wanneer je al vanaf september eerst de maanden, dan de weken, de dagen en tenslotte de uren en minuten gaat tellen tot Hij komt, en daarbij eerst onzeker bent over wat je bij voorrang wenst, en daarna over Zijn ultieme antwoord op die wens. “Geduld is een schoon deugd”, en Sinterklaas is de beste gelegenheid om ze te leren.

Maar vooral: uit pedagogisch oogpunt is het doorprikken van een georganiseerde leugen een van de beste levenslessen die een kind kan leren. Daar komt veel wijsheid van. Het is een vroege, grote stap in de volwassenwording.
Kinderen (en volwassenen) worden immers overstelpt met georganiseerde leugens, en het kan heus geen kwaad die allemaal kritisch te bekijken, bij te stellen, en waar nodig te doorprikken. Ik geef enkele voorbeelden (waarvan de meeste trouwens door het onderwijssysteem gedragen worden):

  • de georganiseerde leugen dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet,
  • haar universele evenknie: de georganiseerde leugen dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren,
  • de Franse versie: Liberté, Égalité, Fraternité,
  • de georganiseerde leugen dat de volksvertegenwoordigers het volk vertegenwoordigen,
  • … dat de rechtbanken recht spreken,
  • … dat de Staat (in al zijn vertakkingen, tot en met Europees) zijn burgers tegen technologische en natuurlijke rampen, sluipende vergiftiging, malafide bedrijven en terroristische aanslagen beschermt, zich ontfermt over de slachtoffers die ondanks die bescherming toch zouden bestaan, en hen daarbij moreel, materieel en juridisch daadwerkelijk ondersteunt,
  • … dat de pers vrij is,
  • … dat de geschiedenis zoals ze wordt verteld ons zegt hoe het verleden was,
  • … dat competitie tussen economische actoren op een perfect geëffend veld het optimum van maatschappelijke organisatie is,
  • … dat wie financiële schuld heeft ook morele schuld heeft,
  • … dat men in oude boeken dwingende richtlijnen kan lezen voor het leven, voor het denken en het doen,
  • … dat wie de beste schoolresultaten heeft ook het meest bekwaam is om in het beroepsleven te slagen,
  • etc.

Let wel: het doorprikken van die georganiseerde leugens betekent niet noodzakelijk het weggooien ervan. Sommige kan je inderdaad best zo snel mogelijk vergeten of bestrijden, andere vergen veeleer vervolmaking. Bijvoorbeeld: ernaar streven dat alle mensen effectief vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren — er is werk aan de winkel —, of dat rechtbanken recht spreken.
En, om bij dat laatste voorbeeld te blijven: soms is het best te doen alsof. Doen alsof de rechtbanken recht spreken, al weet je dat dat niet altijd het geval is, omdat in rechtbanken (ondanks of omwille van de wet) veel wat krom is recht wordt gesproken, en wat recht is krom wordt gesproken. Maar als je het rechtssysteem in zijn geheel verwerpt, verlies je meer dan je wint. Met veel van die georganiseerde leugens kan je dus best doen zoals met Sinterklaas: heel lucide doen alsof hij bestaat, en van hem de beste “cadeaus” verwachten. Soms brengt hij die toch. En heb je ze dubbel en dik verdiend.

omtrent de financiering van kunsten — waarom geschiedenis en geschiedenisonderwijs zo belangrijk zijn

Er is discussie, in Vlaanderen, over de financiering van de kunsten. De regering heeft beslist de subsidies te verlagen (en herschikken), en daartegen komt protest. Ze beweert dat iedere sector moet inleveren — waarom dan niet de kunsten? — maar elders lezen we dat de politici niets besparen op wat ze voor zichzelf voorzien. Passons.
Het Vlaams Belang doet er nog een schepje bovenop. Het verheugt zich over de beperking van de subsidies, en zegt dat die inkorting nog wel wat verder mag gaan. Het heeft daar zijn redenen voor.
Ik ga daar niet mee akkoord, maar hun standpunt is legitiem. Elke partij of burger heeft het recht te menen (of te eisen) dat de financiering van de kunsten verminderd of zelfs afgeschaft, of in tegendeel flink verhoogd en misschien zelfs verdubbeld wordt. Of het intelligent, pertinent en consequent is, is een andere vraag.

Edoch, en daar komt de aap uit de mouw (een aap die al jaren in dat hemd heeft gezeten, en er niet zo snel uit verdwijnen zal…), het Vlaams Belang stelt ook dat Van Eyck en Rubens zonder subsidies hebben gewerkt.

De mannen en vrouwen die dat beweren hebben ofwel nooit geschiedenisles gehad, of slechte geschiedenis, met alleen maar feitjes, jaartallen en helden, ofwel gewoon niet opgelet. Ze dromen en dwalen over identiteit, erfgoed en Vlaamse meesters, maar kennen hun geschiedenis niet. En ze hebben evenmin het boek van Bart Van Loo over De Bourgondiërs gelezen — misschien wel gekocht en erover gepraat — en wat hij schrijft over de manieren waarop de hertogen en hun hofhouding aan geld geraakten, en hoe ze daarmee (onder meer) de kunsten financierden. Ook Jan van Eyck.

Immers, tot op zijn minst de achttiende eeuw, of misschien zelfs later, is het gros van de Europese kunstproductie, in de architectuur, de beeldhouw- en de schilderkunst, de muziek en (wellicht in mindere mate) de literatuur met allerlei vormen van belastinggeld gefinancierd. Dat heette niet subsidie, maar het was het wel.

De middeleeuwse mens, en zijn opvolger in de Vroegmoderne Tijd, betaalde veel belastingen, en in tegenstelling tot wij vandaag kreeg hij daar weinig of niets voor terug. Aan de wereldlijke en kerkelijke machthebbers, hun hofhouding en hun ambtenarij betaalde hij belastingen in geld, in het afstaan van een deel van zijn productie, het uitvoeren van karweien, het respecteren van privileges en het verplicht gebruik van sommige voorzieningen waarvoor de jure of de facto een monopolie bestond. In tijden van oorlog logeerden de soldaten in zijn huis, waarvan ze de inboedel verkochten als er niet genoeg te eten of te drinken was. Zelfs de duiven van de heersers pikten op de akkers hun graantje mee, en jagen werd stropen als je geen adellijke of kerkelijke titel had. Wanneer al die legale en door soldaten, rechtbanken en foltertuigen afgedwongen lasten niet volstonden, konden via afpersing, dreigementen en volksverlakkerij extra middelen verzameld worden. Want wie gaat niet liever naar de hemel dan naar de verdoemenis in de hel? Met het zo bijeen gegraaide geld werden door de Kerk, de kloosters, het hof en de heren, talloze kunstenaars — de meesters én hun ateliers — aan het werk gezet.

Weliswaar is daar vanaf de (vijftiende?) zestiende eeuw, met de opkomst van de burgerij en het kapitalisme langzaam verandering in gekomen. Schilderijen werden soms door burgers besteld of gekocht, met geld dat ze niet door hun titels maar door economische en financiële activiteiten hadden verworven (handel, industrie, kredietverlening, speculatie, woeker, uitbuiting, slavernij), en musici startten bedrijven die spektakels organiseerden en entreegeld vroegen. Om het internationaal te zien: Bach was een ambtenaar bij zijn kerk, Händel veeleer een zakenman. Ook Goethe, toch de meest moderne mens, leefde van (rijkelijke) subsidies, door de onderdanen van de heren-heersers betaald. En Rubens — onze Rubens — is wel de allerlaatste waarvan je kan zeggen dat zijn kunst niet door belastinggeld werd gefinancierd.

 

Rubens, de kruisafneming, Palais des Beaux-Arts de Lille, in 1616-1617 geschilderd voor het klooster van de minderbroeders-kapucijnen aldaar. Het Antwerpse equivalent van dit doek (1612-1613), in de kathedraal, werd door de kolveniersgilde (schutters) geschonken, in ruil voor aan negen rijke burgers toegekende vrijstelling van zware financiële burgerlijke verplichtingen (begrijp: vrijstelling van belastingen, een mechanisme dat vandaag nog bestaat). [Ik citeer een catalogus van het Rijselse museum, dat een onderzoek van J.S. Held uit 1980 citeert.]

Het mag dan niet verwonderen dat het volk, de burgerij, de belastingbetalers zeer vaak in opstand zijn gekomen tegen de lasten die ze moesten dragen. Van Loo’s genoemde boek krioelt trouwens van de revoltes. En in Reims (om het ook hier internationaal te zien) kwam men in 1233 in opstand tegen het bouwen van de kathedraal en de hoge belastingen die daarvoor moesten worden betaald. De kanunniken werden uit de stad verjaagd. Het verzet werd echter laffelijk in het bloed gesmoord: de koning en de paus bemiddelden, maar respecteerden hun verzoenings-engagementen niet, waarna de opstandelingen werden vermoord. Het feit dat de protestantse revolte in de Nederlanden in 1566, of in Normandië vier jaar eerder (en elders, en elders) zich op de beelden richtte (de Beeldenstorm) mag evenmin een verrassing zijn. [Het was overigens humaan, want de levenden werden gespaard, wat de katholieke inquisitie niet deed.] De kunst verbeeldde de macht en de machthebbers, en werd door de machtelozen zeer zwaar betaald.

De idee dat de kunstenaars destijds zonder subsidies werkten, en de kunst zonder belastinggeld werd gefinancierd, is een fabeltje. De actuele openbare financiering van kunst heeft alvast het drievoudige kenmerk dat ze al bij al zeer bescheiden is, dat de toekenning veel minder als “fait du prince” geschiedt (de beslissing van een autocraat), en… dat de aldus ondersteunde kunstproductie niet als een verheerlijking van de machthebbers kan worden beschouwd. [Maar wel, zullen sommige critici zeggen, als een verheerlijking van het machtssysteem. Maar dat is een ander verhaal.]
En allicht, voeg ik er vandaag als vierde kenmerk aan toe, is het belastinggeld van democratische landen het properste geld dat ooit de kunsten heeft gefinancierd. Misschien kunnen we dáár trots op zijn.

Wie graag naar zijn geschiedenis verwijst, moet ze wel eerst leren.

De Standaard spuwt in je gezicht

De Standaard belet je de wereld te zien.
Hij vormt een scherm tussen de lezer en de werkelijkheid. Hij verengt de blik. Soms letterlijk, zoals hier in tram 9.

Oudere berichten

© 2019 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑