Jef Van Staeyen

Tag: taal (Pagina 1 van 9)

l’éminence grise & la fine fleur

Noem het pedanterie van me, maar ik kan niet weerstaan aan de verleiding twee in het Nederlands vaak voorkomende Franse uitdrukkingen te verklaren, temeer daar een van beide soms verkeerd wordt gebruikt. Verkeerd, in zoverre men naar het Franse voorbeeld verwijst, want woorden en uitdrukkingen die reizen veranderen wel vaker van betekenis: een Franse maquereau (pooier) is een heel bijzonder soort makelaar. [Hij is ook een vis, of makreel, omwille van de strepen op zijn huid: macula radiata.]

La fine fleur

In het Nederlands lees je de uitdrukking fine fleur misschien vaker dan in het Frans, dat met dezelfde betekenis ook la crème de la crème (die boven drijft), le gratin (de met kaas bereide korst van een ovenschotel) en — uitzonderlijk — le dessus du panier gebruikt.
La fine fleur verwijst naar de toplaag, vooral van mensen. De toplaag in de kunsten, de letteren, de politiek, de zaken, de sport… wanneer die mensen samenkomen of gemeenschappelijke kenmerken hebben: fine fleur van Belgisch voetbal passeerde bij Veljkovic…, Brussel verwelkomt fine fleur van Europese schoenpoetsers…, hoe de fine fleur van het Belgische vrouwenbasket in Chicago belandde…, de fine fleur van de wijnproevers…, van de Franse intellectuelen…, van de economen…  geef ik als voorbeelden uit de pers voor de fine fleur van mijn lezers.

De fine fleur is geen bloem.
Of toch: het is bloem. De fine fleur is de allerfijnste en zuiverste bloem die bij het malen ontstaat: de fleur de farine waarmee het lekkerste gebak wordt bereid, in oud-Frans ook wel flor genoemd. Het Engels heeft die flour behouden, lange tijd als flower geschreven, en bezigt nog zelden het woord meal om over meel of bloem te praten. Ook in het Nederlands is bloem fijner en verfijnder dan meel, dat van hout kan zijn: zagemeel. Al in de dertiende eeuw werd het woord bloem zowel voor fijn meel als voor de bloem van een plant gebruikt.
Wie ergens de term fine fleur leest, moet dus niet aan rozen of orchideeën denken, aan lelietjes van dalen of welk bloemetje dan ook, maar aan de zware zakken die bij de bakker staan, waaruit de lekkerste taartjes worden bereid.

L’éminence grise

Bij het begrip éminence grise wordt in dit land al te vaak aan een invloedrijke, oude man met grijze haren gedacht: iemand die door zijn ouderdom wijs, en door zijn wijsheid zeer invloedrijk geworden is. Dat beeld klopt niet. Invloedrijk is wel nodig, een man hoeft niet — maar is in de huidige maatschappelijk context wel het frequentst — en oud en met grijze haren is onzin. De eerste keer dat ik in Frankrijk een éminence grise werd genoemd, was ik geen veertig. Dat eminence was wat overdreven en ironisch in het gebied, de grensoverschrijdende samenwerking, waar ik een beetje invloedrijk werd geacht, maar ik was lang niet oud en grijs.
De eerste man die ooit éminence grise werd genoemd was le père Joseph, voluit François Leclerc du Tremblay (1577-1638). Hij was raadgever van Armand Jean du Plessis de Richelieu, beter bekend als cardinal de Richelieu (1585-1642), die van 1624 tot zijn overlijden minister van de Franse koning Louis XIII was. Als kardinaal was Richelieu in fel rood gekleed, en de kapucijn père Joseph droeg een grauwe monnikspij. Het grijs van de éminence is het grauw van die pij.
Een éminence grise is een invloedrijk persoon die geen formele titel draagt. Het komt vaker voor bij wat oudere mensen als fin de carrière — omwille van de ervaring en hun carnet d’adresses, hun entregent —, maar het hoeft niet. Als ik een Belgisch voorbeeld mag geven — op een wat puissanter niveau dan mijn veertigjarige zelf — denk ik aan Noël Slangen, die in 1999 als 34-jarige de toen 46-jarige premier Guy Verhofstadt adviseerde, en wiens invloed veel verder reikte dan zijn officiële titel als lid van de Beleidsraad en communicatie-adviseur. Ook Dominic Cummings was — als 48-jarige — een éminence grise van de 55-jarige Boris Johnson. Of de 40-jarige Henry Kissinger voor Nixon, tot hij minister werd. En Jeanne-Antoinette Poisson, madame de Pompadour, die ook toen ze geen maîtresse-en-titre van Louis XV meer was, als 30-jarige vrouw veel invloed behield op diens beleid, met name op het vlak van kunst, literatuur en architectuur.
[Ze moet een heel bedreven vrouw zijn geweest, die Pompadour, die erin slaagde bij iedereen een wit voetje te halen, zelfs bij de koningin, iets dat haar even illustere voorgangster Agnès Sorel — nu opnieuw te bewonderen in het KMSKA — niet is gelukt.]
Deze grauwe eminenties zijn allemaal jonge, of toch veeleer jonge mensen — geen van hen was een grijsaard — met de 48-jarige Cummings als ouderdomsdeken. De paradox is dat sommigen (Cummings, Slangen, Pompadour…) kleurrijke figuren waren of zijn. De echte, door de wol geverfde grauwe eminenties zijn discreet, en blijven ons voor altijd onbekend. Wat geeft dat ze, ten onrechte, slechts zelden in de fine fleur worden opgemerkt.

taal”besmetting”

Het is best mogelijk dat het al bestaande woord maquereau (makreel) heeft meegespeeld om van een makelaar als pooier in boeventaal een maquereau te maken, net zoals het Nederlandse, vooral Vlaamse kruim (voor het beste, voor de fine fleur, zoals in het kruim van de Vlaamse muziek) allicht onder invloed van het Franse crème de la crème is ontstaan. Door klankverwantschap ontstaan nieuwe betekenissen voor bestaande woorden. Soms komt dat heel goed uit, zoals wanneer het kruim met de beste bloem is bereid. Overigens heeft een toplaag niet altijd goede connotaties. Denk aan het schuim, waarmee het uitschot, het geboefte wordt bedoeld. Het kruim is beter dan het schuim.

 

P.S.: Voor mensen die, al is het in overdrachtelijke zin, in grauwe monnikspijen zijn gehuld, is de uitdrukking door de wol geverfd misschien wat ongepast.

 

is jouw elektriciteit wel groen?

In de lage landen schrijft taalchroniqueur Marten van der Meulen over partikels — een zeer boeiend fenomeen in de Nederlandse en Duitse taal: wel, toch, eens, al, ofzo… Maar in feite gaat zijn tekst over veganisme: je bent toch niet vegan ofzo?  Dit is mijn reactie.

Marten van der Meulen schrijft over normverschuivingen, maar de belangrijkste normverschuiving merkt hij niet eens.

Enkele tientallen jaren geleden zou geen enkele gastheer of gastvrouw een van de door Van der Meulen vermelde vragen (“Heb je nog dieetwensen, of is er iets wat je beslist niet eet?”; “Je bent toch niet vegan of zo?”) of zelfs een gelijkaardige vraag hebben gesteld. Iemand met een allergie (allergieën waren toen zeldzamer) zou discreet de gastpersoon die allergie hebben gemeld (bv. “ik heb een allergie voor zuivel”…), en voor alle anderen gold het eenvoudige principe dat de wellevendheid (de beleefdheid, de vriendschap…) eiste dat men eet wat de pot schaft. In uitzonderlijke gevallen zou de gastheer of -vrouw schrijven of bellen: “Ik dacht aan…, je houdt daar toch van?”. (Let op het “houden van”; het gaat over smaak.)

De opvallende, en zeer ingrijpende normverschuiving die heeft plaatsgehad, is de omkering van het hoffelijkheidsprincipe. Niet de gast past zich aan, aan wat gastvrij wordt aangeboden, maar hij of zij verwacht — of zelfs eist — dat de gastheer of -vrouw zich aan zijn of haar desiderata aanpast. Hij of zij gedraagt zich zoals men dat doet in een restaurant, als klant.

Opvallender is nog dat dat niet alleen gebeurt om medische redenen (allergieën), of slechts zelden omwille van smaak — getuige het succes van zogenaamde vleesvervangers, melkvervangers en kaasvervangers — maar om ideologische redenen. [Ideologie in de positieve betekenis van het woord: de waarden en normen die men heeft.] De uitgenodigde persoon schat de eigen ideologische motieven hoger in dan de waarde die hij of zij aan vriendschap en hoffelijkheid hecht.

Is dit het begin van een ruimere maatschappelijke evolutie? Krijgt u straks een bezoeker over de vloer die na het binnenkomen even rondkijkt en zegt: “Ik hoop toch dat jij een energieprestatiecentrificaat a of b hebt voor dit huis. En, is jouw elektriciteit wel groen?” [Let op de partikels.]

met een keukenweegschaal onder de douche

Gisteren koncht ik een klein keukenweegschaaltje, van het merk T.
Elektronisch. Het dingetje zet het tarra-gewicht automatisch op 0, kan voor waterachtige vloeistoffen ook de cl én de dl geven (! maar niet de cc :-), en heeft batterijtjes die ik, naar ik hoop, makkelijk vervangen kan. [Er was ook een ecologisch model met een knop voor een dynamo, maar wel flink duurder. En ik wil nog weten of zo’n dynamo echt duurzamer is.] Bij het analoog weegschaaltje dat ik sinds jaren heb was het al moeilijk om met precisie de 0 in te zetten, laat staan 30 g boter of bloem te meten. Dat moet nu beter gaan.

Lees verder

« Oudere berichten

© 2022 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑