Jef Van Staeyen

Tag: taal (Pagina 1 van 11)

Kees Fens

In de stedelijke bibliotheek Permeke aan het De Coninckplein — De Coninck is niet de dichter maar de romanfiguur uit Hendrik Conscience’s Leeuw van Vlaanderen, en Permeke niet de schilder maar de garagist wiens garage tot openbare bibliotheek werd omgebouwd — staan niet veel boeken. Het is pijnlijk om te zien. Toch vond ik daar, op te lege schabben, een boek “van” Kees Fens: Het volmaakte kleine stukje, Keuze Joost Zwagerman, 2009.
Bij Kees Fens denk ik aan De Standaard der Letteren. Toen de krant op papier twee grote bladen vol tekst aan literatuur besteedde, en ook Fens zijn regelmatig hoekje had. Vraag me niet wat hij er schreef.
Kees Fens schreef prachtige tekstjes, dat wel. Het mooie is dat enkele ervan, nog geschreven onder het pseudoniem A.L. Boom, over zijn vader gaan. Hij vertelt hoe zijn vader een mensgrote (juister: een jongen-grote) vlieger bouwde, zo’n kruis van dunne staken met een wat ruitvormig zeil uit papier, die men naar de uitvinder een Eddy noemt, en de lange lijn tussen vlieger en vader de groeiende afstand tussen vader en zoon verbeeldde.
De stad en haar straten, in Amsterdam, waar Fens is opgegroeid, Londen, Antwerpen of Brussel, is een vaak beschreven onderwerp, waarbij Fens verhaalt hoe de Noord-Europese steden door hun kleuren en vormen winter-steden zijn. De zomer is voor het zuiden en voor de voorsteden, de verbanningsoorden waar de huizen te laag en te ver van elkaar staan. Die lijflijke benadering van de stad, die ligt me wel, zoals wanneer voor Kees Fens een bocht in de Londense Regent Street ook een bocht in het heelal is.

April is de laatste stadsmaand, steden zijn te oud voor de maanden die nu komen. In de winter is er harmonie tussen mensen en huizen, beide hebben hun geschiedenis en die kunnen ze aan elkaar kwijt. Het is een wat grijs en kaal verhaal en de warmte moet komen van de aankleding. Ieder die ‘buiten’ woont, zal de winterse bekoring van de stad kennen en de aarzeling de trein terug te nemen naar die half bebouwde werelden die de voorsteden zijn. Het zijn dan verbanningsoorden; de huizen zijn te laag en staan te ver van elkaar, de halflandelijkheid, die hun verleiding moet uitmaken, is dood.

doorgedraaide gendergevoeligheid in taal ?

Het is u niet ontgaan, beste lezer, dat gender een belangrijk thema is in het maatschappelijk debat vandaag. Geen journalist of commentator schrijft over het statutair verschil tussen arbeiders en bedienden en weinigen over de socio-economische effecten van dienstenchèques, maar elke zich respecterende krant heeft elke dag een artikel waarin gender ter sprake komt.
Waarom niet, overigens? Maar enkele recente mails leidden me tot merkwaardige conclusies.

Ik kreeg een mail (een antwoord op een vraag van me) van een culturele instelling in Antwerpen. De auteur ervan ondertekende haar bericht met de vermelding, achter haar naam: zij/haar – she/her. Waarom eigenlijk? Verwacht zij, hoopt zij dat ik haar anders bejegen omdat ze een vrouw is en geen man? Wil ze dat ik omtrent haar fantasmeer? Nee toch. [In het verleden heb ik dat wel ’s gedaan, dat kan flink tegenvallen.]
De Nederlandse grammatica maakt nauwelijks onderscheid tussen vrouwelijk en mannelijk. Alleen voor persoonlijke voornaamwoorden in de derde persoon doet ze dat: tussen hij en zij, hem, zijn en haar. [Het onderscheid tussen wiens en wier of diens en dier is in onbruik geraakt.] Maar dat is nu net wat je in een mail of een brief niet nodig hebt. Een bericht aan iemand schrijven doe je in de tweede persoon. De mogelijke aanspreking geachte mevrouw – geachte heer is de enige onzekerheid bij het schrijven, maar die klip omzeil je met gemak. Wat in het Nederlands wél belangrijk is, is het onderscheid tussen je (jij, jou, jouw) en u (uw), maar op dat onderscheid wordt door wie het hij-zij belangrijk vindt nauwelijks gelet. Je krijgt ongevraagd een je op je bord, zo mogelijk met uw in dezelfde zin. [Let wel: de je in mijn voorgaande zinnen is geen tutoyeren. Inhoudelijk is het een derde persoon; het is een men. Vergelijk: Wat je / Wat men in een mail verwacht… ]
In culturele en academische middens is die aandacht voor hij/zijn of zij/haar frequent. Enkele jaren geleden kreeg ik van de toenmalige rector van de universiteit Antwerpen een persoonlijke mail — ik had vragen gesteld omtrent de berichtgeving vanuit de universiteit over pfas. Iedereen wist (en weet nog steeds) dat die rector een man is, die overigens de meest mannelijke voornaam draagt, toch stond er hij/zijn/hem naast zijn naam. Sociale druk vanuit de universiteit moet dat zijn geweest: Als jij het niet doet, rector, wie doet het dan wel?

Maar nu komt het. Ik krijg en schrijf ook mails uit en naar Frankrijk. Ook daar — misschien nog meer dan hier, denk aan de inclusieve spelling — leeft de kwestie van het gender. Iemand uit een administratie ondertekende een bericht als volgt: Directeur.rice adjoint.e . In de Franse taal is gender, anders dan in het Nederlands, wel heel belangrijk. Ook als je iemand aanspreekt kom je woorden tegen die naargelang het gender anders zijn, anders geschreven worden of zelfs anders klinken. Dat geldt voor nagenoeg alle bijvoeglijke naamwoorden of voltooide deelwoorden: je vous ai rencontrée, êtes-vous intéressée, serez-vous présente... En in nota bene die taal, waarin gender grammaticaal belangrijk is, doet de auteur van het bericht het omgekeerde van wat de Nederlandstalige doet: met een taalkundige kunstgreep (de zogezegd inclusieve spelling) verbergt hij/zij  zijn/haar gender. Wie met zo iemand correspondeert kan maar best hopen dat die persoon niet Dominique, Camille, Alex of Sacha heet. Dan wel adjectieven en verleden deelwoorden zorgvuldig vermijden waar het om de aangeschrevene gaat.

Franstalige gender-gevoeligheid leidt dus tot het exact tegenovergestelde van Nederlandstalige gender-gevoeligheid. Gender wordt verborgen gehouden dan wel geafficheerd. Maar zowel in Frankrijk als in Vlaanderen en Nederland bestaat daarnaast de vraag (de eis?) het gender op identiteitsdocumenten en officiële correspondentie niet meer te vermelden, en het ook niet op te nemen in de burgerlijke stand (wat internationaal wat moeilijk ligt). Is het een eis, of veeleer de behoefte een eis te hebben?

Daarom mijn hypothese: voor een maatschappelijke beweging is het vaak belangrijker iets te hebben waarvoor gestreden kan worden, een strijdpunt dat goed zichtbaar is, dan de aard en de inhoud ervan. De zij/haar – she/her van die eerste mail zegt meer over het belang dat die vrouw of die instelling aan gender hecht, dan over het gender van die vrouw zelf. De zij/haar – she/her is een vlag, een symbool. Net zoals Vlaamsgezinden zestig jaar geleden betoogden tegen de Franse namen van Antwerpse winkels en restaurants of tegen Franse missen in de kerk van de Heilige Geest — die Franse namen zijn eerst verdwenen en dan teruggekomen met nog meer Engelse erbij, en naar de mis gaat nog niemand — net zo wordt vandaag met hij/hem en zij/haar gevaandeld en gevlagd, of worden, om wat anders te noemen, koloniale monumenten bekladderd, verwijderd of in vraag gesteld. Symbolen. En net zo gaat een conflict soms meer om een vlag aan een stadhuis dan om economische banden. Blijkbaar is een zicht- en haalbaar objectief wat een maatschappelijke beweging nodig heeft.

De aandachtige lezer — dat bent u uiteraard — heeft zich er intussen over verbaasd dat ik me in bovenstaande tekst beperk tot hij, zij, hem, zijn en haar, en geen aandacht heb voor hun, hen, die of diens (die’s).
Er zijn talloze redenen te bedenken om onze taal te verrijken met nieuwe voornaamwoorden voor wie zich niet thuis voelt in de hijzij dichotomie of — waarom niet? — meteen voor iedereen. Genderneutraal. Maar daarvoor enkele bestaande voornaamwoorden kapen die al een betekenis hebben en daarmee zeer nuttig zijn, zoals hun en die-sprekers doen, is niet meer dan een zwaktebod. Enkele echt nieuwe woorden creëren, uit het niets, enkel uit klank, kan voor mensen uit de culturele en de academische sector niet moeilijk zijn.

Montebello en de eponiemen

Hier in de buurt is een ijssalon, dat Montebello heet.
Een zonnige, Italiaanse naam voor een ijssalon — de mooie berg.
Montebello is een dorp in Lombardije, tussen Genua en Milaan, Piacenza en Turijn. Maar de link van het ijssalon met het dorp is niet zo eenvoudig.

Montebello is de naam van de straat waarin het ijssalon gelegen is.
Die straatnaam verwijst naar het verdwenen fort Montebello, dat in 1806-1810 door het Franse leger werd gebouwd waar nu het Justitiepaleis staat.
Ze noemden het fort naar de (eerste) slag van Montebello, waar ze in 1800 de Oostenrijkers verslagen hebben.
Ook in 1859 werd er in Montebello slag geleverd, de tweede slag van Montebello: weer werden de Oostenrijkers verslagen, dimaal door een coalitie van een Piémontees-Sardijns (laat ons zeggen: Italiaans) en een Frans leger, als deel van de tweede Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog.
Door zijn naam verwijst het ijssalon naar de straat, die naar een verdwenen fort verwijst, dat naar een veldslag verwijst, die haar naam aan een dorpje te danken heeft. Het ijssalon, de straat, het fort, de veldslagen en het dorp zijn eponiemen. Ze dragen dezelfde naam. Ze zijn naar elkaar vernoemd.

de taal van Issendorf

Elders op deze website schreef ik mijn bewondering voor Hermans’ Nooit meer slapen.

Aansluitend waag ik me aan een korte, zeer onvolledige analyse van de taal van dat boek.
Dat is: de taal van Issendorf.
Ik sta stil bij (1) het geslacht van de naamwoorden, (2) de werkwoordvolgorde in werkwoordgroepen, en (3) enkele kleine bijzonderheden.
Voorbeelden:

  • Een stad van hout. Geen echte stad. Het lijkt of hij nagemaakt is.
  • Als de zon nu maar schijnen blijft…
  • Ik zal haar laten kijken waartoe ik het breng met al mijn knapheid.
« Oudere berichten

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑