Jef Van Staeyen

Tag: taal (Pagina 1 van 10)

doorgedraaide gendergevoeligheid in taal ?

Het is u niet ontgaan, beste lezer, dat gender een belangrijk thema is in het maatschappelijk debat vandaag. Geen journalist of commentator schrijft over het statutair verschil tussen arbeiders en bedienden en weinigen over de socio-economische effecten van dienstenchèques, maar elke zich respecterende krant heeft elke dag een artikel waarin gender ter sprake komt.
Waarom niet, overigens? Maar enkele recente mails leidden me tot merkwaardige conclusies.

Ik kreeg een mail (een antwoord op een vraag van me) van een culturele instelling in Antwerpen. De auteur ervan ondertekende haar bericht met de vermelding, achter haar naam: zij/haar – she/her. Waarom eigenlijk? Verwacht zij, hoopt zij dat ik haar anders bejegen omdat ze een vrouw is en geen man? Wil ze dat ik omtrent haar fantasmeer? Nee toch. [In het verleden heb ik dat wel ’s gedaan, dat kan flink tegenvallen.]
De Nederlandse grammatica maakt nauwelijks onderscheid tussen vrouwelijk en mannelijk. Alleen voor persoonlijke voornaamwoorden in de derde persoon doet ze dat: tussen hij en zij, hem, zijn en haar. [Het onderscheid tussen wiens en wier of diens en dier is in onbruik geraakt.] Maar dat is nu net wat je in een mail of een brief niet nodig hebt. Een bericht aan iemand schrijven doe je in de tweede persoon. De mogelijke aanspreking geachte mevrouw – geachte heer is de enige onzekerheid bij het schrijven, maar die klip omzeil je met gemak. Wat in het Nederlands wél belangrijk is, is het onderscheid tussen je (jij, jou, jouw) en u (uw), maar op dat onderscheid wordt door wie het hij-zij belangrijk vindt nauwelijks gelet. Je krijgt ongevraagd een je op je bord, zo mogelijk met uw in dezelfde zin. [Let wel: de je in mijn voorgaande zinnen is geen tutoyeren. Inhoudelijk is het een derde persoon; het is een men. Vergelijk: Wat je / Wat men in een mail verwacht… ]
In culturele en academische middens is die aandacht voor hij/zijn of zij/haar frequent. Enkele jaren geleden kreeg ik van de toenmalige rector van de universiteit Antwerpen een persoonlijke mail — ik had vragen gesteld omtrent de berichtgeving vanuit de universiteit over pfas. Iedereen wist (en weet nog steeds) dat die rector een man is, die overigens de meest mannelijke voornaam draagt, toch stond er hij/zijn/hem naast zijn naam. Sociale druk vanuit de universiteit moet dat zijn geweest: Als jij het niet doet, rector, wie doet het dan wel?

Maar nu komt het. Ik krijg en schrijf ook mails uit en naar Frankrijk. Ook daar — misschien nog meer dan hier, denk aan de inclusieve spelling — leeft de kwestie van het gender. Iemand uit een administratie ondertekende een bericht als volgt: Directeur.rice adjoint.e . In de Franse taal is gender, anders dan in het Nederlands, wel heel belangrijk. Ook als je iemand aanspreekt kom je woorden tegen die naargelang het gender anders zijn, anders geschreven worden of zelfs anders klinken. Dat geldt voor nagenoeg alle bijvoeglijke naamwoorden of voltooide deelwoorden: je vous ai rencontrée, êtes-vous intéressée, serez-vous présente... En in nota bene die taal, waarin gender grammaticaal belangrijk is, doet de auteur van het bericht het omgekeerde van wat de Nederlandstalige doet: met een taalkundige kunstgreep (de zogezegd inclusieve spelling) verbergt hij/zij  zijn/haar gender. Wie met zo iemand correspondeert kan maar best hopen dat die persoon niet Dominique, Camille, Alex of Sacha heet. Dan wel adjectieven en verleden deelwoorden zorgvuldig vermijden waar het om de aangeschrevene gaat.

Franstalige gender-gevoeligheid leidt dus tot het exact tegenovergestelde van Nederlandstalige gender-gevoeligheid. Gender wordt verborgen gehouden dan wel geafficheerd. Maar zowel in Frankrijk als in Vlaanderen en Nederland bestaat daarnaast de vraag (de eis?) het gender op identiteitsdocumenten en officiële correspondentie niet meer te vermelden, en het ook niet op te nemen in de burgerlijke stand (wat internationaal wat moeilijk ligt). Is het een eis, of veeleer de behoefte een eis te hebben?

Daarom mijn hypothese: voor een maatschappelijke beweging is het vaak belangrijker iets te hebben waarvoor gestreden kan worden, een strijdpunt dat goed zichtbaar is, dan de aard en de inhoud ervan. De zij/haar – she/her van die eerste mail zegt meer over het belang dat die vrouw of die instelling aan gender hecht, dan over het gender van die vrouw zelf. De zij/haar – she/her is een vlag, een symbool. Net zoals Vlaamsgezinden zestig jaar geleden betoogden tegen de Franse namen van Antwerpse winkels en restaurants of tegen Franse missen in de kerk van de Heilige Geest — die Franse namen zijn eerst verdwenen en dan teruggekomen met nog meer Engelse erbij, en naar de mis gaat nog niemand — net zo wordt vandaag met hij/hem en zij/haar gevaandeld en gevlagd, of worden, om wat anders te noemen, koloniale monumenten bekladderd, verwijderd of in vraag gesteld. Symbolen. En net zo gaat een conflict soms meer om een vlag aan een stadhuis dan om economische banden. Blijkbaar is een zicht- en haalbaar objectief wat een maatschappelijke beweging nodig heeft.

De aandachtige lezer — dat bent u uiteraard — heeft zich er intussen over verbaasd dat ik me in bovenstaande tekst beperk tot hij, zij, hem, zijn en haar, en geen aandacht heb voor hun, hen, die of diens (die’s).
Er zijn talloze redenen te bedenken om onze taal te verrijken met nieuwe voornaamwoorden voor wie zich niet thuis voelt in de hijzij dichotomie of — waarom niet? — meteen voor iedereen. Genderneutraal. Maar daarvoor enkele bestaande voornaamwoorden kapen die al een betekenis hebben en daarmee zeer nuttig zijn, zoals hun en die-sprekers doen, is niet meer dan een zwaktebod. Enkele echt nieuwe woorden creëren, uit het niets, enkel uit klank, kan voor mensen uit de culturele en de academische sector niet moeilijk zijn.

Montebello en de eponiemen

Hier in de buurt is een ijssalon, dat Montebello heet.
Een zonnige, Italiaanse naam voor een ijssalon — de mooie berg.
Montebello is een dorp in Lombardije, tussen Genua en Milaan, Piacenza en Turijn. Maar de link van het ijssalon met het dorp is niet zo eenvoudig.

Montebello is de naam van de straat waarin het ijssalon gelegen is.
Die straatnaam verwijst naar het verdwenen fort Montebello, dat in 1806-1810 door het Franse leger werd gebouwd waar nu het Justitiepaleis staat.
Ze noemden het fort naar de (eerste) slag van Montebello, waar ze in 1800 de Oostenrijkers verslagen hebben.
Ook in 1859 werd er in Montebello slag geleverd, de tweede slag van Montebello: weer werden de Oostenrijkers verslagen, dimaal door een coalitie van een Piémontees-Sardijns (laat ons zeggen: Italiaans) en een Frans leger, als deel van de tweede Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog.
Door zijn naam verwijst het ijssalon naar de straat, die naar een verdwenen fort verwijst, dat naar een veldslag verwijst, die haar naam aan een dorpje te danken heeft. Het ijssalon, de straat, het fort, de veldslagen en het dorp zijn eponiemen. Ze dragen dezelfde naam. Ze zijn naar elkaar vernoemd.

de taal van Issendorf

Elders op deze website schreef ik mijn bewondering voor Hermans’ Nooit meer slapen.

Aansluitend waag ik me aan een korte, zeer onvolledige analyse van de taal van dat boek.
Dat is: de taal van Issendorf.
Ik sta stil bij (1) het geslacht van de naamwoorden, (2) de werkwoordvolgorde in werkwoordgroepen, en (3) enkele kleine bijzonderheden.
Voorbeelden:

  • Een stad van hout. Geen echte stad. Het lijkt of hij nagemaakt is.
  • Als de zon nu maar schijnen blijft…
  • Ik zal haar laten kijken waartoe ik het breng met al mijn knapheid.

les poulets sont sur la paille

Jaren voor ik deze website startte, schreef en verstuurde ik vanuit Frankrijk korte teksten over “La France d’aujourd’hui”. Naarmate ik er langer woonde en het land beter kende, werd me dat blijkbaar moeilijker — of kwamen er zwaarmoediger teksten, zoals het paradoxaal genoemde “verlangen naar Gent”. [Daarin zette ik me af tegen Michiel Hendryckx’ kijk op het land, zoals hij die in een fototentoonstelling in 2017 in Gent toonde, waar de titel het verlangen naar Frankrijk was.] Nu ik Frankrijk vijf jaar verlaten heb, en het land minder goed ken, wordt het schrijven me misschien weer makkelijker…

Jaren voor ik in 1983 naar Frankrijk trok, was ik al lezer van het satirische weekblad Le Canard Enchaîné. De liefde is wat bekoeld — ik vraag niet meer aan de krantenverkoper een exemplaar opzij te leggen wanneer ik naar een Canard-loos land op vakantie ga — maar toch zoek ik elke woens- of eventueel donderdag mijn papieren Canard. Ben ik ouder geworden, of Le Canard, of beiden? Vaker dan vroeger moet ik mijn wenkbrauwen fronsen wanneer ik hem lees.

Le Canard Enchaîné houdt van woordspelingen. Die zijn niet altijd even geslaagd, maar de krant van 11 september bevat een mooie, die ik graag duid: Après les Jeux, les poulets se retrouvent sur la paille.

Voor de Olympische Spelen heeft Frankrijk zich van zijn beste kant laten zien, en niet op kosten gekeken. Daar hoorde veel politie bij (police én gendarmerie), met naar schatting honderden miljoenen uitzonderlijke kosten voor speciale premies, voor overnachtingen, huurauto’s, etc. Die kosten zijn (nog) niet in de begrotingen ingeschreven, en leiden er voorlopig toe dat de politie en de rijkswacht op zwart zaad zitten. De uitbetaling van de premies laat op zich wachten, de brandnieuwe huurauto’s die de olympische bezoekers mochten bewonderen zijn weer weg en de aankoop van nieuwe auto’s (en andere dingen) om de oude en versleten voertuigen (en andere dingen) te vervangen wordt op de lange baan geschoven. Les poulets se retrouvent sur la paille.

Les poulets zijn de politie-agenten. Ze danken hun naam aan het feit dat politie-agenten vaak met gekooide auto’s worden vervoerd — ze zitten als kippen achter traliewerk — én aan de alliteratie police-poulet.
Een vergelijkbaar fenomeen heb je met een ander woord voor politie: les pandores. Als de deur van de politie-auto (la boîte de pandores) opengaat, kan je maar beter uitkijken. Uit de doos van Padora komen alle rampen die de mensheid teisteren. En ook pandores heeft een weliswaar kleinere alliteratie met police.

Être sur la paille, of se retrouver, coucher, mettre sur la paille …  is op het stro slapen (of iemand ertoe dwingen). Bittere armoe dus.

En uiteraard… zitten kippen op het stro.

« Oudere berichten

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑