Het is u niet ontgaan, beste lezer, dat gender een belangrijk thema is in het maatschappelijk debat vandaag. Geen journalist of commentator schrijft over het statutair verschil tussen arbeiders en bedienden en weinigen over de socio-economische effecten van dienstenchèques, maar elke zich respecterende krant heeft elke dag een artikel waarin gender ter sprake komt.
Waarom niet, overigens? Maar enkele recente mails leidden me tot merkwaardige conclusies.
Ik kreeg een mail (een antwoord op een vraag van me) van een culturele instelling in Antwerpen. De auteur ervan ondertekende haar bericht met de vermelding, achter haar naam: zij/haar – she/her. Waarom eigenlijk? Verwacht zij, hoopt zij dat ik haar anders bejegen omdat ze een vrouw is en geen man? Wil ze dat ik omtrent haar fantasmeer? Nee toch. [In het verleden heb ik dat wel ’s gedaan, dat kan flink tegenvallen.]
De Nederlandse grammatica maakt nauwelijks onderscheid tussen vrouwelijk en mannelijk. Alleen voor persoonlijke voornaamwoorden in de derde persoon doet ze dat: tussen hij en zij, hem, zijn en haar. [Het onderscheid tussen wiens en wier of diens en dier is in onbruik geraakt.] Maar dat is nu net wat je in een mail of een brief niet nodig hebt. Een bericht aan iemand schrijven doe je in de tweede persoon. De mogelijke aanspreking geachte mevrouw – geachte heer is de enige onzekerheid bij het schrijven, maar die klip omzeil je met gemak. Wat in het Nederlands wél belangrijk is, is het onderscheid tussen je (jij, jou, jouw) en u (uw), maar op dat onderscheid wordt door wie het hij-zij belangrijk vindt nauwelijks gelet. Je krijgt ongevraagd een je op je bord, zo mogelijk met uw in dezelfde zin. [Let wel: de je in mijn voorgaande zinnen is geen tutoyeren. Inhoudelijk is het een derde persoon; het is een men. Vergelijk: Wat je / Wat men in een mail verwacht… ]
In culturele en academische middens is die aandacht voor hij/zijn of zij/haar frequent. Enkele jaren geleden kreeg ik van de toenmalige rector van de universiteit Antwerpen een persoonlijke mail — ik had vragen gesteld omtrent de berichtgeving vanuit de universiteit over pfas. Iedereen wist (en weet nog steeds) dat die rector een man is, die overigens de meest mannelijke voornaam draagt, toch stond er hij/zijn/hem naast zijn naam. Sociale druk vanuit de universiteit moet dat zijn geweest: Als jij het niet doet, rector, wie doet het dan wel?
Maar nu komt het. Ik krijg en schrijf ook mails uit en naar Frankrijk. Ook daar — misschien nog meer dan hier, denk aan de inclusieve spelling — leeft de kwestie van het gender. Iemand uit een administratie ondertekende een bericht als volgt: Directeur.rice adjoint.e . In de Franse taal is gender, anders dan in het Nederlands, wel heel belangrijk. Ook als je iemand aanspreekt kom je woorden tegen die naargelang het gender anders zijn, anders geschreven worden of zelfs anders klinken. Dat geldt voor nagenoeg alle bijvoeglijke naamwoorden of voltooide deelwoorden: je vous ai rencontrée, êtes-vous intéressée, serez-vous présente... En in nota bene die taal, waarin gender grammaticaal belangrijk is, doet de auteur van het bericht het omgekeerde van wat de Nederlandstalige doet: met een taalkundige kunstgreep (de zogezegd inclusieve spelling) verbergt hij/zij zijn/haar gender. Wie met zo iemand correspondeert kan maar best hopen dat die persoon niet Dominique, Camille, Alex of Sacha heet. Dan wel adjectieven en verleden deelwoorden zorgvuldig vermijden waar het om de aangeschrevene gaat.
Franstalige gender-gevoeligheid leidt dus tot het exact tegenovergestelde van Nederlandstalige gender-gevoeligheid. Gender wordt verborgen gehouden dan wel geafficheerd. Maar zowel in Frankrijk als in Vlaanderen en Nederland bestaat daarnaast de vraag (de eis?) het gender op identiteitsdocumenten en officiële correspondentie niet meer te vermelden, en het ook niet op te nemen in de burgerlijke stand (wat internationaal wat moeilijk ligt). Is het een eis, of veeleer de behoefte een eis te hebben?
Daarom mijn hypothese: voor een maatschappelijke beweging is het vaak belangrijker iets te hebben waarvoor gestreden kan worden, een strijdpunt dat goed zichtbaar is, dan de aard en de inhoud ervan. De zij/haar – she/her van die eerste mail zegt meer over het belang dat die vrouw of die instelling aan gender hecht, dan over het gender van die vrouw zelf. De zij/haar – she/her is een vlag, een symbool. Net zoals Vlaamsgezinden zestig jaar geleden betoogden tegen de Franse namen van Antwerpse winkels en restaurants of tegen Franse missen in de kerk van de Heilige Geest — die Franse namen zijn eerst verdwenen en dan teruggekomen met nog meer Engelse erbij, en naar de mis gaat nog niemand — net zo wordt vandaag met hij/hem en zij/haar gevaandeld en gevlagd, of worden, om wat anders te noemen, koloniale monumenten bekladderd, verwijderd of in vraag gesteld. Symbolen. En net zo gaat een conflict soms meer om een vlag aan een stadhuis dan om economische banden. Blijkbaar is een zicht- en haalbaar objectief wat een maatschappelijke beweging nodig heeft.
❦
De aandachtige lezer — dat bent u uiteraard — heeft zich er intussen over verbaasd dat ik me in bovenstaande tekst beperk tot hij, zij, hem, zijn en haar, en geen aandacht heb voor hun, hen, die of diens (die’s).
Er zijn talloze redenen te bedenken om onze taal te verrijken met nieuwe voornaamwoorden voor wie zich niet thuis voelt in de hij–zij dichotomie of — waarom niet? — meteen voor iedereen. Genderneutraal. Maar daarvoor enkele bestaande voornaamwoorden kapen die al een betekenis hebben en daarmee zeer nuttig zijn, zoals hun en die-sprekers doen, is niet meer dan een zwaktebod. Enkele echt nieuwe woorden creëren, uit het niets, enkel uit klank, kan voor mensen uit de culturele en de academische sector niet moeilijk zijn.


