Jef Van Staeyen

Tag: kunst (Pagina 1 van 7)

Sol Lewitt in het Joods museum van België ❧

Nog tot 1 mei (2022) toont het Joods museum van België werk van Sol Lewitt (1928-2007).
In 2013 zag ik zijn œuvre in het Massachusetts Museum of Contemporary Art (MASS MoCA) in North-Adams (in Massachusetts, uiteraard). Het œuvre van Sol Lewitt onderscheidt zich van andere beeldende kunst door het feit dat het zich niet tot materiële objecten, en evenmin tot “performances” herleidt. Wat je ziet is niet het werk zelf, maar een uitvoering ervan, net zoals je bij een concert niet de bladmuziek, maar een uitvoering ervan te horen krijgt.

Weliswaar op veel kleiner formaat, is de tentoonstelling in het Joods museum een boeiend en intens weerzien.

 

Klik hier, of klik op het plaatje.

kadering van kunst — Van Dyck in het MSK van Gent

beste Museum voor Schone Kunsten,

Eergisteren 3 februari bezocht ik uw prachtige museum in Gent. Er waren geen specifieke tentoonstellingen (of “events”) — en daardoor allicht wat minder bezoekers —, maar dat was een uitstekende gelegenheid om de kracht en de diversiteit van de permanente collectie naar waarde te schatten. De thematische presentatie is bijzonder boeiend. Vooral de zaal met de portretten sprak me aan, maar ook elders waren er verrassende confrontaties, soms over eeuwen en stijlen heen. [Alleen de kleuren van sommige wanden vond ik wat storend om ten volle van de kunstwerken te kunnen genieten.] Er is veel te zien, veel meer dan ik had verwacht. Dus kom ik zeker terug — ook om sommige werken opnieuw te zien. Bravo! en hartelijk dank.

Bij een van de meesterwerken van uw collectie, Jupiter en Antiope van Antoon Van Dyck, las ik volgende tekst:

Vermomd als sater vergrijpt de oppergod Jupiter zich aan de slapende Antiope, in een scene die elke eeuw anders interpreteert. In Van Dycks tijd ziet men geen graten in deze benadering van de vrouw. Het werk symboliseert de kracht van de natuur en brengt ode aan de vruchtbaarheid — hoewel het erotiserende ervan niet ontkend kan worden.

Wanneer het MSK het schilderij in 1900 aankoopt, vinden enkele bestuursleden van het museum het te gewaagd voor de ogen van hun vrouw. Over mannelijke ogen wordt niets gezegd. En vandaag zouden we het beschouwen als toonbeeld van verouderde genderrelaties. Of net als herinnering dat deze misogynie nog steeds bestaat.

Ik vraag me af of u overweegt ook bij andere werken gelijkaardige teksten aan te brengen.
In uw museum zag ik onder meer:

  • een immens schilderij waarop men ziet hoe drie mannen, voor de ogen van de menigte, met grote spijkers aan hoge palen en balken zijn vastgemaakt. Dergelijke scène werd wel vaker afgebeeld, omdat ze zaligmakend werd (of wordt) geacht. Bovendien wordt verteld dat voor een van de drie gemartelde mannen het zijn eigen vader was die het wilde. Gelijkaardige (weliswaar niet identieke) praktijken zijn tot vandaag in sommige landen gebruikelijk, waar mannen of vrouwen voor de ogen van de menigte worden gegeseld, gestenigd, onthoofd. Hangt u weldra een waarschuwend bord waarop het afgebeelde wordt gecontextualiseerd, en de uiteenlopende lezingen, door de eeuwen heen, worden geduid, “als herinnering dat gelijkaardige praktijken nog steeds bestaan”?
  • een wat kleiner werk met een man die vrijwillig honger lijdt. Komt daar een waarschuwing voor de gevaren van anorexia?
  • meerdere schilderijen (of groepen van schilderijen) waarop een gehuwde man en vrouw en hun kinderen worden afgebeeld, de jongetjes netjes bij hun vader, de meisjes bij hun moeder. Soms worden ook de overleden broertjes en zusjes afgebeeld, met hun engelbewaarders, waaruit moet blijken dat ze (in een andere wereld) nog verder leven. Dit lijkt me de plek bij uitstek voor een bord waarop ook andere samenlevingsvormen en andere identiteiten worden vermeld, en hoe die in de loop der eeuwen zijn geëvolueerd. Welke maatschappelijke kansen hadden kinderen en volwassenen die niet in dat ideaalbeeld pasten?

Dit is maar een selectie. Allicht — ik heb er niet op gelet — ziet men op andere schilderijen mensen die voor een hongerloon zware en gevaarlijke arbeid moeten uitvoeren.
Zoals u merkt, er is werk aan de winkel.

En, wat de bestuursleden van 1900 en de ogen van hun vrouwen betreft, het is een bekend fenomeen. In dergelijke commissies en jury’s vindt men vaak zowel deskundigen als niet-deskundigen. De mening van deze laatsten beperkt zich veelal tot “ik houd niet van”, wat ze in aanwezigheid van de deskundigen moeilijk tot uitdrukking kunnen brengen. Dus praten ze over de zogezegde mening van hun vrouw, die in hun ogen zowat de verpersoonlijking van de goegemeente is — de commissie- of jury-leden waren (zijn?) immers al te vaak man. Dan hoort men, naargelang het onderwerp, commentaren als “mijn vrouw houdt niet van platte daken” (een architectuurwedstrijd), of “van geel”, “van klavecimbel”, “van Thomas Bernhard”, etc. [Het kan ook een beetje anders: nog niet zo lang geleden verklaarde een politicus dat hij “iets niet kon uitleggen aan Deborah”.]
Blijkbaar vonden sommige van die bestuursleden van 1900 het zelf jammer dat Jupiter en Antiope van Antoon Van Dyck in de collectie kwam — en vinden sommigen van het MSK dat vandaag nog steeds. Misschien is er een ander (openbaar!) museum ten lande dat het werk graag in langlopend bruikleen heeft.

Met vriendelijke groet,

wat is waarheid? in de kerk

Het is dwaas, uiteraard, dat ik als recente Antwerpenaar — of her-Antwerpenaar, na bijna 40 jaar afstandelijkheid — jullie mijn Antwerpse ontdekkingen vertel. Maar jullie zijn hoffelijk, en verzwijgen me dat ik niets nieuws aanbreng.

Zondag stonden de deuren van de Sint-Andrieskerk open. Op weg naar de kaaien ben ik even binnen gestapt. Het moet straks vijftig jaar geleden zijn dat ik er nog was. Toen kregen we, studenten, te zien hoe de marmeren altaren in hout vervaardigd zijn.

Als ik voorbij een kerk kom ga ik wel vaker aan de deuren morrelen. De prachtige Sint-Laurentiuskerk in de Van Schoonbekestraat — een van de mooiste van Antwerpen — heb ik sinds ik hier woon nog niet open gezien. Ik heb wel vaak gemorreld, en op die manier onlangs Bernard Dewulfs uitvaart bijna meegemaakt. Er was schoon volk, las ik die avond in de krant.

  Sint-Laurentiuskerk, augustus 2013

Van de kerk van de Heilige Geest kan de deur soms open staan. Dat is de kerk hier in de buurt, die zich graag laat horen — maar niet voor zeven uur —, en die zestig jaar geleden korte tijd in het middelpunt van de politieke belangstelling heeft gestaan. Toen, in 1962, werd er in het Frans gepreekt, wat voor een eerste aanvaring zorgde tussen de Vlaamse katholieken en hun bisschoppen, vijf jaar vóór Leuven-Vlaams. Er was destijds sprake van taalfaciliteiten in het Leuvense en aan de Belgische kust, en in een land waar de Kerk een openbare instelling is, leken Franse preken geen goed idee. De jaren nadien maakte deze onvrede het de gelovigen overigens des te makkelijker afstand te nemen van wat de bisschoppen op andere vlakken te vertellen hadden. Waarmee ik niet wil zeggen dat de Heilige Geest de ontkerking van Vlaanderen heeft aangestuurd, de anti-conceptie heeft bevorderd en het maoïsme een duwtje in de rug heeft gegeven.
Overigens vind ik het een gek idee een parochie of kerk naar de Heilige Geest te noemen. Of naar het Heilig Hart, het Heilig Sacrament, de Heilige Drievuldigheid… Als bemiddelaar tussen een strenge God en de zwakke gelovigen kies je toch beter een heilige van vlees en bloed, een man of vrouw die nog weet wat het was, mens te zijn geweest. Wordt Maria niet Middelares genoemd?
[Een heilige met een kruiwagen, of met een piston, dat zou pas handig zijn.]

Het is pikdonker in die kerk, maar ik zag er wel een merkwaardig kruisbeeld hoog in de viering hangen. Op een heldere dag moet ik eens binnen wippen om het beter te zien. De gekruisigde Jezus draagt een lange rok, die tot halfweg zijn kuiten reikt. Hij staat op een bankje, kaarsrecht en met gestrekte armen. Het is geen lijden, het is alsof hij de bezoekers welkom heet. De aard van de kroon op zijn hoofd — doornen, of goud en juwelen? — heb ik in het duister niet gezien. Opvallend zijn ook de rijke versieringen aan en rond het kruis. Godsdiensten houden van lijden, maar het christendom is wel zij die een lijdende man als embleem heeft gekozen, en hem in al haar tempels en huizen toont.
In het overigens wat teleurstellende boek van Jan Vanriet, Rovers (2021), lees ik een korte vergelijking tussen God en cryptogeld. Dat redelijke mensen daarin geloven, in zoiets virtueels. Net als in bitcoins, cryptovaluta… God als cryptowezen. Dat vind ik verhelderend: God bestaat. Als je in hem gelooft en je anderen kan overtuigen dat hij bestaat en ze ernaar handelen, is hij zo echt als cryptogeld. Zo werd en wordt rijkdom en macht vergaard.

  het kruisbeeld in de H. Geestkerk,
op een latere dag gefotografeerd (maart 2022)

Een Koerdische vriend in Rijsel, die ik Frans leerde, en met wie ik de streek, de steden en stadjes bezocht, maar die ik al jaren niet meer heb gezien, van wie ik me afvraag of hij nog leeft sinds hij weer naar zijn land vertrok, ging bij het bezoeken van een kerk steevast aan het bidden — twee goden is beter dan een, moet hij hebben gedacht, hij had veel om te bidden. Ik, verwend joch van een vredig land, ga naar kerken voor kunst en architectuur. En voor de stilte als die er is. Zodat ik hoop dat hedendaagse beeldenstormers buiten blijven, want er valt wat te breken aan baardige mannen, vrome maagden en blote putti in zo’n kerk.

 

Wat is waarheid? Alain Sanez, 2012, in de Sint-Andrieskerk

Sint-Andries is een kunstkerk. De kerk is rijk aangekleed, met kerkelijke kunst die in andere kerken veelal in laden en kasten blijft. De schatkamer is een juweeltje. De preekstoel (1821) met Jezus en de vissers Petrus en Andreas is een beeldverhaal, en ook de wat discretere sculptuur het vagevuur (1710), aan de noordbeuk, waar (on)gelukkige zielen door engelen uit de rode vlammen worden gehesen, is alle aandacht waard. Angst moest het inboezemen, ik vind het mooi. De pastoor (een kunsthistoricus) gedraagt zich als museumintendant. Getuigen de teksten die hij bij de kruisweg en elders hing, de virtuele bedevaart (met een echte stapmachine…), de bokszak, de parade van schoenen als levensreis (van babysokjes en kinderbox tot sloefen en rolstoel, plus een lege valies), en het schilderij “Wat is waarheid” dat de Franse kunstenaar Alain Senez in opdracht van de kerk in 2012 geschilderd heeft. Het bevat een immense trompe-l’œil, een schildering in het schilderij, waardoor je niet weet wat je ziet, met talrijke media erover gekleefd. Kranten, computerschermen, een camera… ze verstoren je blik, zodat je hersenen voortdurend zoeken en twijfelen tussen de details en het totaalbeeld dat nauwelijks vatbaar is. Omwille van de titel, en van de uitwerking, mag het een wonder heten dat de covid-twijfelaars het werk nog niet tot embleem verkozen hebben. Ik heb er lang naar gekeken, en misschien daarom andere dingen gemist, zoals de kruisiging van Sint-Andreas, in 1595 door Otto Van Veen (of Venius) geconterfeit, de schilder die de pech heeft vooral als leermeester van Rubens bekend te staan. Als je dan bedenkt dat het MET in New York trots is een voorbereidend olieschetsje te bezitten van het werk dat onopgemerkt in de Sint-Andrieskerk hangt. Still in situ — wat niet helemaal waar is, want het doek hangt sinds twee eeuwen niet meer boven maar naast het hoogaltaar, dat tijdens het Frans bewind uit de toen afgeschafte Sint-Bernardusabdij van Hemiksem naar Antwerpen is overgebracht.
Ik heb niet voldoende gekeken, en heb veel dingen gemist. Ik ga dus zeker terug, wat ik ook jullie aanbeveel.

 

Over Otto Van Veen gespreken,  lees hier meer over het raadsel van Veen in de Rijselse kerk Saint-André.

aanvulling: De waarheid is… dat het geen vijftig, maar slechts tien jaar geleden is, dat ik de Sint-Andrieskerk bezocht. In mijn oude foto’s zie ik een bezoek in juli 2011. De bokszak van Domyos hing er toen al.

Watou, de betovering is niet meer

Het moest ervan komen: de betovering van de plek is niet meer.
Dertig jaar lang was Watou voor mij een prachtig huwelijk tussen beeldende kunst, lees-bare en hoor-bare poëzie, en betoverende landschappen. Plus een aangename dag in een mooie streek. Watou bestond door de verlaten en vervallen huizen en hoven, schuren en stallen onder de regen of de zomerzon. Watou stelde ook de vraag, geef ik toe, aan de stedeling die ik ben, hoe de mensen in die huizen en hoven konden wonen en werken.
Het was voelbaar soms, de voorbije jaren, dat die magische plekken verdwenen. Watou wordt gemoderniseerd, en dat kan niemand worden verweten. Ook Watou loopt mee in de vaart der dorpen en steden…

Nu is het zover: het Watou in Watou is gekrompen tot een parochiezaal, één huis, de brouwerij, de kerk en twee parkjes. De betovering, de verrassing en de verwondering is verdwenen. Als compensatie verwijst Watou 2021 de bezoeker naar kasteel De Lovie, dat met de wereld van Watou weinig of niets te maken heeft.
Al wat Watou me nu nog brengt, zijn herinneringen aan hoe mooi het geweest is.

 

 

Misschien had ik “Watou 2019, nu weet ik wat saudade is” moeten herlezen voor ik ging.
[Lees ook Watou 2018, en andere jarenWatou 2009Watou 1999. ]

« Oudere berichten

© 2022 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑