Jef Van Staeyen

Tag: verhalen en zo (Pagina 1 van 16)

ma princesse

In het station van Périgueux, op het perron naar Agen, kwam een verfomfaaide man naast me zitten.
Hij kwam uit Bordeaux, zei hij in voor mij nauwelijks verstaanbaar Frans, en zou naar een dorpje rijden, een uur verderop, waar zijn zus hem opwachtte.
Ik heb een vriendin in Bordeaux, ma princesse, zei hij trots, en toonde een foto van haar.
Hier klopt iets niet, dacht ik bij het zien van de man en de vrouw.
Haar vader weet niet wie ik ben, vervolgde hij, hij weet mijn plaats in haar leven niet.
Ik heb hem niet gevraagd of er misschien nog meer mannen zijn die zijn plaats in haar leven niet kennen.

(juni 2025)

de strandstoel

Dertig jaar geleden, na de scheiding, toen ik de lening voor de aankoop van mijn appartement in Rijsel wat krap berekend had, en mijn spaargeld aan kasten en bedden en witte electro had besteed, bleef er geen geld voor een canapé. Dus plaatste ik enkele eenvoudige strandstoelen in de woonkamer — mijn kinderen moeten er soms nog om lachen. Pas een jaar later kwam er een canapé, die ik nu nog heb en lang hoop te houden.
Mijn strandstoelen zijn me trouw gebleven, of ik hen, voor campings en soms uitstapjes. Het zit veel comfortabeler dan gewoon op de grond. [Met een vouwstoel op tram 4.]
Het appartement in Antwerpen waar ik nu sinds enkele jaren woon, heeft een mooi terras. Ook daar hebben die strandstoelen aanvankelijk gediend — al daalde hun aantal, die dingen gaan stuk. Tot ik vond dat ik moderne terrasmeubelen moest hebben, een tafel en stoelen in hout en gelakt aluminium, en een luie stoel, bijna een bed met een geweven kunststof zeil. Ook de buren hebben zoiets, en u, beste lezer, wellicht ook.
Zelden heb ik meer op mijn terras gezeten dan de voorbije, hete zomer, en er boeken gelezen. Sommige van die boeken zijn zwaar, loodzwaar, tot 2 of zelfs 4 kg. Mijn armen deden pijn. Tot ik mijn laatste strandstoelen erbij haalde, en mocht vaststellen dat ze ergonomisch veel beter zijn dan mijn moderne terrasmeubilair. Ik kruis één been over het andere, en het boek rust daarop. Net de goeie hoogte, die ik met al mijn andere zitmeubelen, buiten of binnen, nooit bekomen kan. Van mijn aanvankelijk vier strandstoelen waren er twee over, waarvan er een het snel begaf — het systeem met de stalen veren is een zwak punt. Nu staat er één trouwe strandstoel tussen die modieuse dingen op mijn terras. Wanneer de zomer niet te hevig is, vind ik dat fijn.

wat had ik die mensen graag kunnen helpen

Zondagavond, zeven uur. De avond van een warme, zomerse dag.
Ik kom terug van een wandeling en ga door de Teichmannstraat. Op het trottoir aan de overkant zie ik vier mensen die zichtbaar blij zijn samen te zijn. Er is nog een vijfde, maar die zit in een kinderwagen. Zijn of haar reacties kan ik niet zien.
Allicht hebben de twee koppels elk hun auto in de buurt geparkeerd en gaan ze te voet verder. Daar lijkt het toch op. Mijn analyse van het gezelschap is snel gemaakt. Een ouder koppel, late vijftigers of vroege zestigers, een jonger koppel, late twintigers — de dochter met haar man — en het kleinkind in de kinderwagen. Gezwind neemt het jonge koppel het voortouw, het ouder koppel erachteraan, de grootmoeder duwt de mooie kinderwagen. Ze gaan sneller dan mensen op zo’n warme avond doen. Ik vermoed naar het restaurant dat slechts honderd meter verder ligt. Uit heel hun handelen, hun lichaamstaal, hun stevige stap straalt de vreugde samen te zijn en het vooruitzcht de mooie avond rond een lekkere tafel door te brengen.
Vanop mijn trottoir zie ik het restaurant — dat zien zij nog niet — en vrees dat er wat schort: de terrastafels en stoelen staan gestapeld op elkaar. Ik lees de ontgoocheling wanneer de koppels de straathoek bereiken, en nu ook het gesloten restaurant vlak voor hen zien: er brandt geen licht, de luiken zijn neergelaten en er zijn die gestapelde stoelen. Vooral de lichaamstaal van de teleurgestelde schoonzoon en de onthutse moeder spreekt boekdelen — “dat kan toch niet zijn !” Ik voel met hen mee. Het is alsof ikzelf tot het gezelschap behoor.
Wat had ik die mensen graag kunnen helpen. Toch ben ik niet naar hen toe gestapt om mijn medeleven te uiten. Als je dat doet klinkt spijt als spot. Een kind dat een bal in een boom heeft gestampt en er niet bij kan, of iemand die naar een tram rent en hem voor zijn neus ziet vertrekken, die zeg je ook niet “jammer toch”.  Hen helpen kon ik evenmin. Het enige andere restaurant in de buurt waaraan ik kan denken is gesloten. Ik ben er net voorbijgestapt, in de Harmoniestraat, en het is bovendien van een wat andere, plechtige stijl. Minder ontspannen. Ik zie geen restaurants in de omgeving die op zondagavond open zijn, en op een gsm kijken kunnen zij ook. Veel beter dan ik.

Geen idee wat die mensen daarna hebben gedaan. Terug naar hun auto’s gestapt? Naar een andere buurt gereden? Daar lekker gegeten en tevreden over hun nieuwe vondst? In mijn hoofd is het verhaal blijven hangen, tot ik het hier heb neergetikt.

het concept zwaluw ❧


Ik kijk graag naar de zwaluwen die dansen ’s avonds boven de stad. Het lijkt of ze een zalige tijd hebben : vliegen, draaien en duiken op een onzichtbare achtbaan, gewoon voor de pret. Maar hoe voelen ze zich? Hoe voelt een vogel, hoe voelt een zwaluw, voor wie de mooie, krachtige vleugels spieren zijn, zoals benen voor rennende mensen. Voelen ze krampen, hebben ze pijn, zijn ze vermoeid?
Niet voor de pret maar voor voedsel stijgen, ijlen, draaien en duiken zwaluwen aan hoge snelheid door de lucht. De jacht op insecten. De paradox — of is het de verklaring ? — is dat er hier nauwelijks insecten zijn. Weinig muggen, nauwelijks vliegen, alleen wespen zie je hier. Zwaluwen lusten die niet.

Heel hoog vliegt een straaljager geluidloos voorbij. Witte strepen in het blauwe zwerk. Even reis ik mee. Waarheen?

De zwaluw is een gedurfd concept. Tijdens zijn acrobatische, snelle, veeleisende jacht moet hij voldoende insecten — van die kleine dingetjes — vangen om zijn eigen motor draaiend te houden. Elke dag zowat zijn eigen gewicht. Niet alleen de jacht vraagt energie: ook het bouwen van nesten, het paaien en paren, het leggen en broeden van eitjes en het voeden van kuikentjes (waarvoor de ouders voedselballen van insecten bereiden, zeg dat het zowat hamburgers zijn). In de herfst trekken zwaluwen naar het zuiden, ik hoopte voor hen dat ze dat al jagend doen, en er onderweg ook insecten zijn. [Het antwoord is nee: enkele grammetjes lichaamsvet moeten volstaan voor een vlucht van duizenden kilometer.]

Ik reis op het internet. Ik surf niet, ik duik niet, ik zweef.

Zwaluwen hebben een brede bek. Ze hebben ogen met een dubbele focus (precieser: fovea), om vooruit én opzij scherp te zien. Ze hebben lange vleugels en staarten die hen toelaten zonder veel kinetisch energieverlies van richting te veranderen. Ze zijn aerodynamisch, en vooral: hun metabolisme is zeer efficiënt. De spijsvertering is snel, mede door de hoge lichaamstemperatuur en de snelle ademhaling, maar hun vlucht is spaarzaam in het verbruik. In rusttoestand daalt hun temperatuur. In extreme omstandigheden schakelen ze zich bij wijze uit: torpor.

Zouden mensen er in slagen een machientje te bouwen dat leeft van wat het al vliegend eet?

Antwerpen, juli 2026

❧

extra: de wet van de schaal

In de wiskunde en de fysica bestaat er een wet die zo eenvoudig is en zo vanzelfsprekend dat het me steeds verbaast dat hij nauwelijks onderwezen wordt, nauwelijks een naam heeft, en dat wetenschappers in meerdere domeinen er lang naar hebben gezocht.
Die wet zegt dat als je van een voorwerp, of in de biologie een plant of een dier, de lineaire dimensie met twee vermenigvuldigt of door twee deelt, alle oppervlakken van dat voorwerp, van die plant of dat dier met een factor vier worden vermenigvuldigd of erdoor worden gedeeld, en alle volumes met of door een factor acht. [Ook in de informatica geldt die wet, wanneer het aantal mogelijke verbindingen exponentieel groeit of daalt.]

Eenvoudig voorbeeld: Stel je wil een Eiffeltoren bouwen, twee keer zo hoog. Dus 600 meter in plaats van 300. Je vermenigvuldigt alle maten met 2: de hoogten en breedten van de profielen, de dikte van het smeedijzer (puddelijzer) en de diameter van de klinknagels. Zo’n toren stort in onder zijn eigen gewicht. Dat gewicht is immers vermenigvuldigd met een factor 8, en de druk- of trekweerstand van de onderdelen met een factor 4.

In het dierenrijk heeft deze wet belangrijke effecten voor warmbloedige dieren: de vogels en de zoogdieren. Hun stofwisseling of metabolisme (*) is functie van hun volume, maar hun warmteverlies wordt bepaald door hun oppervlak. Daarom moeten kleine dieren (veldmuizen, kolibries, … en dus ook zwaluwen) voortdurend eten. Bij vogels vereist hun snelle spijsvertering paradoxaal genoeg ook een hogere lichaamstemperatuur (die door hun pluimage wel wordt beschermd).
Die wet maakt dat er drempelwaarden zijn voor vogels en zoogdieren en plafondwaarden voor insecten. Die ademen immers via gaatjes in hun pantser. Laat dat laatste een geruststelling zijn: mensgrote muggen, zoals in Nero en de Kouwe kwibus, kunnen niet bestaan.
Dat vliegen op het plafond kunnen lopen en “schaatsenrijders” (Gerridae) op het water, dat mieren en kevers tot honderdmaal hun gewicht kunnen torsen en grashalmen niet breken maar buigen, het is ook de wet van de schaal die speelt.

 

(*) Voor het metabolisme van dieren zijn er weliswaar ook andere factoren die spelen, waarvan nog niet alle zijn verklaard. De energie die ze zelfs in rust verbruiken dient immers niet alleen om het warmteverlies (door huid en ademhaling) te dekken, maar ook voor het onderhoud van de spieren, de beenderen, de ingewanden, het vet… En spieren vergen meer energie dan vet, zelfs wanneer men ze niet gebruikt…

« Oudere berichten

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders Noren — Boven ↑