Jef Van Staeyen

Tag: verhalen en zo (Pagina 1 van 11)

Berchemse niemendalletjes

De Groenenhoek — Gitschotellei, Te Boelaar, of Zurenberg zoals je op oude kaarten leest — heb ik onlangs verlaten, maar ik vertel nog graag twee kleine anekdotes. Dingetjes, niemendalletjes, die me een glimlach getoverd hebben. En niet alleen mij.

Voor de eerste anekdote moet je weten dat er voor trams bijzondere verkeers- en voorrangsregels gelden. Niet alleen hebben ze, als spoorvoertuigen, voorrang op al het andere verkeer, maar de regels bepalen ook waar en wanneer welke tram op welke tram voorrang heeft. De eenvoudigste regel — a priori althans — bepaalt dat een tram die een manoeuver uitvoert (een keerlus of een bocht) voorrang moet geven aan een tram die rechtdoor de straat blijft volgen. [A priori, zeg ik, want op het bochtige parcours van lijn 12 heeft die regel al tot misverstanden en aanrijdingen geleid.]
Nabij de halte en de oude stelplaats, nu museum, Groenenhoek, ligt er een keerlus Groenenhoek. In normale omstandigheden is dat de terminus van lijn 11, maar omdat er werken zijn aan de sporen op de Belgiëlei, komen ook de grotere tramstellen van lijn 6 op die keerlus terecht. De Lijn is zo vriendelijk de reizigers toe te laten de lus ook als op- en afstap-halte te gebruiken. Aan de Groenenhoek ligt de laatste halte dus voorbij de formele terminus Berchem Station.
Elke tram die de keerlus oprijdt, en elke tram die de keerlus verlaat, snijdt zowel de rijweg als het fietspad en voetpad. Daar heeft hij voorrang. Hij heeft geen voorrang ten overstaan van de trams die de keerlus niet gebruiken (lijnen 4 en 9), en die in concreto van de Gitschotellei naar Berchem station rijden.

De voorgaande uitleg is langer dan de anekdote, die maar enkele seconden heeft geduurd.
Die dag, een van mijn laatste Berchemse dagen, nam ik tram 6 naar Merksem. Hij had al twee minuten vertraging toen hij de keerlus bereikte, en zodra ik als enige passagier was opgestapt reed hij onmiddellijk weg. Naar het voetpad, het fietspad, de rijweg — waar hij voorrang had. Een jonge vrouw kwam moeizaam aangefietst. Ze keek vertwijfeld naar de tram, die haar de weg ging versperren. Heel even later kwam er, “achter haar”, maar onzichtbaar voor haar, ook een tram, een 4 of een 9, die voorrang had. “Mijn” 6 stopte dus, nog vóór het fietspad, wat de jonge vrouw als een attentie van de wattman begreep — zo’n grote tram die stopt voor mij. Een brede glimlach van blijdschap en dankbaarheid toverde zich op haar gezicht. Het was, ze was heel mooi om zien.
Nadien kwamen nog enkele andere reizigers naar de stilgehouden tram gerend. Ook zij mochten mee. Het vertrek heeft wat langer geduurd, maar iedereen was content.

 

Het tweede niemendalletje is korter.
Op de Gitschotellei werden werken uitgevoerd, een kabel in het trottoir. Een dozijn mannen met gele hesjes. Die dag waren de terrasjes net weer open gegaan, én was het zalig weer. Ik zat op de tram, die van het Eksterlaar kwam, het was omstreeks noen. Prachtig waren ze: al die vrolijke gele hesjes op een terrasje dat pas weer open was.

bedankje

In het metrostation Schijnpoort wacht ik op tram 6. Bestaat er een lelijker station dan dit?
Ik zit op een stoel. Een man komt aarzelend het perron opgestapt. Enkele meters van me vandaan leunt hij tegen een muur. Er zijn nog stoelen vrij, maar omwille van corona staan die te dicht bij elkaar. Ik vraag de man, die misschien wat ouder is dan ik, of hij liever wil zitten.
“Nee”, zegt hij, “ik blijf wel staan.” Waaraan hij even later toevoegt dat “ze” dat tegenwoordig niet meer doen. Een plaats afstaan, versta ik.
De man zegt me dat de wereld en de mensen niet meer zijn als vroeger. Het is nu allemaal minder goed. Ik knik en zeg een zwak “ja”. Niet uit overtuiging, veeleer om aan te geven dat ik gehoord heb dat hij wat zei. Ik heb geen zin in discussie. Laat me gerust.
“Aan ‘t station zijn er alleen nog maar donkere mensen”, zegt hij. Of iets van die aard. “Iedereen komt naar hier.” Maar ik antwoord niet meer.
Gelukkig komt tram 6. Ik stap op, hij niet. Allicht wacht hij op tram 3, 2 of 5. Niemand blijft langer dan nodig in station Schijnpoort.
Vanuit de vertrekkende tram kijk ik hem nog ′s na, en aarzel voor een laatste, korte groet. Een klein gebaar voor een mooie dag. De wereld is immers zo slecht nog niet. Misschien begrijpt hij mijn zwijgen. Maar hij kijkt de andere richting uit. Hij kijkt naar zijn tram.
Ik weet niet of ik een volgende keer nog mijn zitplaats aanbied.
Was dat zijn bedankje?

buren

Wanneer groet je buren? Welke buren groet je? En vooral, hoe groet je buren?
Ik heb veel buren in de straat waar ik sinds een jaartje woon. Sommige groet ik vaak, of altijd — de meest nabije nodigde ik bij me uit, kort nadat ik hier kwam —, anderen zelden, en nog anderen nooit. Sommigen probéérde ik wel te groeten, maar er kwam niks terug. En misschien hebben nog anderen me gegroet zonder dat ik het merkte, zonder dat ik erop reageerde. Een hufter ben ik.
In Rijsel, tot vorig jaar mijn stek, is het me gebeurd buren te groeten de dag dat ze verhuisden. Ik leerde ze kennen wanneer ze vertrokken. Wat trouwens met collega’s ook is gebeurd. Of mensen te groeten die ik honderd keren in dezelfde autobus had gezien, die aan dezelfde halte afstapten, op weg naar dezelfde straat. Toen ik groette keek men me aan, wat wil die van me?

Gisteren stapte ik op straat, een masker voor mijn mond — als ik het voor mijn neus draag is alles mist. Meteen zo’n masker op mijn mond is de beste manier om het niet te vergeten, en om het bij te schikken, voor mijn neus, wanneer dat plots nodig is. Al zeggen de onnavolgbare aanbevelingen dat je zo’n masker niet mag aanraken eens je het draagt. Probeer dat eens.
Een man en een vrouw stonden voor een huis aan de overkant waar ik voordien nooit iemand zag. De garage stond open, en ze karweiden, bladeren vegen en zo. De man keek me aan, en ik hem. Behoorlijk lang. Allicht heeft hij lichtjes met zijn hoofd geknikt. Allicht heb ik lichtjes met mijn hoofd geknikt. Dergelijke dingen weet je nauwelijks van jezelf. Ik ging verder, maar draaide me dan toch om. Nieuwsgierig, want wie was die man? Hij keek nog steeds naar me, dus stopte ik. Met die maskers herkennen we elkaar nauwelijks, zei hij, achter zijn masker. Ja, en zelfs als we elkaar herkennen, herkennen we elkaar niet, moet ik geantwoord hebben. Met de glimlach, misschien zelfs een beweging met de hand, voor ik weer verder trok.
Kent hij me echt? Ik denk het niet. Met wie uit deze straat heeft hij me verward? Maar toch: voortaan ken ik hem, kennen we elkaar, mag ik denken, want we hebben gegroet. En gesproken. Als ik hem nog eens zie, mag ik hem nog eens groeten. Op voorwaarde dat ik hem herken. Wat moeilijk kan zijn als hij, met of zonder masker, elders dan aan zijn garagepoort staat.

 

extraatje: wijn

Dat is een heel goede wijn, zei de caissière in de supermarkt.
Ik denk dat ik de volgende keer eerst naar u kom, voor advies, antwoordde ik.
Ja, maar ik ken er maar één, en dat is deze, en hij is goed, zei ze me toch.
Ach mevrouw, u kan beter één goede wijn kennen, dan vijf slechte.

« Oudere berichten

© 2021 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑