Jef Van Staeyen

Tag: la France d’Aujourd’hui (Pagina 1 van 10)

het geheim van Paray-le-Monial

Ooit moet ik mooie foto’s hebben gezien van de romaanse basiliek van Paray-le-Monial, die in mijn hoofd zijn blijven hangen, en die me ertoe hebben verleid het kleine stadje (9200 inwoners) in mijn Franse treinreis op te nemen, ergens tussen Nevers en Chalon-sur-Saône. Samen met het ook atypische Le Creusot — totaal anders weliswaar: een oude, verloren gelegen industriestad van 21.000 mensen in een agglomeratie van 34.000 — bracht Paray-le-Monial me op weinig bereden sporen, waar de takken van de struiken tegen de vensters van de treinen zwepen. Ik bedoel: Nevers en Chalon-sur-Saône hebben op hun niveau (kleine préfecture en grote sous-préfecture) al wat je van een stad verwacht, terwijl Paray-le-Monial en Le Creusot beide op een dominante, wat paternalistische nijverheid zijn gebouwd. In Le Creusot is dat de metaalverwerkende industrie van Schneider en in Paray de Roomse kerk.

Al in de 11de eeuw besliste Hugo, abt van Cluny, in Paray een nieuwe kerk te bouwen aan de oever van de Bourbince, een verkleinde copie van “Cluny 3”, maar zonder de rijke versiering ervan. Enkele eeuwen later, in 1673, had notaris-dochter en kloosterzuster Marguerite-Marie Alacoque (sœur de la Visitation) de gelukkige idee verschijningen van Christus’ Heilig Hart te zien, waarvan haar biechtvader de boodschap noteerde: “Voilà ce Cœur qui a tant aimé les hommes”. Daarmee waren de zuster en haar biechtvader hun tijd ver vooruit, want andere beroemde verschijningen dateren uit de 19de en 20ste eeuw, en de cultus van het Heilig Hart zou pas na de Franse revolutie, of zelfs na het Eerste Vaticaans Concilie in 1869 een hoge vlucht nemen, als reactie op de ontkerkelijking. [Het katholicisme zoals wij dat hebben geleerd en ook beleefd, en dat ons als eeuwenoud werd voorgesteld, is door Pius IX, paus van 1846 tot 1878, in de steigers gezet, terwijl hij de wereldlijke macht van zijn Pauselijke Staten verloor: onfeilbaarheid, onbevlekte ontvangenis, verering van het heilig hart…]

Florida

Paray-le-Monial is dus een bedevaartsoord, maar is dat allicht vooral op de derde vrijdag na Pinksteren. Mij lijkt het meer op een katholiek Florida. De indrukken die ik had werden nadien door digitale media gestaafd: een rustig en ordentelijk stadje, dat niet om centen verlegen zit, met welvarende, weldenkende en wellevende mensen, en met een voorzieningenniveau (ook commercieel) waar menige grotere stad jaloers op kan zijn. Bijna de helft van de Parodiens is ouder dan 60, wat op departementaal niveau slechts een derde, en nationaal een flink kwart is. Al sinds 1989 wordt het bestuurd door een overtuigde katholiek (manifest tegen het homo-ouderschap, kerststallen in het gemeentehuis…) die zijn politieke loopbaan ooit als jeune giscardien begonnen is. Hij is er wel in geslaagd het openbaar domein in het oude centrum, de omgeving van de basiliek, het belfort en het stadhuis prachtig heraan te leggen — met meer smaak voor architectuur en stedenbouw dan de lokale bouwpromotoren en hun klanten hebben getoond — en ook het zeer merkwaardige Musée du Hiéron en het interieur van de basiliek te renoveren, waarna beide door de toenmalige minister van cultuur en partijgenoot Renaud Donnedieu de Vabres werden ingehuldigd (diens naam leest als een boek). Als er voor ouder wordende katholieken een paradijs op aarde bestaat, ligt het in Paray-le-Monial.

Arabische motieven in het noordportaal van de basiliek

De idee achter het Musée eucharistique du Hiéron, heb ik begrepen, is dat er over alle landen en tijden heen, één religie is, waarvan het katholicisme de meest volmaakte vorm en de sacrale kunst de bevoorrechte uitdrukking is. Het museum uit 1888, in 2005 flink vergroot, bevat een rijke en diverse collectie, en ontvangt ook tijdelijke tentoonstellingen van hedendaagse kunst — een bezoek meer dan waard. Het geheim van Paray-le-Monial zit echter in de Basilique du Sacré Cœur (tot 1875 gewoon église Notre-Dame genoemd). Ze oogt als een slimme romaanse bouwdoos, een waterval van grote en kleine volumes, drie flinke torens, een open narthex en een arabiserend noordportaal (Hugo van Cluny is in Castillië geweest). Het interieur is behoorlijk saai — veeleer dan enkel sober — maar wie binnen en buiten vergelijkt staat voor een raadsel, waarvan de oplossing althans mij nogal wat tijd, een beetje hulp, én gelukkige omstandigheden heeft gevergd. Als je vóór de westgevel met de twee torens staat, zie je hoe de hoge vieringtoren wél, maar de nok van het schip niét in de (schijnbare) as van de gevel zit (zie foto). Meermaals ben ik van buiten naar binnen gelopen, om niet te begrijpen hoe het zat, tot een informatiebord wat verder (zie foto) me enigszins op weg heeft geholpen. De basiliek uit de elfde eeuw werd ter vervanging van een oudere kerk gebouwd, waarbij de oriëntatie — zoals bij zoveel oude kerken — enigszins werd aangepast. [De dag voordien had ik in de kathedraal van Nevers gezien hoe er een knik zit tussen koor en schip.] De as waarrond de kerk van Paray werd gewenteld zit in het koor, iets voorbij de viering, maar de narthex en de twee torens, of op zijn minst hun basis, bleven op hun oude plaats. Niet de gevel van het schip, met zijn twee bescheiden vensters, maar de torens staan naast de as van de kerk. Toch is het pas de wijd open deur op zondagavond, waarlangs ik ongehinderd van binnen naar buiten kon, die voor opheldering heeft gezorgd.

De puntgevel van het schip (met de twee eenvoudige boogvensters boven elkaar) staat uit de as van de vieringtoren en van de twee torens (met narthex) vooraan.

mozaïeken

Een mooie verrassing is het Maison de la mosaïque contemporaine, dat zich ook in de trottoirs van Paray aankondigt, en behalve ateliers en sensibiliseringsacties ook (kleine) tentoonstellingen biedt. Van hedendaags mozaïek uiteraard, in een diversiteit van materialen, zoals glas, hout en leisteen, waarbij niet alleen de kleur maar ook de textuur wordt gebruikt. [Oudere, meer dan kamerbrede Gallo-Romeinse mozaïeken zag ik enkele dagen later in de musea van Besançon en Langres.] Nabij het station is er ook het Musée du carrelage céramique Paul Charnoz (de naam van de fabriek) maar voor de te beperkte bezoekuren had ik geen geluk.

Vindt onder deze straatstenen nog meer foto’s van Paray-le-Monial
en van de mozaïeken.

Toch was het pas ′s anderendaags, toen ik in het station de trein nam naar Le Creusot, dat ik Paray-le-Monial wat beter begreep. Toen zag ik dat er achter de spoorweg nog een heel stuk Paray ligt, dat omwille van de sporen, het Canal du Centre, de industriële sites en de rivier la Bourbince, vanuit het centrum nauwelijks te bereiken valt, en dat — van op afstand althans — een wat grauwere aanblik biedt. Misschien wonen daar de mensen die het paradijs van Paray draaiende houden, en de oude bewoners, pelgrims en toeristen de zorg geven waar ze om vragen.

 


la France en TER — het traject

Links het traject van 2019, dat ik met een TGV van Tours naar Lille heb afgerond, en rechts het traject van 2022. Montchanin, Dijon, Belfort en Chaumont zijn geen etappes, maar overstapstations, eventueel met een brasserie erbij. Dijon en Chaumont heb ik overigens al herhaaldelijk (en in zeer goed gezelschap) bezocht, en Montchanin is weinig meer dan een station. Blois (in 2019) en Tournus bezocht ik toen ik in Tours of in Chalon logeerde.

En dit is het (trein)verslag van 2019, in het Frans.

treinen en autocars

(naar aanleiding van het busongeval van 10 april 2022 op de E19-autoweg in Schoten)

We hebben treinen — internationale treinen —, spoorwegen en stations. Maar de exploitatie laat vaak te wensen over. De organisatie is nationaal — of zelfs regionaal, zoals in Frankrijk — en door reglementen, manieren van denken en statuten geremd. Om al die obstakels te overwinnen, denken politici aan concurrentie. Als het spoorwegsysteem vast zit, en we kunnen of willen er niets aan doen, al was het maar door echt Europees te denken — een Europees spoorwegbedrijf, met het beste, niet het slechtste van elk? —, kan concurrentie van private treinen, maar ook autocars, daar wel wat aan doen.

In 2015 kreeg de toenmalige Franse minister van economische zaken, Emmanuel Macron, van zijn president François Hollande zowat carte blanche om het interstedelijk reizigersverkeer te liberaliseren. La loi Macron leidde tot de cars Macron. Talrijke Franse en buitenlandse ondernemingen wierpen zich op de markt, waarbij aan lagere prijzen voor een meestal jong en wat minder koopkrachtig publiek reizen werden aangeboden. Die liepen vooral tussen de grote steden, zowat parallel aan de bestaande spoorverbindingen, en niet, zoals verhoopt of althans beweerd, ter opvulling van de steeds groter wordende gaten in het spoorwegnet. Lagere snelheden, minder ruimte en comfort, onzekerheid omtrent de bagage, het deerde de reizigers weinig, die hun duiten liever aan andere dingen besteedden. Het nadeel werd zelfs een voordeel, wanneer het treinverkeer voor de zoveelste keer door een nationale staking getroffen werd.

Ook op andere manieren evolueerde de mobiliteit. Informatica en smartphones gaven de covoiturage of carpooling de efficiëntie die haar lange tijd ontbrak. Blablacar is zo’n deelplatform, waarmee automobilisten die, zeg maar, occasioneel van Étampes naar Auxerre rijden, een plaats aanbieden aan wie ongeveer in dezelfde richting moet.

“Als er concurrentie ontstaat, doen we daar best zelf aan mee”, oordeelden ze bij de Franse spoorwegen. Ze startten met goedkope TGV’s, die op onmogelijke uren uit bijna onmogelijke stations vertrokken, ze zetten een woud van tarieven op, zodat wie zes weken op voorhand wil weten welke trein van Bourges naar Montluçon rijdt, naast de prijs kan lezen dat er nog vier plaatsen beschikbaar zijn, en vooral: ze startten zelf een autocar-bedrijf, Ouibus, om de eigen treinen in de wielen te rijden.

Velen achtten zich geroepen, maar weinigen hielden het stuur stevig vast. Het duurde niet lang of enkele bedrijven moesten de boeken neerleggen, en andere werden opgekocht. Megabus verdween, Flixbus kocht Eurolines, en het noodlijdende Ouibus werd door de SNCF aan Blablacar verkocht. In ruil werd het Franse, openbare spoorwegbedrijf ook aandeelhouder van Blablacar, maar niemand weet of mag zeggen hoeveel. Wie heden een treinreis wil boeken, krijgt van de spoorwegen de vraag voorgeschoteld of hij niet beter met de auto of autocar  zou gaan.

Die autocars zijn niet zonder problemen. Ze blijven veel gevaarlijker dan treinen — maar wel veiliger dan auto’s —, ze verhogen ook het fileprobleem. Om snelle treinen te laten rijden, hebben de overheden de voorbije jaren aanzienlijke sommen in sporen en stations geïnvesteerd, waarna de autocars op de autoweg in de file staan. Wat elektrisch kan (een trein), rijdt op diesel (een autobus). Steden worstelen met de autocars in hun smalle en drukke straten, waar ze de fietsers en voetgangers bedreigen — de treinen en metro’s of trams rijden wél ondergronds —, én met de vraag van de busbedrijven, en van hun reizigers, naar standplaatsen in de nabijheid van de stations. En omdat bagage op straat makkelijk gestolen wordt, eist men politie. Met andere woorden: al wat al bestaat, treinen, sporen, perrons en stations waar je op je trein kan wachten en je bagage niet gestolen wordt, maar dat niet optimaal georganiseerd is, en dat niet voor alle reizigers even prijsvriendelijk is, wordt náást de sporen en náást de stations, en met meer maatschappelijke en ecologische schade en hinder nog eens over gedaan. Zo’n autocar — van Rijsel naar Amsterdam —, die althans deels voor de Franse spoorwegen rijdt, heeft zich vorige zondag op de autoweg in Schoten onzacht tegen de betonnen vangrails gevleid. Op dertig meter van de hogesnelheidslijn.

de Franse groenen tegen de 50-plussers

Om in Frankrijk te mogen deelnemen aan de verkiezingen moet je op de kiezerslijsten staan. In sommige gevallen gebeurt de inschrijving automatisch, maar niet altijd. Dan moet je naar een website, of naar het gemeentehuis waar je woont of een eigendom hebt. Eenmaal je ingeschreven bent, blijf je dat wel. Stemmen is niet verplicht.
Weldra, in juni, zijn er departementale en regionale verkiezingen, en volgend jaar in april, mei en juni nieuwe presidents- en parlementsverkiezingen. Er staat dus veel op het spel, wie wel en wie niet op die lijsten staat. Zowel de overheden als de partijen ondernemen informatie- en sensibiliseringsacties om wie nog niet ingeschreven is te overtuigen het nodige te doen. Vaak en vooral gaat het om jongere mensen. Voor de komende departementale en regionale verkiezingen is 14 mei de uiterste datum.

In Ile-de-France (de regio Parijs) hebben de Franse groenen  — Europe Écologie les Verts, of EELV — met Julien Bayou als lijsttrekker, overigens secrétaire national van de partij, zo’n wervingscampagne opgezet. Met als idee: schrijf je in op de kiezerslijsten om voor het klimaat te kunnen stemmen, want anderen zijn zeker wél te gaan stemmen… maar niét voor het klimaat. Die anderen zijn dan Gérald Darmanin, huidig minister van binnenlandse zaken, Éric Zemmour, polemist, Alain Finkielkraut, filosoof, en… de jagers en de boomers (of babyboomers, wie tussen 1945 en ongeveer 1970 geboren is).


twee beelden uit de campagne van idfecologie

Niet iedereen was gelukkig met die beelden — vooral dat laatste — en de campagne werd snel bijgestuurd. Julien Bayou noemde het une maladresse, une erreur — een onhandigheid, een vergissing.  Maar niet een fout. Begrijp: het mag niet gezegd, maar zo denken we wel.
Het beeld met de boomers werd vervangen door… les fachos.

 

[Er bestaat overigens ook een nationale, officiële website waar iedereen makkelijk, en met meer zekerheid, kan verifiëren of hij of zij op de kiezerslijsten staat.]

de Franse Nederlanden bestaan niet meer ❧

Het jaarboek De Franse Nederlanden-Les Pays-Bas Français verscheen in 2018 voor het laatst op papier. Drieënveertig nummers lang was het door Jozef Deleu in 1976 opgerichte tijdschrift een gedegen tweetalige publicatie van 250 pagina’s met bijdragen over Noord-Frankrijk en zijn verhouding tot Vlaanderen en Nederland. De vzw Ons Erfdeel, uitgever van het jaarboek, besliste de artikels over dat onderwerp vanaf april 2019 te publiceren op de websites >www.de-lage-landen.com en >www.les-plats-pays.com.
De redactie van Ons Erfdeel vroeg me een kort overzicht te geven van de evolutie die de Franse Nederlanden in die vier decennia hebben meegemaakt, en over de kijk van de Noord-Fransen op Vlaanderen (en bij uitbreiding het Nederlandse taalgebied), en omgekeerd.

HIER VIND JE een pdf van de tekst die ik voor Ons Erfdeel schreef en die werd opgenomen in het eerste nummer van 2019 (februari).

In akkoord met de redactie van Ons Erfdeel publiceer ik deze tekst ook op mijn website. Ik maak daarbij graag nog wat publiciteit voor de talrijke andere bijdragen in datzelfde nummer. Dit is een volledige inhoudsopgave van het nummer. En dit is een >link naar de blog van Ons Erfdeel.

* * *

Naschrift

Het bezoek van “de late jaren zestig, vroege jaren zeventig”, zoals ik in de tekst voor Ons Erfdeel schreef, geschiedde wellicht in 1973, vond ik aan de hand van deze foto die mijn vader toen maakte, met de Rijselse Grote Markt en de Oude Beurs.

« Oudere berichten

© 2022 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑