moskenes.be

Jef Van Staeyen

talen en namen in de Groenenhoek

Het is best kosmopolitisch, hier in de Groenenhoek.
Let wel, geef ik toe, als ik de Ring oversteek en langs tram 4 (Lange Leemstraat), tram 9 (Cupérusstraat) of tram 11 (Kleine Beerstraat) meer de stad induik, naar het Jerusalem van Europa, waar de volgelingetjes van Jahweh en David, zij van Allah en Mohammed en zij van Christus en Paulus, of van niemand, op dezelfde plek en tezelfdertijd maar afzonderlijk van elkaar voetbal spelen — Harmonie heet dat, Peter Benoît weet dat —, en waar drie straten verder hun oudere geloofsbroeders en -zusters, elk in eigen habijt maar met dezelfde haast en door geen moreel bezwaar gehinderd de wachtende of uitstappende tramreizigers op het voetpad van hun sokken fietsen, daar, in de stad van de drie goden, die elk de Enige, de Ware zijn, en elk volgens meerdere van elkaar verschillende riten door van elkaar verschillende priesters in verschillende gewaden en verschillende tempels en met verschillende boeken in verschillende talen worden geëerd, daar is het inderdaad veel kosmopolitischer. Om een architectuurcriticus te parafraseren wiens naam me ontsnapt, was het De Busscher of Corboz: de Antwerpenaar heeft geen behoefte aan reizen, in en nabij het Centraal Station vindt hij niet alleen alle bouwstijlen van de wereld en alle dieren van de wereld, maar hoort of ziet hij ook alle talen, alle religies en alle gedragspatronen van alle volkeren van de wereld. Waarbij je bedenkt dat mensen uit verre landen ooit werden aangevoerd om tot vreugd van de lokale burgerij als rariteiten te worden tentoongesteld. Je bent metropool of je bent het niet.

Maar dit gaat over de Groenenhoek.
Kosmopolitisch toch, ook hier, zij het minder, in de Groenenhoek, waar je op straat, in de tram, in de winkels of de sandwichbar heel verschillende talen uit heel verschillende windstreken hoort, met het Nederlands — of juister: diverse varianten van het Nederlands — als onbetwiste lingua franca, als taal die bindt, als taal die samenbrengt. Zuid-Amerikanen, Afrikanen, Oost-Europeanen en Aziaten spreken Nederlands met elkaar. Hoor wel: tussen al die varianten van het Nederlands is het niet de taal van de zogenaamde autochtonen die het dichtst bij het Standaardnederlands aanleunt. Soms lijkt het alsof, terwijl in de ruime regio, zeg maar Zandhoven en Beveren, een vaag Antwerps de plaatselijke streektalen (Kempisch, Waas) heeft verdrukt, het steedse Antwerps onder de invloed van de nieuwkomers wat meer naar het Standaardnederlands gaat neigen. Hún Nederlands is immers zowel naar uitspraak als naar woordenschat en syntaxis niet alleen correcter, maar ook schoner vind ik, dan het Lijfgeurvlaams (of -brabants) dat door sommigen als proeve van verwantschap gebezigd wordt.

namen noemen in de Groenenhoek

Best kosmopolitisch, zeg ik, maar ik vraag me af hoe de nieuwkomers — die slechts een klein deel van de grotere groep kosmopolieten zijn — ooit de weg naar hier gevonden hebben. Tenzij ze er, nabij het station en de tram, net door te dwalen zijn gerarriveerd. Eerder schreef ik hoe de Antwerpse Lijn er alles aan doet opdat de reizigers niet zouden weten wanneer er een tram komt, waarheen die rijdt en aan welke halte hij stopt. Trammen is gokken, zeg maar. Het is echter niet alleen de tram, maar ook de toponymie, de hele plaats- en straatnamenpraktijk in deze wijk, die erop gericht lijkt het dwalen te bevorderen. Is dit hier werkelijk de Groenenhoek, zoals ik in de titel schreef? Of is het te Boelaer, wat makelaars zeggen? Of gewoon aan de Gitschotellei, naar de belangrijkste straat van de buurt? Is dit Berchem? of Borgerhout of Deurne? De straat waar ik woon ligt alvast in Berchem, achter de hoek is het Borgerhout, en vijf straten verder is het Deurne. Ook het station heet Berchem, de uitrit nummer 3 op de Kleine Ring is Borgerhout, en het vliegveld staat bekend als Deurne. Je weet hier in feite nooit waar je bent. Ik bedoel: je weet niet hoe het heet. Mooie namen zijn het wel: Berchem en vooral Borgerhout — is er in Vlaanderen een mooiere naam dan Borgerhout? —, Groenenhoek, Kriekenhof en Eksterlaar. Het klinkt als een immense tuin of boomgaard, waar de vogelen aan de krieken pikken, en soms is het dat bijna ook. Guido Gezelle moet hier op bezoek zijn geweest.

Bus 33 is de lijn waarmee je, behalve in het stadscentrum, in Antwerpen zowat overal komt, dus ook aan Te Boelaar en in de Bikschotelaan. Ooit heb ik het meegemaakt dat ik als passagier, ergens aan de Boekenberglei, een verdwaalde buschauffeur de weg mocht wijzen.
Wat de straatnaam van deze halte betreft: de Brugse Antwerpenaar Lodewijk Van Bercken was voor Antwerpen en de Kempen wat Lieven Bauwens enkele eeuwen later was voor Gent, of zelfs meer. In 1456 ontdekte hij een methode om diamanten te slijpen met een draaiende schijf, olijfolie en diamantstof, om ze zo een regelmatige, letterlijk schitterende vorm te geven.

De straatnaamgevers hebben het de mensen hier extra moeilijk gemaakt. Ze hebben voor verrassingen gezorgd die zelfs voor moedertaalsprekers wel eens valstrikken zijn. De hoofdstraat noemde ik al: de Gitschotellei. Voor wie niet van Antwerpen is: lei is verwant aan leggen. Toch is die Gitschotellei iets minder lei dan ze beweert, want het gaat in essentie om een oude veldweg, weliswaar mooi en breed heraangelegd — ongeveer 30 meter van gevel tot gevel — die ooit Leemstraat geheten heeft, in het verlengde van de Antwerpse Lange Leemstraat ligt, en naar een oude herberg of afspanning leidde. Die Gitschotel uit 1666 eeuw werd in 1938 afgebroken. Een gietschotel hoop ik, geen gif. De belangrijkste dwarsstraat van de Gitschotellei is de Bikschotelaan. Na de Eerste Wereldoorlog, toen deze voorstad groeide, werden talrijke nieuwe straten naar West-Vlaamse martelaar-dorpen genoemd — ik kom daar seffens op terug — en Bikschote, zonder l en met een laan, geen lei, is er daar eentje van.
Tussen Git– en Bikschote en tussen lei en laan is het makkelijk verloren lopen, maar er zijn nog andere verrassingen. Aan de andere kant van de Gitschotellei, ter hoogte van het Te Boelaarpark (ik gebruik hier de actuele spellingsregels) heet de Bikschotelaan Karel De Preterlei (chirurg en burgemeester van Borgerhout). Halverwege de Karel De Preterlei heb je het kruispunt van de drie Karels, met de Karel Van den Oeverstraat (een schrijver) en de Karel Van de Woestijnelei (ook een schrijver, en bijna perfecte tijdgenoot van eerstgenoemde schrijver-Karel — wie van jullie weet nog wie welke Karel is?). Een boogscheut verder verandert de Karel De Preterlei van naam en wordt de Dokter Van de Perrelei. Die man heette niet Karel maar Alfons, was een katholiek politicus en stond mee aan de wieg van de krant De Standaard. Mag je je even inbeelden dat je een buitenlander bent, en dat Nederlands je even vreemd is als Pools voor ons, dan haal je die Karels, die Perres en Preters, die Van-de-namen of die Git- en Bikschotels onmogelijk uit elkaar.
Uitte ik eerder mijn bewondering voor buitenlanders op de tram, ik bewonder ook anderstaligen die een straatnaam kennen.

De Herman Van den Reeckstraat en een van de gebouwen van het waterbouwkundig laboratorium in Borgerhout.
Zoals sommigen met treintjes spelen, wordt in dit in 1933 opgerichte laboratorium met scheepjes, sluizen, zandbanken, getijden en stromingen gespeeld. De manœuvreerbaarheid van schepen en boten, de efficiëntie van baggerwerken of stormweringen, dat alles wordt in dit laboratorium aan de hand van schaal- en digitale modellen bestudeerd.
En wat Herman Van den Reeck betreft (Borgerhout 1904 – Antwerpen 12 juli 1920), hij was een radicaal linkse flamingant, die bij een incident op de Antwerpse Grote Markt op een verboden 11-julibetoging in 1920 door een politie-agent werd neergeschoten. Hij werd niet terstond verzorgd en overleed de dag nadien aan zijn verwondingen. Als ik me niet vergis (en als ik me vergis, zeg je me dat) is Van den Reeck het enige en dus ook laatste dodelijk slachtoffer van de Belgische taalstrijd. Honderd jaar na datum kunnen we ons misschien verheugen over het feit dat de soms hevige taaltwisten weinig bloed hebben geëist.

De Gitschotellei, die wat verder Drakenhoflaan heet (en waar Steve Jackson en Ian Livingstone Guido Gezelle allicht vervangen hebben) verbindt Antwerpen met Borsbeek. Er staan twee rijen bomen langs, en er liggen — bijna — twee parken langs. Bijna, want terwijl het Te Boelaarpark duidelijk zichtbaar erg aanwezig is, ligt het om zijn zwemvijver befaamde Boekenberg wat achterin. Er staan ook mooie huizen langs, in uiteenlopende stijlen, en Eduard Van Steenbergens tuinwijk Unitas  uit 1924 ligt in de buurt. Over zowat de helft van het traject wordt die lei/laan door de tramlijnen 4 en 9 bediend (vroeger 8 en 11, soms vergis ik me nog), en de stratenbouwers hebben de zeldzame maar gelukkige idee gehad de tramsporen aan weerszij van de rij- en parkeerweg, langs de trottoirs (nu de fietspaden), onder de bomen te voeren. Op die manier ontstonden een in verhouding smalle rijweg (minder dan een derde van de straatbreedte, parkeerstrook inbegrepen), en brede voetpaden, die door bomen en trams tegen autogeweld (maar niet altijd genoeg tegen fietsers) worden beschermd. Ramblas zijn het niet, maar het is wel een langwerpig wandelbaar plein, dat op mooie dagen zo wordt gebruikt. Dit dwarsprofiel, samen met de toch wat moeilijke aansluiting aan Antwerpse kant (Zurenborg), én de regeling van de verkeerslichten, met veel rood en weinig groen, zorgt ervoor dat de Gitschotellei relatief minder autoverkeer te slikken krijgt, verkeer dat omwille van de ongelijke kasseien in het Borgerhoutse deel ook wat langzamer (en luidruchtiger) rijdt. Mijn vrees is wel voor de brede voetpaden, dat op een (alles behalve) mooie dag een deskundige met een schema en een norm opdaagt, en op het trottoir een breed nieuw fietspad legt.


In deze buurt met West-Vlaamse frontgemeenten zou je denken dat deze Vosstraat naar de Vlaamse oudstrijders (de Vossen) verwijst, een pacifistische Vlaamsgezinde beweging die in 1919 door frontsoldaten is opgericht.
Vosstraat is echter een heel oude naam, die al in de 16de eeuw werd vermeld.

De straatnaamgevers van het interbellum hebben drie ideeën gevolgd: Griekse en Romeinse mythologische figuren, edelstenen, en (zoals gezegd) West-Vlaamse verwoeste dorpen. De mythologische figuren liggen aan weerszijden van de Gitschotellei. Ik hoop dat ik niemand vergeet, geen goddelijke toorn over me haal, en vermeld Apollo, Bacchus, Diana, Euterpe, Herculus, Juno, Jupiter, Mars, Mercurius, Minerva, Morpheus, Neptunus, Orpheus en Thalia. Op wikipedia vind je wie dat zijn. De edelstenen liggen nabij de spoorweg naar Lier: Amethist, Granaat, Robijn, Saffier, Smaragd, Topaas, Turkoois, of gewoon… Edelgesteente. En daarnaast, van Diksmuide- tot Bikschotelaan, ben je in het verwoeste West-Vlaanderen: Geluwe, Houtem, Kortemark, Langemark, Passendale, Pervijze, Ploegsteert, Ramskapelle, Stuivekenskerke en Zillebeke. Ook enkele niet West-Vlaamse martelaar-dorpen worden geëerd: Haacht, Hofstade en Schaffen. Een (niet zo) oud stadsplan van me (1979) vermeldt ook, met stippellijnen, en nooit uitgevoerd: Boezinge, Lombaardzijde, Wijtschate, en Zemst.
Uiteraard zijn er nog talrijke andere straatnamen in de buurt, waarmee belangrijke mannen worden herdacht, zoals de Borgerhoutse wielrenner Stan Ockers. [Ik moet eens zoeken of ik een vrouw, die geen godin is, bij al die mannennamen vind.] Twee ervan vermeld ik hier speciaal: Lodewijk Van Bercken en Herman Van den Reeck. Wat hen zo bijzonder maakt schreef ik bij de plaatjes.

beweging


Voorrang van rechts, een verbod linksaf te slaan, het einde van een snelheidsbeperking op de Diksmuidelaan: hier huist de Vlaamse Volksbeweging. De vlag met leeuwenkop is versleten: is men vergeten dat het ooit om de ontvoogding van het Vlaamse volk was te doen? Nauwelijks zichtbaar zit er ook een duif op de “lichtbak”. Een blauwvoet heb ik niet gezien.

Een naam als Diksmuidelaan (de brede laan die naar de vlieghaven leidt, en waarop ooit een tram 16 reed) klinkt sommigen als een klok. Recht over elkaar vind je halfweg de straat de Vlaamse Volksbeweging (hoek Passendalestraat) en het Vlaams Nationaal Jeugdverbond (hoek Zillebekelaan). Als die mensen iets willen nuttigen, moeten ze op hun Diksmuidelaan maar één straathoek verder gaan: aan de Ramskapellestraat is er café-restaurant Vrij België, met de naam van een België-gezind, Vlaamsgezind en in Den Haag van 1915 tot 1918 uitgegeven oorlogsweekblad, dat in zekere zin de voorloper van het dagblad De Standaard was (Frans Van Cauwelaert, Julius Hoste jr., Alfons Van de Perre, Gustaaf Sap…). Of er in Vrij België ook Rodenbach op de drankenkaart staat, weet ik nog niet.
Op diezelfde Diksmuidelaan vind je eveneens, zonder band met de naam van de straat, het Vlaams Tram- en Autobusmuseum in de oude stelplaats Groenenhoek (dat te zelden open is) en, op korte afstand van de luchthaven, tussen volksbeweging en vliegbeweging… de Voetgangersbeweging. Er wordt in de Diksmuidelaan dus niet alleen gemarcheerd — en gevlogen, storm op zee! — maar ook gewandeld, geslenterd en gestapt.

Jacob van Berchem voor “de canon”

(nu ga zelfs ik mee in het canon-gedrum)

Het was een Rijselse vriend die het zei, want geen Vlaming had me ooit zijn naam genoemd, Berchem, Van Berchem, n’est-ce pas le nom d’un musicien du XVIème, XVIIème siècle, spécialisé dans la musique de chœur?
En ja, Jacob van Berchem, of de Berchem, Berghem, Bercan… en ook Jacom, Jacques, Jacquet, Jachet, Giachet of Giachetto, was een zestiende eeuws componist van de zgn. Franco-Vlaamse school, die zoals veel van zijn vak- en tijdgenoten vooral in Italië actief was. Hij is in 1505 geboren in het Antwerpse Berchem (en dus niet in het Brusselse Berchem, of in het Luxemburgse, nu vooral bekend om zijn tankstations, het Rijselse Berkem, of een van de talrijke andere Berchems en Berghems ten lande), en overleed wellicht in 1567 in het Zuid-Italiaanse Monopoli (Apulië). Het begrip Franco-Vlaamse componisten, om dit vooraf duidelijk te stellen, verwijst niet naar Frans-Vlaanderen, maar wel naar het feit dat de talrijke succesrijke musici uit de 15de en 16de eeuw, wier werk vaak polyfonisch was, vooral uit Vlaanderen, Henegouwen en Noord-Frankrijk afkomstig waren, en daar in de kerken hun initiële zangvorming genoten hadden. Paul Van Nevel (Huelgas Ensemble) schreef er meermaals over, zoals in “Nicolas Gombert et l’aventure de la polyphonie franco-flamande” (2004, naar een eerdere Nederlandse uitgave uit 1992), of in het muziek-, landschap- en fotoboek met Luk Van Eeckhout, “Het landschap van de polyfonisten – De wereld van de Franco-Flamands” (2018), waarin hij hun muzikale kwaliteiten aan de schoonheid van het Noord-Franse, lichtglooiende, vaak mistige landschap in Artesië en Picardië linkt. Sinds zowat een halve eeuw wordt hun lang vergeten muziek door ervaren musici weer uitgevoerd en op CD’s en andere dragers verspreid. Hun namen zijn Guillaume Dufay, Gilles Binchois, Josquin Desprez, Johannes Ockegem, Jacob Obrecht, Pierre de la Rue, Adriaan Willaert, Cypriano de Rore, Philippus de Monte, Orlandus Lassus, Giaches de Wert en tientallen anderen. Waaronder dus Jacob van Berchem — of zal ik Jacquet de Berchem schrijven? —, uit geografisch oogpunt een randgeval, die mee in Van Nevels Franco-Vlaamse top-100 staat.

Van dit werk van Caravaggio, de Luitspeler, uit 1595, wordt beweerd dat er muziek van Van Berchem op geschreven staat.

Ik baseer me hier op “tertiaire” bronnen: vooral de Frans-, Engels- en Duitstalige wiki-pagina’s over de Berchem — een Nederlandstalige bestaat niet eens, wel zijn er pagina’s in het Italiaans, het Pools en het Galicisch (NW-Spanje) —, op enkele muziekwebsites (zoals >discogs.com, of >Choral Public Domain Library), en op eerder ingewonnen informatie (zoals omtrent het hof van Este in Ferrara).

Jacob van Berchem wordt pas voor het eerst vermeld in 1539, wanneer de Venetiaanse muziekuitgever Antonio Gardano een aantal van zijn werken in een verzamelbundel opneemt. Wellicht is Van Berchem daar een leerling geweest van Adriaan Willaert (Rumbeke, circa 1490 – Venetië, 1562), die als stichter van de Venetiaanse school en dus wegbereider van Claudio Monteverdi wordt beschouwd. Van Berchems faam in Venetië groeit snel, hij treedt in contact met andere musici en met de plaatselijke prominenten, onder wie de doge, en in 1546 wordt voor het eerst een bundel met eigen madrigalen gepubliceerd.
Van 1546 tot 1550 is Jacob van Berchem kapelmeester aan de kathedraal van Verona, maar hij lonkt naar het hof van Ferrara. Een aantal van zijn werken draagt hij op aan graaf d’Este, waaronder zijn Capriccio, op een selectie van 91 verzen uit Ludovico Ariosto’s Orlando Furioso (Ariosto had zijn meesterwerk tussen 1506 en 1516 voor graaf d’Este aan diens hof in Ferrara geschreven, en daarbij een erfelijke lijn van zijn verhaal naar het geslacht d’Este geconstrueerd). Niets wijst er op dat Van Berchem in Ferrara aangeworven werd, en hij trekt meer zuidwaarts, naar Rome en Monopoli, waar hij in 1553 een rijke adellijke dame huwt, en er door de plaatselijke religieuze en wereldlijke machthebbers in bescherming wordt genomen.

Jacob Van Berchem heeft weinig religieuze werken nagelaten: slechts twee missen en negen motetten kunnen met zekerheid aan hem worden toegeschreven. Ze zijn veeleer traditioneel, onder meer met canons. [En als je dan leest wat een canon is, weet je meteen waarom sommige politici en cultuurbewakers zo canon-gezind zijn: eerst is er één die zingt, waarna de anderen exact hetzelfde zingen.]
Het œuvre aan wereldse muziek is veel groter, met vooral Italiaanse polyfonische en homofonische madrigalen en Franse chansons. Onbeantwoorde liefde is het belangrijkste thema, op teksten van Petrarca, Ariosto, Tansillo en anderen. Vele van zijn liederen werden gepubliceerd, en tot in de 17de eeuw wijd verspreid.
François Rabelais, in zijn proloog tot le quart livre des faicts & dicts heroïques de Pantagruel” (1546), beschrijft een uitgelezen koor met de befaamdste musici uit zijn tijd, zoals Iosquin des Prez, Ollzegan, Hobrethz, De la Rue (…) en Iacquet Bercan, chantans melodieusement… een scabreus chanson dat ik hier niet citeer.

Nee, ik start geen actie, geen facebook-groep om die onbekende bekende Berchemnaar in de canon te krijgen, maar een straatnaam mag wel, en vooral aandacht voor zijn muziek.

 

waarom Google-Brussel voor Frans- en Nederlandstaligen niet hetzelfde is

Soms is een waarheid zó groot dat zelfs een wetenschapper ze niet ziet.

‘Google zegt niet langer alleen hoe we ons moeten verplaatsen, maar ook waar we naartoe moeten gaan’. Op 4 december stond er een boeiend artikel van Annelien Smets in Knack. Smets is onderzoeker imec-SMIT/ VUB, en werkt aan een doctoraat omtrent de invloed van algoritmische personalisatie. Zij betoogt dat Google ons gedrag meer en meer bepaalt, zowel in de virtuele als in de fysieke openbare ruimte. Over deze tekst gaat het hier niet, maar ik raad wel de lezing aan.

Onderaan Annelien Smets’ bijdrage was er een link naar een eerder artikel, op 7 augustus, waarin Knack-journaliste Saskia Naafs een onderzoek van diezelfde Annelien Smets presenteerde: ‘Hoe Google Maps Vlamingen en Franstaligen in Brussel van elkaar weghoudt’.  Daarover gaat het hier wel.

Ik citeer: De VUB heeft meer dan duizend cultuurtips, hotels en restaurantsuggesties in Brussel bekeken op Google Maps. Ben je als Nederlandstalige gebruiker van de populaire navigatiedienst op zoek naar een restaurant in de hoofdstad, zo bleek, dan schotelt hij vrijwel alleen adresjes in het centrum voor. Ben je Franstalig, dan krijg je suggesties verspreid over de stad. ‘Voor de restaurants vonden we 70 procent verschil tussen de Franse en Nederlandse zoekresultaten’, zegt promovenda Annelien Smets, die het onderzoek uitvoerde. ‘Dat is opmerkelijk.’
Een eenduidige verklaring daarvoor heeft Smets niet. Het algoritme van Google is als een geheim recept, buitenstaanders krijgen er geen inzicht in. Het zou bijvoorbeeld met de taal van de restaurantrecensies te maken kunnen hebben, of met betaalde advertenties. Waar het niét mee te maken heeft is de instelling van Smets’ computer: die was nieuw, en de zoekgeschiedenis werd telkens gewist. De resultaten zijn maar ten dele beïnvloed door de locatie vanwaar ze zocht. Annelien Smets deed haar onderzoek immers ook vanuit het rijkere Sint-Pieters-Woluwe en het armere Sint-Jans-Molenbeek, en vond daarbij slechts 20 procent verschil, veel minder dan de talige 70%.

Annelien Smets heeft groot gelijk waar ze stelt dat we ons ervan bewust moeten zijn dat Google ons handelen beïnvloedt. Maar Google staat daarin niet alleen. Werd er al onderzoek uitgevoerd naar de adviezen die bijvoorbeeld de tijdschriften Knack en Le Vif/L’Express hun respectieve lezers geven? Wijzen die naar dezelfde, of andere gelegenheden? [Toegegeven, met Knack en Le Vif/L’Express weet je dat het verschillend is, met Google ben je je daar niet van bewust.]

Voor ik verder ga, moet gezegd dat het woordje ‘Hoe’ uit de titel van Knack (Hoe Google Maps Vlamingen en Franstaligen in Brussel van elkaar weghoudt’) uiteindelijk nergens op slaat, want het belangrijkste dat Annelien Smet zegt, is dat ze niet weet hoe. Een eenduidige verklaring heeft ze niet. Zo’n eenduidige verklaring kan ik echter wel suggereren. Ze is zo groot als een huis, zo groot dat weinigen ze zien. Zelfs in politieke analyses van België wordt ze vaak over het hoofd gezien.

Het lijkt logisch dat Google bij het selecteren van antwoorden (in casu restaurants) rekening houdt met het taalkader waarin de vraag wordt gesteld (voor België zijn dat Nederlands, Frans, Engels en Duits), én met de antwoorden die door eerdere vraagstellers in diezelfde taal als interessant werden beschouwd, dat is aangevinkt. Als er in een lijst van bijvoorbeeld tien restaurants vijf door ‘Nederlandstaligen’ vaak worden aangevinkt, zullen de andere vijf snel uit de Nederlandstalige lijst verdwijnen en door nieuwe vervangen worden. Idem dito voor de Franstaligen en de Franstalige lijst.
Van de Franstalige Belgen woont ongeveer 20% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van de Nederlandstalige Belgen is dat slechts 3 tot 4%. ‘Brussel’ weegt zwaar in Franstalig België — ook politiek —, in Nederlandstalig België is het een pluimgewicht. Pas die cijfers desnoods wat aan, de grootte-orde blijft bestaan. Als Google een in het Frans gestelde vraag krijgt, is de kans groot dat ze van een ‘Brusselaar’ komt, iemand die ergens in Molenbeek, Woluwe, Elsene of Ukkel woont. De kans dat die Brusselaar een restaurant in Brussel zoekt is overigens veel groter dan voor iemand uit La Louvière, Neufchâteau of Verviers. Krijgt Google een in het Nederlands gestelde vraag, dan is de kans veel kleiner dat ze van een ‘Brusselaar’ komt, maar wel van een Gewest-Vlaming die van Brussel enkel de kortste weg van het Noord-Station (of Groot-Bijgaarden) tot zijn werkplek kent, plus eventueel enkele culturele instellingen. De eersten zijn vertrouwd met de restaurants die over het Gewest verspreid of verloren liggen, ze hebben ze in het verleden al aangevinkt, misschien zelfs bezocht. De tweeden kennen vooral of enkel het centrum; in Ukkel of Elsene zijn ze nooit geweest — en het aantal VUB-ers (in Elsene, waar de campus ligt) is allicht niet talrijk en/of kapitaalkrachtig genoeg om de zoekresultaten in hun richting te trekken.

Google-Brussel is anders voor Franstaligen dan voor Nederlandstaligen, omdat Brussel zelf anders is. Voor de een is het vaak een thuis, voor de ander meestal elders.

 

Sinterklaas en de georganiseerde leugen

deze tekst gaat niet over Zwarte Piet
deze tekst gaat niet over het kruis op de mijter van Sinterklaas
deze tekst gaat niet over de commercie die veel van de handelingen van Sinterklaas vergezelt

 

Er is een discussie ontstaan over Sinterklaas, over de georganiseerde leugen waarmee wij, volwassenen en grote kinderen, de kleine kinderen voorliegen dat de Sint bestaat en hen cadeautjes brengt, en over de schade die we hen daarmee zouden berokkenen. Voortrekker van de discussie is de filosoof Maarten Boudry, die naar zijn zeggen zelf lang in de Sint heeft geloofd, en blijkens andere van zijn verklaringen ook nu nog vaak op Hem vertrouwt.

Toch even dit, als bijdrage aan de discussie.

Mijn kinderen vonden (vinden) Sinterklaas het tofste feest van het jaar. We vierden het nochtans zonder ceremoniële of materiële overdrijving.

Ook ik vond Sinterklaas het tofste feest van het jaar. Het is veel plezanter wanneer iedereen cadeautjes krijgt (van een mysterieuze Sint), dan wanneer je de enige bent. Het eenvoudige ceremoniële karakter (met liedjes, wensen, giften e.d.) trok me erg aan. Bovendien is het evenement een waanzinnig goede oefening in… geduld, wanneer je al vanaf september eerst de maanden, dan de weken, de dagen en tenslotte de uren en minuten gaat tellen tot Hij komt, en daarbij eerst onzeker bent over wat je bij voorrang wenst, en daarna over Zijn ultieme antwoord op die wens. “Geduld is een schoon deugd”, en Sinterklaas is de beste gelegenheid om ze te leren.

Maar vooral: uit pedagogisch oogpunt is het doorprikken van een georganiseerde leugen een van de beste levenslessen die een kind kan leren. Daar komt veel wijsheid van. Het is een vroege, grote stap in de volwassenwording.
Kinderen (en volwassenen) worden immers overstelpt met georganiseerde leugens, en het kan heus geen kwaad die allemaal kritisch te bekijken, bij te stellen, en waar nodig te doorprikken. Ik geef enkele voorbeelden (waarvan de meeste trouwens door het onderwijssysteem gedragen worden):

  • de georganiseerde leugen dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet,
  • haar universele evenknie: de georganiseerde leugen dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren,
  • de Franse versie: Liberté, Égalité, Fraternité,
  • de georganiseerde leugen dat de volksvertegenwoordigers het volk vertegenwoordigen,
  • … dat de rechtbanken recht spreken,
  • … dat de Staat (in al zijn vertakkingen, tot en met Europees) zijn burgers tegen technologische en natuurlijke rampen, sluipende vergiftiging, malafide bedrijven en terroristische aanslagen beschermt, zich ontfermt over de slachtoffers die ondanks die bescherming toch zouden bestaan, en hen daarbij moreel, materieel en juridisch daadwerkelijk ondersteunt,
  • … dat de pers vrij is,
  • … dat de geschiedenis zoals ze wordt verteld ons zegt hoe het verleden was,
  • … dat competitie tussen economische actoren op een perfect geëffend veld het optimum van maatschappelijke organisatie is,
  • … dat wie financiële schuld heeft ook morele schuld heeft,
  • … dat men in oude boeken dwingende richtlijnen kan lezen voor het leven, voor het denken en het doen,
  • … dat wie de beste schoolresultaten heeft ook het meest bekwaam is om in het beroepsleven te slagen,
  • etc.

Let wel: het doorprikken van die georganiseerde leugens betekent niet noodzakelijk het weggooien ervan. Sommige kan je inderdaad best zo snel mogelijk vergeten of bestrijden, andere vergen veeleer vervolmaking. Bijvoorbeeld: ernaar streven dat alle mensen effectief vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren — er is werk aan de winkel —, of dat rechtbanken recht spreken.
En, om bij dat laatste voorbeeld te blijven: soms is het best te doen alsof. Doen alsof de rechtbanken recht spreken, al weet je dat dat niet altijd het geval is, omdat in rechtbanken (ondanks of omwille van de wet) veel wat krom is recht wordt gesproken, en wat recht is krom wordt gesproken. Maar als je het rechtssysteem in zijn geheel verwerpt, verlies je meer dan je wint. Met veel van die georganiseerde leugens kan je dus best doen zoals met Sinterklaas: heel lucide doen alsof hij bestaat, en van hem de beste “cadeaus” verwachten. Soms brengt hij die toch. En heb je ze dubbel en dik verdiend.

« Oudere berichten

© 2019 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑