Jef Van Staeyen

Tag: literatuur (Pagina 1 van 13)

Beppe Fenoglio

Het was Sien Volders, sociaal werker en schrijver [Noord, 2017, Oogst, 2020], die in De Standaard (4 september 2025) de leessuggestie gaf: Beppe Fenoglio (Alba, 1922 – Turijn, 1963). Inmiddels heb ik drie romans van hem gelezen: Een privékwestie (Una questione privata, 1963), De laatste dag (La paga del Sabato, letterlijk het loon van de zaterdag, 1969), en nu Doem (La Malora, 1954).
Fenoglio’s romans spelen zich af in de Langhe, de heuvels van Piëmont ten zuiden van Turijn, waarvan Alba de belangrijkste stad is. Fenoglio was in 1944 en ’45 actief in het gewapend verzet van de partizanen tegen de door fascisten gesteunde Duitse bezetters. Die strijd is een van de belangrijkste thema’s van zijn werk. De drie boeken die ik (tot nu toe) las spelen vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

Doem speelt zich af vóór de oorlog. Agostino, zoon in een arm boerengezin, wordt uitbesteed als knecht aan een bijna even arm gezin, tegen betaling van een jaarlijks bedrag van zeven goudstukken. Zowat alles komt aan bod uit het leven op de boerderijen en in de stadjes van de streek. De armoede zelf, de honger, het pachten, de verhouding tot de baas, en tot de baas boven baas, het uithuwelijken van dochters en de bruidsschat die de ouders betalen (vier goudstukken, of toch vijf ?), de trouwfeesten, de herbergen als bron van informatie en de markt waar kinderen als arbeidskrachten verhandeld worden, de altijd dreigende ziekten, de militaire dienstplicht en de pogingen eraan te ontsnappen, de priesteropleiding en de houding van de kerk. De taal is eenvoudig, en vaak brengt Fenoglio heel terloops belangrijke elementen waarmee hij de maatschappelijke verhoudingen lijnscherp tekent.
Eén voorbeeld: Bij Emilio, een broer van Agostino, die seminarist is in Alba, wordt tbc vastgesteld. Hij wordt gedumpt door de kerk.

Zijn superieuren hadden hem meteen door hun dokters laten onderzoeken en ze hadden tbc vastgesteld, die hij al voor hij naar het seminarie ging onder de leden had. Alles wat wij in Alba gedaan hebben is het in ontvangst nemen van het bericht, en mijn moeder het beantwoorden van de vragen, of het al eerder was voorgekomen in de familie. Zij en ik wrongen onze handen, zoals wanneer de storm over ons land jaagt, toen begon de dokter mijn moeder uit te leggen wat ze allemaal moest doen als ze Emilio weer thuis had, en onze pastoor zei tegen mij apart dat helaas niets ter wereld hem nog kon redden, als er nog een sprankje hoop was geweest, dan hadden de priesters hem naar hun eigen ziekenhuis gestuurd in plaats van hem naar huis te sturen om bij zijn familie te sterven.

Opvallend is de kleine breuk in de chronologie. Het verhaal begint met de dood van de vader — Het regende boven alle heuvels, daarboven in San Benedetto had mijn vader zijn eerste bui onder de grond te pakken — waarna het snel terugschakelt en de extreme miserie beschrijft. Vader sterft halfweg het verhaal, wanneer hij in een waterput valt. Agostino loopt zes uur naar huis: Toen ik in het dorp aankwam werd het net donker, ik zag van bovenaf ons huis beneden (…), ik had het gevoel dat het dak al het gewicht van de hemel droeg…

[In blurb staat vaak onzin, zo ook op dit boek. Volgens de blurb op de achterflap van Doem, dixit De Bezige Bij, komt Agostino terecht bij een hebzuchtige en strenge boer. Die boer, Tobia, is echter niet hebzuchtig maar arm. En hij is streng voor zichzelf, voor zijn vrouw, zijn twee zonen en zijn knecht Agostino, die hij nagenoeg als een zoon behandelt, om als boer het hoofd boven water te houden.]

Een privékwestie speelt tijdens de oorlog, na de Italiaanse capitulatie op 8 september 1943 toen Duitse troepen het grootste deel van het land bezetten, en een burgeroorlog tussen fascisten en partizanen begon.
Milton, een partizaan die strijdt in de heuvels rond het stadje Alba, ontdekt dat de vrouw op wie hij als jongeman verliefd was allicht een relatie had met zijn jeugdvriend Giorgio. Hij wil daar meer over weten, maar Giorgio is inmiddels gevangen genomen door de fascisten. Om hem vrij te kopen wil Milton op zijn beurt en zonder steun van zijn kameraden — een privékwestie — een fascist gevangen nemen. [Aan beide kanten worden gevangenen vaak snel gedood.] Zijn poging loopt faliekant af. Doorheen het verhaal brengt Fenoglio op vaak sobere wijze de wreedheden en ontberingen van de oorlog.

De laatste dag is een na-oorlogs verhaal, waarin  de partizanenstrijd sterk aanwezig blijft.
Let op : plotbederver.
Ettore kan moeilijk wennen aan een geregeld leven met een vaste job, een baas en een moeder. Hij sluit zich aan bij twee oude kameraden (een genie en een sukkel) die allerlei gewelddadige misdrijven plegen (vooral door afpersing van fascisten), waardoor hij snel veel geld verdient. Wanneer zijn liefje zwanger blijkt evolueert hij geleidelijk. Eerst begint hij een job als zelfstandig vrachtwagenchauffeur (het beroep dat hij beweerde uit te voeren, zoals hij tot zijn ouders zei, wanneer hij met zijn kompanen op het criminele pad was) en vervolgens investeert hij in een mooi, modern benzinestation met neonreclame — hét symbool van moderniteit. Op de dag van zijn allerlaatste transport wordt hij door zijn medewerker (de sukkel Palmo, die hij kwaadschiks heeft aangeworven) doodgereden. De moeizame overgang van oorlogsheld via misdadiger tot echtgenoot, huisvader en ondernemer wordt bruusk gebroken. Dat traject is ook niet rechtlijnig geweest. Wanneer hij door zijn toekomstige schoonfamilie uiteindelijk wordt aanvaard — hij heeft eerst een flink pak rammel gekregen omdat hij de dochter heeft onteerd — en met hen en hun ruwe manieren aan tafel zit, overdenkt hij dat hij voor de rest van zijn leven echtgenoot en vader zal zijn. Twintig, dertig jaar, veertig jaar met deze vrouw samenleven. Ik moet er niet aan denken! Dat is zo’n gevangenis…
Stylistisch sterk zijn onder meer het wijzigend vertelperspectief, van “hij” (vooral Ettore zelf) voor korte tijd naar “ik” (Ettore), plots weer “hij” (midden een hoofdstuk) en ook een keer “ik” voor Palmo, en weeral de sobere stijl die je als lezer soms verrast.  Bijvoorbeeld bij het plotse ongeval. Ettore en Palmo gaan vaten alcohol vervoeren, die van een treinwagon in de vrachtwagen moeten worden overgebracht. Ettore controleert de loodjes.

Hij keek achterom en zag zijn vrachtwagen het perron op rijden, achter de voorruit zag hij Palmo met een brede grijns op zijn kop, alsof hij zeggen wilde kijk eens hoe goed ik rij; Ettore gebaarde met zijn hand dat hij moest gaan keren en naast de wagon moest komen staan. Hij draaide zich weer terug om het touwtje stuk te slaan, hij hoorde de vrachtwagen naderbij komen. Hij werd in zijn rug gegrepen, zijn verbaasde ogen vulden zich met het rood van de wagon, hij voelde zijn borstkas kraken als een rieten mand die in elkaar wordt gedrukt.

Van Fenoglio, voor wie geen nederlandstalige wikipedia-pagina bestaat — ik zou toch denken dat een uitgever of een vertaler zoiets doet —, is in het Nederlands ook nog De drieëntwintig dagen van de stad Alba (1952) verschenen, al in 1982 uitgegeven door Peter van der Velden in zijn Italiaanse bibliotheek.
In het Frans zijn, behalve de genoemde titels, ook nog gepubliceerd: Le Printemps du guerrier (1959), La Guerre sur les collines (Il partigiano Johnny, 1968),  L’Embuscade (1992), La Louve et le Partisan (Appunti partigiani, 1994) en La Permission et autres nouvelles. [De data zijn die van de Italiaanse uitgaven. Meerdere van de latere publicaties zijn bewerkingen door andere auteurs.]

Verhaeren in Sint-Amands-aan-de-Schelde

Lise Duclaux, “les errances naturelles” (impossible de les reconduire à la frontière) — Roger Raveel, “Waterkant”

Met een klein maar mooi museum op de eerste verdieping van de bibliotheek eert Sint-Amands-aan-de-Schelde de franstalige Vlaamse auteur Émile Verhaeren, die in 1855 in het dorp geboren is, en in 1916 in Rouen overleed. Verhaeren was een dichter (les Campagnes hallucinées, les Villes tentaculaires, Toute la Flandre…), ook schrijver van theaterteksten en essays, en een prominente figuur in de internationale wereld van kunsten en literatuur. In 1899 werd hij door koning Albert benoemd tot poète national — dichter des vaderlands.
Het museum houdt vaak tentoonstellingen, en tot 30 november is dat Langs de Waterkant – Au bord de l’eau, met grafisch werk van een twaalftal kunstenaars en teksten van vier auteurs. Het museum is een stille, intieme ruimte, stijlvol ingericht door Monique Verelst, waarin de tentoongestelde werken mooi tot hun recht komen. Een plezier voor de ogen.
Zo’n honderd meter daarvandaan, aan de oever van de Schelde, staat sinds 1927 het praalgraf van Émile Verhaeren en zijn vrouw, de Luikse schilderes Marthe Massin. [Zij overleed in 1931 en werd in 1955 in het graf bijgezet, toen ook een eerste versie van het museum geopend werd.]

Onlangs (september 2025) besliste de Vlaamse minister van cultuur Caroline Gennez de jaarlijkse subsidie van 80.000 euro voor het museu in twee stappen af te schaffen. Een halvering in 2026 en een volledige schrapping in ’27. De lokale neringdoeners zullen er niet onder lijden — ze leven vooral van de wielertoeristen — maar wat het betekent voor het museum en zijn mooie initiatieven, of voor de herinnering aan de ooit geprezen literator is onzeker.

Een straatnaambordje in het museum — “Au bord”, olie op doek, 1999, Robert Van Dromme — “Rive, Sint-Amands, 27.05.2020”, fotografische afdruk, Jacques Vilet — het praalgraf aan de Schelde.

Austerlitz — W.G. Sebald

Austerlitz van W.G. Sebald is een prachtig boek. Een boek om te hebben en telkens weer vast te nemen. Na het bij de bibliotheek te hebben geleend, na het te hebben gelezen, heb ik het bij De Groene Waterman gekocht. Het is het verhaal van een vierjarig jongetje dat in 1939 in Praag op de trein naar Londen wordt gezet om aan de Jodenvervolging te ontkomen. Die alles vergeet, soms ongelukkig en dan weer gelukkig is. Wien beelden uit zijn oudste herinneringen soms toch zijn dromen verstoren, en die op bijna vijftigjarige leeftijd op zoek trekt naar zijn eigen geschiedenis, naar die van zijn ouders en wat er met hen is gebeurd, en breder naar wat de Joden door de nazi’s, hun bondgenoten en meelopers is aangedaan.  Jacques Austerlitz vertelt dat alles aan een naamloze luisteraar, schrijver van het boek, die hij in 1967 in het Centraal Station van Antwerpen toevallig ontmoet, en tot 1996 zal blijven ontmoeten.

Lees hier.

Edgar Allan Poe in Antwerpen: Alegria! Alegria! — Patrick Conrad

De straten van Antwerpen is een boek uit 1993, samengesteld door Koen Vergeer en uitgegeven door Atlas Amsterdam / Antwerpen. Een bloemlezing. Ze bevat dertig teksten, vooral verhalen, soms een gedicht, die op de een of andere manier aan de straten van Antwerpen zijn gelinkt. Die link is vaak heel zwak — zelden staat de straat centraal, soms is het niet meer dan een wat toevallige plek. Uitzonderingen zijn De weg naar het niemandsland van Sus van Elzen over de Cogels-Osylei, en Het einde van de wereld is nabij van Paul Snoek over braspartijen in het schrijvers- en kunstenaarsmilieu in de V.E.C.U. en het nabije Conscienceplein. [Wat Snoek daar beschrijft komt goed overeen met wat Jeroen Brouwers in Vlaamse Leeuwen schreef.] Maar het meest Antwerps zijn allicht de teksten van Maurice Gilliams: Sterven te Antwerpen en Notities over Antwerpen. Dat mag geen verrassing zijn.

Gilliams

Als ik door sommige straten wandel, waar de witte huizen glanzen van de verse verf, waar het koper aan naamplaten en deurklinken van het geregeld poetsen afgesleten is: — waarom zou ik over die wandeling een andere opmerking verwachten, dan dat men dáár in geen geval de lokale Antwerpse kleur moet gaan zoeken. Doch die straten van kooplieden en verzekeraars, van dokters en advocaten, zal ik steeds als de belangrijkste en meest vervaarlijke beschouwen, omdat ik ze betreed met herinneringen aan ziekten en betwiste erfenissen, aan mislukte beursspeculaties en scheepsrampen die de vooroorlogse (1914) wereld definitiever en schandelijker tot ondergang doemden dan heden het geval is.

Het boek is wat slordig uitgegeven. Geen enkele tekst en geen enkele publicatie is gedateerd. De keuze lijkt erg willekeurig — nergens wordt ze verklaard — en de kwaliteit is — of: vind ik — ongelijk.

Conrad

Een uitschieter is Alegria! Alegria! van Patrick Conrad, uit de gelijknamige verhalenbundel, die volgens Wikipedia in 1972 verscheen.
Loop nu niet naar de Otto Veniusstraat nr 7, waar het verhaal zich afspeelt. Het is niet Antwerpser dan de belastingsdienst in de Lange Nieuwstraat, de winkel Cecil op de Meir waar Antoine Depaepe een stel gele lederen laarsjes koopt, of de vitrines van de Innovation met naakte, kale mannequins.
Dertig jaar geleden kocht Antoine Depaepe voor de liefde een levensechte pop die nu plots zwanger lijkt: eerst haar borsten en dan haar buik zwellen op. Depaepe vraagt zich af wie de vader is, want de liefde bedrijven kan hij niet meer. Het slot vertel ik niet, het had door Edgar Allan Poe geschreven kunnen zijn.
[Let ook op de stijl van dit uittreksel, dat de verwarring van de hoofdpersoon goed weergeeft.]

Rond halftien die avond. De jaarlijkse vakantie was juist voorbij en Depaepe was niet van huis gegaan, hij kon Musidora immers geen drie weken in de kleerkast achterlaten, en daarbij wat kon hij meer verlangen dan dag en nacht voor haar te zorgen, over haar te waken — ontdekte hij, terwijl hij haar oksels met opopanax parfumeerde, dat haar lichaam weer veranderd was, duidelijker plots, en het zweet brak hem uit, koud en hij rilde en met een ruk bracht hij zijn hand voor zijn mond, als om een kreet van afgrijzen, blijdschap en wanhoop te smoren, en met wijd opengesperde ogen staarde hij naar het wulpse, grenzeloze lijf van zijn bleke pop, het drachtig dier, dat zich schaamteloos op de sofa uitstrekte. Ditmaal was er geen twijfel mogelijk, Musidora was zwanger.
« Oudere berichten

© 2025 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑