Jef Van Staeyen

Tag: literatuur (Pagina 1 van 14)

Annelies Verbeke schrijft grappige verhalen

Laatst begon ik aan Dertig dagen, van Annelies Verbeke. Ik ben er snel mee gestopt. Misschien onterecht. Alhoewel.
Dertig dagen begint zo:

Hij rijdt door het warme, klare weer, door het landschap dat hem vreemd blijft maar waarvan hij aarzelend is gaan houden. Soms mist hij de stad nog, de kleuren, de geluiden, de afleiding. Hier is het anders, niet slechter. De bloesems en het gezoem van de lente zijn overgegaan in een veelbelovende zomer die voor een teveel aan regen op de vlucht sloeg en dan terugkeerde om de nakende herfst te verwarren. De velden zijn nog zompig. Alsof ze niet dof en vlekkerig worden, knikken de boomkruinen vol ingehouden bravoure naar de lucht, onophoudelijk: laat maar komen. Hoppalen torsen dikke bellen, dronken van zichzelf, klaar voor oogst. Eenzaam stof waait op en strandt in plassen. Rotondekunst toont dieptepunten. Hij weet niet zeker of dit alles hem sterkt dan wel bedwelmt.

Dat noem ik maniërisme, met de rotondekunst als tegenpool. Nee: als keerpunt. Ik heb het boek opzij gelegd. Niet na die ene paragraaf, maar toch niet veel verder. Wel genoeg om te beseffen dat Annelies Verbeke de lezers graag op het verkeerde been zet. Omtrent de hoofdpersoon Alphonse. [Misschien doet ze dat ook met de stijl, zal ik dra merken, en is haar alles behalve ingehouden bravoure in deze korte tekst een soort rotondekunst. Misleidend.]
Het is Verbeke’s watermerk: je weet niet wie of wat het hoofdpersonage is, zijn of haar identiteit. Soms vergis je je zelfs, als voor Alphonse van Dertig dagen. Zo toont ze de relativiteit van identiteit, de identiteit van anderen, in dit geval van personages, en de identiteit van onszelf. Waarom willen we als lezer zo graag weten of een personage een man is of een vrouw, een droom of een robot? Verandert de betekenis van een tekst als de identiteit van het personage plots omslaat? Kiezen we identiteit, of wordt ze ons opgedrongen?

Dat is wat in een ander boek van Annelies Verbeke zo prachtig is, Treinen en kamers, een verhalenbundel. Verbeke is sterk in verhalen. In feite besef je snel dat je elk verhaal minstens twee keer moet lezen, omdat je pas laat de ware aard van een personage ontdekt, en/of omdat een tweede verhaal een nieuw licht op een eerste werpt. Er zit ook veel fijnzinnige humor in. Verbeke schrijft grappige verhalen. Een aanrader.
[Misschien geldt dat ook voor Dertig dagen. Ga ik lezen.]

(aanvulling 21 februari 2026)
Dertig dagen heb ik nu ook gelezen. Het boek aarzelt tussen een bundel verhalen — waar Verbeke beroemd voor is — en een roman. Waarom dertig ? Veertig ware misschien correcter geweest, want de hoofdpersoon Alphonse is een Christus-figuur die dertig dagen lang goede daden stelt en zelfs wonderen verricht. Een man van goedheid die nooit twijfels kent — wat Jezus van Nazareth heel uitzonderlijk wel heeft gehad. Het verhaal speelt in de grensoverschrijdende, Frans-Belgische Westhoek, en is in opdracht geschreven voor het project 300jaargrens.eu / 300ansdefrontière.eu . Dat merk je wel: soms lijkt het of Annelies Verbeke een lijstje met plekken heeft afgevinkt, en daarbij alleen het carnaval van Duinkerke vergeten is — wellicht paste dat niet in de kalender van de dertig dagen. Sommige gegevens zijn er wat kunstmatig bijgehaald: de beledegende PSG-spandoeken in het stadion van Lens, de afschaffing van het grensarbeidersstatuut… Wat wel heel sterk is, is hoe ze toont dat de grensoverschrijdende Westhoek, die we wat makkelijk als een uithoek zien, in feite in het centrum ligt, zoals het dat honderd jaar geleden met de Eerste wereldoorlog ook al was.

de draaischijf — Tom Lanoye

nee, geen draaischijf, maar de toren van de Bourla-schouwburg

Het is de ultieme parade tegen kritiek: de auteur, in casu Tom Lanoye, schuift zijn tekst in de schoenen van zijn hoofdpersonage, de theaterman — acteur, regisseur, intendant, directeur — Alex Desmedt, die hij nauwelijks zelf geschapen heeft. Als lezer sta je alleen met je frustraties. Want wat je goed vindt in het boek, is des auteurs werk. Alhoewel: veel lag op de schabben van het Letterenhuis, dossier Joris Diels, of in andere historische bronnen. En wat je minder goed vindt, waar je kritiek op hebt, zijn de woorden van een dode man onder de verse modder van zijn graf op het Schoonselhof. Een verbitterde oude man die bijna vijfhonderd dichtbedrukte pagina’s nodig heeft om zich te rechtvaardigen en om de eer op te eisen die hem niet wordt toegekend. Een eer, het moet gezegd, die zelfs zonder bedenkelijke oorlogsgeschiedenis theatermensen postuum zelden toekomt. Theater is de meest vluchtige van alle kunsten, ze verdampt terwijl je ze uitvoert. ‘Mijn werk heeft mij niet overleefd. Het stierf, iedere avond, zodra het voordoek viel.’ (hfdst I.5, pagina 86) Is het lot van de Alex Desmedt uit het boek niet dat van elke tonelist?

cliffhangers

De zoektocht naar volle zalen ten spijt heeft mijn werk altijd alleen maar ten dienste gestaan van mezelf. Op alle vlakken wilde ik alleen maar betere versies scheppen van mezelf, omdat ik de originele versie zo lamlendig, laf en onbetekenend vond,’ (hfdst. III.1, p.187)
Prachtig en boeiend — en leerrijk — is wat Lanoye schrijft over theater, en dat is heel veel. Het is niet voor niets zijn métier. Lanoye is een theatermonument. Hij schrijft en onderneemt heel veel. Heeft hij tijd om waar nodig te herschrijven, om stil te staan bij wat hij geschreven heeft? Dat is de vraag die ik me bij De draaischijf stel. Het boek lijkt op een eerste worp, waarin Lanoye alles zet, voor hij aan het schikken, herschikken, schrappen en herschrijven kan gaan. Maar dat niet doet.

Het verhaal overspant de jaren voor, tijdens en kort na de tweede wereldoorlog in Antwerpen, waarna het naar Den Haag verhuist en er met de studentenopstand en de cultureel-maatschappelijke alles-in-vraag-stelling van de jaren zestig wordt geconfronteerd, alvorens in het Antwerpse Hoboken samen met de hoofdpersoon langzaam uit te doven. De begraafplaats Schoonselhof, waar het verhaal eindigt en de vertelling begint, ligt in de voormalige gemeente, nu district Hoboken, waar Alex Desmedt in een klein bejaardenflatje woont. Op zijn oude dag heeft hij alle tijd en kansen de monumentale graven en het gewenste én verwenste erepark van de stedelijke begraafplaats alvast te verkennen. Het ontlokt hem krachtige reacties op wie er ligt. Meteen het boeiendste deel van het boek — waar we allicht veel meer Lanoye horen dan Desmedt. Het is een vroeg hoogtepunt, nog net vóór pagina honderd van de bijna vijfmaal zoveel.

Dat is een zwak punt: de kwaliteit van het boek daalt met het klimmen van de paginanummers: zit de structuur aanvankelijk nog slim in elkaar, dan volgen vanaf zowat een derde van de tekst vaak zogenaamde ‘cliffhangers’. Het boek telt vijf delen, elk met een handvol hoofdstukken, en elk van die hoofdstukken telt een aantal verhalen, als ik ze zo mag noemen. Ik heb ze niet geteld. Nagenoeg allemaal eindigen ze met een korte alinea, soms een besluit, maar vaak ook een deurtje naar wat volgt, als was het een feuilleton in de krant. ‘Dat was buiten mijn broer gerekend.’ (II.2, p.133) ‘Maar daar lag het kalf gebonden. De supermoderne machinerie bleek een catastrofe.’ (IV.4, p.297) ‘Wat ik ga vertellen, mag dit gebouw niet verlaten.’ (IV.4, p.315) ‘Dan komt er een vierde verhaal à charge op de proppen.’ (V.3, p.398) etc. etc. De herhaling van zo’n stijlfiguur gaat flink vervelen.

Oude God

Lanoye doorspekt zijn verhaal met talrijke Antwerpse gebeurtenissen uit de vooroorlogse, oorlogse en onmiddellijk na-oorlogse periode. Gebeurtenissen die voor het merendeel het gezamenlijk, enigszins scheefgetrokken historisch kader vormen waardoor de hedendaagse Antwerpenaars naar de geschiedenis van hun stad kijken — en die met weinig moeite op wikipedia te vinden zijn. [De kleinere elementen, de sfeer van die tijd, cafés, restaurants, menu’s, adressen, fietsbanden, radiodistributie… zullen meer opzoekingswerk hebben vereist.] Maar er zijn ook niet-Antwerpse lezers, die dat niet allemaal weten, en ik moet erkennen dat de Antwerpse Kristallnacht van paasmaandag 14 april 1941 (IV.2, p.242) me als specifiek gebeuren onbekend was, of onder andere gelijkaardige feiten was ondergesneeuwd.
De relatie van de historische feiten tot het verhaal is echter ongelijk, om niet te zeggen soms krakkemikkig. Héél sterk is het hoe Lanoye in een kolerige uithaal van Rik Desmedt (Alex zijn oudere broer, en geniale dirigent aan de Koninklijke Vlaamse Opera) de jodenhaat vertolkt, en daarmee woorden geeft aan wat toen, voor de oorlog, allicht onder brede lagen van de bevolking leefde (II.3, p.144), of hoe Alex zelf de plaag van de Joodse vluchtelingen in het station ervaart (II.1, p.112), of de volkswoede na de bevrijding ondergaat, en samen met andere echte of vermeende collaborateurs in de Zoölogie wordt opgesloten (IV.5, p.346), maar zwak is de manier waarop hij bij de bombardementen op de Erla-fabrieken in den Ouwe God betrokken wordt (IV.1, p.215) — in het boek heel administratief Mortsel Oude God genoemd — of getuige is van een van de grote razzia’s van april 1942 (IV.3, p.259, p.268). Andere gebeurtenissen worden op een bijna journalistieke wijze verteld (de vliegende bommen, hfdst V.2, p.375), en helemaal bij de haren getrokken wordt het bij de biecht van een ondervrager (Desmedt zit opgesloten in de Begijnenstraat en moet voor de krijgsraad verschijnen), die over de Vlaamsche Landsleiding vertelt (V.3, p.391). Allicht had Lanoye er beter aan gedaan zijn personage even het zwijgen op te leggen en zich direct tot de lezers te richten om hen het historisch kader in herinnering te brengen, dat Desmedt en vele van zijn tijdgenoten allicht deels was ontgaan — een korte stijl- en perspectiefwissel naar het voorbeeld van enkele korte stukken theaterscript met regie-aanwijzingen elders in de tekst (pp.145, 256, 453). Hij had een onderscheid kunnen maken tussen wat de mensen toen wisten, wat Desmedt kon weten in zijn graf (omstreeks 1990, vermoed ik) en wat historici nu weten. Over het Amerikaanse bombardement op den Erla bestaan andere inzichten dan wat Alex Desmedt beweert, en op twee andere punten — OK, veeleer details — lijkt het me dat de huidige kennis de toenmalige gedachten of woorden heeft besmet. In hoofdstuk I.2 (p.41) droomt de Stadtkommissar van de reconstructie van Rubens’ huis op de Wapper, ‘een lang, smal plein dat uitliep op de Meir’, een plein dat echter pas in 1977 is aangelegd, en in dat jaar ook Wapper genoemd, op wat tijdens de oorlog nog een huizenblok was tussen Rubensstraat en Wappersstraat (naar de schilder Gustaaf Wappers). [De reconstructie van het Rubenshuis in de Rubensstraat startte in 1937. Al vanaf 1880 had de stad gepoogd het gebouw te verwerven.] En er is de naam van de Bourla schouwburg, zoals hij voortdurend wordt genoemd. Het lijkt me weinig waarschijnlijk dat het gebouw van het Théâtre Royal Français, later van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, vóór de restauratiewerken van 1991 tot 1993 al Bourla werd genoemd. Het was nog geen monument, het was gewoon een ouderwets theater, dat weldra door een moderne Stadsschouwburg (met draaischijf!) vervangen ging worden. [In het boekwerk Antwerpen 1860-1960 dat de stad in 1960 publiceerde lees ik ‘1934. De K.N.S. vestigt zich in het “Théâtre Royal” aan de Comedieplaats.’  Overigens spreekt een gelijkaardig boek uit 1965 over ‘invoering van “de draaischijf”‘ (!) in 1965-1966, waarmee de uitwisseling van voorstellingen tussen de Brusselse KVS, het Gentse NTG en de KNS wordt bedoeld.] Het Centraal Station noemt Alex Desmedt daarentegen wel consequent de Middenstatie, de naam die het toen had. Al zegt hij ook, iets te vaak, onze spoorwegkathedraal. [De herhaling van dergelijke wat grootsprakerige kwalificaties past allicht beter in een theatertekst dan in een roman, en gaat irriteren: de oorlogsburgemeester als poelepetaat (denk aan poule pintade, parelhoen), de ingewandenlezer August Borms (waarom?), de brulboeien Staf De Clercq en Jef Van de Wiele…] Terloops: café Paon Royale (p.202) is een spelfout — tenzij het naar schabouwelijk Antwerps Frans verwijst. Allemaal details, het moet gezegd, maar het zijn er veel.

pleidooi

Bijna vijfhonderd pagina’s lang is De draaischijf de getuigenis van één man, een egocentrische man, die niet twijfelt aan zichzelf, of dat althans niet laat merken. ‘Alleen op de planken komen hij [de bewonderde acteur en nazi-coryfee Kurt Köpler] en ik tot leven. En daarom kan ons weinig worden aangerekend daarbuiten. Zeg maar: niets.’ (IV.4, p.345) Of heeft het retrospectieve karakter, een mémoire veertig jaar na de feiten, alle twijfels bij hem weggevaagd? De karakters missen diepgang, ze zijn plat — broer Rik is zowat een uitzondering. Ze evolueren ook nauwelijks, tenzij heel plots. Alex Desmedt zelf blijkt plots een hufter voor zijn team. Lea, zijn Joodse echtgenote (die zo mooi is en zo goed kan acteren, en zo geduldig is) slaat plots helemaal om, en Sonja, de brave maar bewonderende secretaresse blijkt een jaloerse bedgenoot. Ze evolueert, maar blijft evenzeer een gesloten boek. Andere personages hebben geen naam: onze kleedster — ze gaat nochtans jaren mee. De ik-persoon Alex blijkt blind voor wat er gebeurt, en Lanoye met hem. Ook hier weer die sfeer van een “eerste worp” van een tekst, die nog herwerkt moest worden.

Lanoye wordt vaak geprezen om zijn stijl. Terecht. Hij schrijft zoals mensen praten, zoals mensen praten hier. Daar zitten soms rijke uitdrukkingen bij. Toch zitten in De draaischijf ook beelden en uitdrukkingen waarvan de kracht me ontgaat. ‘De platitudes [van een lange toespraak van Seyss-Inquart bij de opening van het Deutsches Theater in den Niederlanden in Den Haag] zoemen talrijker in het rond dan moerasmuggen in een zomernacht.’ (IV.4, p.331) ‘Het [onuitgesproken verlangen weer samen op de planken te staan] hing onbestemd tussen ons in, als een zwerm fruitvliegen.’ (V.4, p.414)

Zeer teleurstellend is de passage waarin Alex terecht staat voor collaboratie, en zijn zaak na een onverwachte getuigenis totaal verloren lijkt, maar Lea opstaat en ongevraagd zijn verdediging opneemt (hoofdstuk V.3, pagina’s 403 en 404). ‘Lea vraagt het woord niet, ze neemt het.’ begint de tekst. Een pagina verder: ‘Taal was ons echte huwelijksbed.’ En tenslotte: ‘Het pleidooi van Lea komt erop neer dat …’
Met andere woorden: een theaterauteur (Tom Lanoye) laat een theaterauteur aan het woord (Alex Desmedt) die verhaalt wat een bedreven en gedreven actrice die alle klassiekers kent (Lea Liebermann) ter verdediging van haar geliefde voor de rechtbank verklaart — wellicht de belangrijkste woorden uit het boek, de belangrijkste uit haar leven — maar hij citeert haar niet. Hij zegt waar het op neer komt

draaischijf

In de noot van de auteur op pagina 476 verklaart Tom Lanoye het ontstaan van zijn boek. ‘Na de eerste lezing van onze Faust-bewerking (OustFaust) troonden ze me in het Koninklijk Theater van Den Haag mee naar de kelder omdat ik weigerde te geloven dat zich daar nog steeds het mechaniek bevond van het draaitoneel van het Deutsches Theater in den Niederlanden. Daar en toen werd het idee voor dit boek geboren.’ En zijn titel.
Toch is heel die draaischijf-historie uiteindelijk niet meer dan een anekdotisch element, waar het verhaal ook zonder kan. Om onduidelijke redenen wordt het Antwerps gezelschap onder leiding van zijn directeur Alex Desmedt naar Den Haag gevraagd, om een nagenoeg onzichtbare technische klus te klaren, die noch de Duitsers noch de Nederlanders wilden uitvoeren: het afstellen van de pas geplaatste draaischijf, die nog niet correct heeft gewerkt. Als bedankje krijgen ze twee kaartjes voor de plechtige openingsvoorstelling van het Deutsches Theater in den Niederlanden, en mogen ze Göring en Goebbels groeten. Het enige belangrijke resultaat in dat verhaal — waarbij Desmedt in het lang en het breed de immense voordelen van een draaitheater beschrijft, alsof hij er een aan zijn stad wil verkopen; paradoxale voordelen, want als regisseur heeft hij voor de modernisering van het theater de realistische decors naar de magazijnen verwezen — is de breuk met de technicus Jean. Uit jalousie, hij is verliefd op Lea. Een halve breuk, want blijkbaar houdt diezelfde Jean na de bevrijding en tijdens de epuratie Alex en Lea van op afstand een hand boven het hoofd. Uiteindelijk zijn dat feiten die in een verhaal ook in de Bourla of de Antwerpse opera hadden kunnen gebeuren.

‘Beknoptheid behoort niet tot de deugden van de Nederlandse Shakespeare [Vondel]. Tot die van de echte Shakespeare evenmin’  (IV.4, p.294) stelt Alex Desmedt. Maar dat geldt evenzeer voor zijn verhaal.
Ook hier, of vooral hier, had geschrapt kunnen worden, tenzij een heel-Nederlandse inhoud nodig werd geacht. Het boek had er zijn titel en zijn ontstaansgeschiedenis bij ingeschoten, maar wel aan kracht kunnen winnen. Uiteindelijk blijft er nóg genoeg Haags van de na-oorlogse periode, wanneer Alex in de KNS niet meer wordt geduld.
Ik sta versteld van al wat je op het internet kan vinden over Joris Diels en zijn echtgenote Ida Wasserman. Van de door Tom Lanoye in zijn verhaal vermelde toneelstukken in de Haagse periode vind je in de Theaterencyclopedie de data van de premières en de namen van de regisseurs, acteurs, etc. Zó dicht zit Lanoye bij de historische feiten. [Maar toen de Haagsche Comedie in maart 1950 Het huis van Bernarda Alba van Federico García Lorca bracht, in een regie van Joris Diels en met Ida Wasserman als moeder van Bernarda — niet als Bernarda zelf — liep dat wel beter af dan in het boek wordt verteld.] Er is tijdens de oorlog ook effectief een draaischijf geïnstalleerd voor het Deutsches Theater in den Niederlanden in Den Haag. Joodse vluchtelingen hebben er op de zolder verborgen gezeten. Göring en Goebbels zijn er geweest. Allemaal zoals Lanoye vertelt, maar of men beroep heeft gedaan op een team uit Antwerpen om de machinerie aan de praat te krijgen, de spots op te hangen en de kostuums klaar te leggen, zoals in zijn boek, is onduidelijk. Onwaarschijnlijk, zou ik zeggen.
Maar zelfs als het waar zou zijn, is die omweg in de roman het stuk teveel.

sterren ★★★★★

Kortom, over theater is De draaischijf een uitstekend boek, zelfs meer dan dat, over de oorlogsgeschiedenis van Antwerpen valt er wat te leren, maar als roman kan het aan ander werk van Lanoye niet tippen. Denk aan Sprakeloos. Of ook, als het om vlotlezende, avontuurlijke boeken gaat, aan De monstertrilogie, of Het derde huwelijk. Al die sterren in de recensies van de pers, waarom staan die er? Aan De draaischijf heb je meerdere dagen leesplezier; hebben al die recensenten héél het boek gelezen, en daarop hun oordeel gebouwd?  Of zich tot een selectie beperkt? Is Lanoye misschien te groot en te belangrijk om tegen hem in te gaan?

 

In een eerdere versie van deze tekst maakte ik een vergelijking tussen het Wapper-anachronisme van Lanoye en een anachronisme uit Jeroen Olyslaegers’ “Wil”. Die vergelijking heb ik geschrapt. Overigens staan er wel degelijk een anachronisme én een onjuiste straatnaam in “Wil”. [U zoekt het zelf maar uit. Wie het niet vindt, kan het me vragen.] Uit de mond (of de pen) van een politie-agent, die zoiets beter moet weten. Alhoewel: ook hij is oud, en begint te hallucineren. En: kan een schrijver worden aangewreven wat zijn personage vertelt?

Beppe Fenoglio

Het was Sien Volders, sociaal werker en schrijver [Noord, 2017, Oogst, 2020], die in De Standaard (4 september 2025) de leessuggestie gaf: Beppe Fenoglio (Alba, 1922 – Turijn, 1963). Inmiddels heb ik drie romans van hem gelezen: Een privékwestie (Una questione privata, 1963), De laatste dag (La paga del Sabato, letterlijk het loon van de zaterdag, 1969), en nu Doem (La Malora, 1954).
Fenoglio’s romans spelen zich af in de Langhe, de heuvels van Piëmont ten zuiden van Turijn, waarvan Alba de belangrijkste stad is. Fenoglio was in 1944 en ’45 actief in het gewapend verzet van de partizanen tegen de door fascisten gesteunde Duitse bezetters. Die strijd is een van de belangrijkste thema’s van zijn werk. De drie boeken die ik (tot nu toe) las spelen vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

Doem speelt zich af vóór de oorlog. Agostino, zoon in een arm boerengezin, wordt uitbesteed als knecht aan een bijna even arm gezin, tegen betaling van een jaarlijks bedrag van zeven goudstukken. Zowat alles komt aan bod uit het leven op de boerderijen en in de stadjes van de streek. De armoede zelf, de honger, het pachten, de verhouding tot de baas, en tot de baas boven baas, het uithuwelijken van dochters en de bruidsschat die de ouders betalen (vier goudstukken, of toch vijf ?), de trouwfeesten, de herbergen als bron van informatie en de markt waar kinderen als arbeidskrachten verhandeld worden, de altijd dreigende ziekten, de militaire dienstplicht en de pogingen eraan te ontsnappen, de priesteropleiding en de houding van de kerk. De taal is eenvoudig, en vaak brengt Fenoglio heel terloops belangrijke elementen waarmee hij de maatschappelijke verhoudingen lijnscherp tekent.
Eén voorbeeld: Bij Emilio, een broer van Agostino, die seminarist is in Alba, wordt tbc vastgesteld. Hij wordt gedumpt door de kerk.

Zijn superieuren hadden hem meteen door hun dokters laten onderzoeken en ze hadden tbc vastgesteld, die hij al voor hij naar het seminarie ging onder de leden had. Alles wat wij in Alba gedaan hebben is het in ontvangst nemen van het bericht, en mijn moeder het beantwoorden van de vragen, of het al eerder was voorgekomen in de familie. Zij en ik wrongen onze handen, zoals wanneer de storm over ons land jaagt, toen begon de dokter mijn moeder uit te leggen wat ze allemaal moest doen als ze Emilio weer thuis had, en onze pastoor zei tegen mij apart dat helaas niets ter wereld hem nog kon redden, als er nog een sprankje hoop was geweest, dan hadden de priesters hem naar hun eigen ziekenhuis gestuurd in plaats van hem naar huis te sturen om bij zijn familie te sterven.

Opvallend is de kleine breuk in de chronologie. Het verhaal begint met de dood van de vader — Het regende boven alle heuvels, daarboven in San Benedetto had mijn vader zijn eerste bui onder de grond te pakken — waarna het snel terugschakelt en de extreme miserie beschrijft. Vader sterft halfweg het verhaal, wanneer hij in een waterput valt. Agostino loopt zes uur naar huis: Toen ik in het dorp aankwam werd het net donker, ik zag van bovenaf ons huis beneden (…), ik had het gevoel dat het dak al het gewicht van de hemel droeg…

[In blurb staat vaak onzin, zo ook op dit boek. Volgens de blurb op de achterflap van Doem, dixit De Bezige Bij, komt Agostino terecht bij een hebzuchtige en strenge boer. Die boer, Tobia, is echter niet hebzuchtig maar arm. En hij is streng voor zichzelf, voor zijn vrouw, zijn twee zonen en zijn knecht Agostino, die hij nagenoeg als een zoon behandelt, om als boer het hoofd boven water te houden.]

Een privékwestie speelt tijdens de oorlog, na de Italiaanse capitulatie op 8 september 1943 toen Duitse troepen het grootste deel van het land bezetten, en een burgeroorlog tussen fascisten en partizanen begon.
Milton, een partizaan die strijdt in de heuvels rond het stadje Alba, ontdekt dat de vrouw op wie hij als jongeman verliefd was allicht een relatie had met zijn jeugdvriend Giorgio. Hij wil daar meer over weten, maar Giorgio is inmiddels gevangen genomen door de fascisten. Om hem vrij te kopen wil Milton op zijn beurt en zonder steun van zijn kameraden — een privékwestie — een fascist gevangen nemen. [Aan beide kanten worden gevangenen vaak snel gedood.] Zijn poging loopt faliekant af. Doorheen het verhaal brengt Fenoglio op vaak sobere wijze de wreedheden en ontberingen van de oorlog.

De laatste dag is een na-oorlogs verhaal, waarin  de partizanenstrijd sterk aanwezig blijft.
Let op : plotbederver.
Ettore kan moeilijk wennen aan een geregeld leven met een vaste job, een baas en een moeder. Hij sluit zich aan bij twee oude kameraden (een genie en een sukkel) die allerlei gewelddadige misdrijven plegen (vooral door afpersing van fascisten), waardoor hij snel veel geld verdient. Wanneer zijn liefje zwanger blijkt evolueert hij geleidelijk. Eerst begint hij een job als zelfstandig vrachtwagenchauffeur (het beroep dat hij beweerde uit te voeren, zoals hij tot zijn ouders zei, wanneer hij met zijn kompanen op het criminele pad was) en vervolgens investeert hij in een mooi, modern benzinestation met neonreclame — hét symbool van moderniteit. Op de dag van zijn allerlaatste transport wordt hij door zijn medewerker (de sukkel Palmo, die hij kwaadschiks heeft aangeworven) doodgereden. De moeizame overgang van oorlogsheld via misdadiger tot echtgenoot, huisvader en ondernemer wordt bruusk gebroken. Dat traject is ook niet rechtlijnig geweest. Wanneer hij door zijn toekomstige schoonfamilie uiteindelijk wordt aanvaard — hij heeft eerst een flink pak rammel gekregen omdat hij de dochter heeft onteerd — en met hen en hun ruwe manieren aan tafel zit, overdenkt hij dat hij voor de rest van zijn leven echtgenoot en vader zal zijn. Twintig, dertig jaar, veertig jaar met deze vrouw samenleven. Ik moet er niet aan denken! Dat is zo’n gevangenis…
Stylistisch sterk zijn onder meer het wijzigend vertelperspectief, van “hij” (vooral Ettore zelf) voor korte tijd naar “ik” (Ettore), plots weer “hij” (midden een hoofdstuk) en ook een keer “ik” voor Palmo, en weeral de sobere stijl die je als lezer soms verrast.  Bijvoorbeeld bij het plotse ongeval. Ettore en Palmo gaan vaten alcohol vervoeren, die van een treinwagon in de vrachtwagen moeten worden overgebracht. Ettore controleert de loodjes.

Hij keek achterom en zag zijn vrachtwagen het perron op rijden, achter de voorruit zag hij Palmo met een brede grijns op zijn kop, alsof hij zeggen wilde kijk eens hoe goed ik rij; Ettore gebaarde met zijn hand dat hij moest gaan keren en naast de wagon moest komen staan. Hij draaide zich weer terug om het touwtje stuk te slaan, hij hoorde de vrachtwagen naderbij komen. Hij werd in zijn rug gegrepen, zijn verbaasde ogen vulden zich met het rood van de wagon, hij voelde zijn borstkas kraken als een rieten mand die in elkaar wordt gedrukt.

Van Fenoglio, voor wie geen nederlandstalige wikipedia-pagina bestaat — ik zou toch denken dat een uitgever of een vertaler zoiets doet —, is in het Nederlands ook nog De drieëntwintig dagen van de stad Alba (1952) verschenen, al in 1982 uitgegeven door Peter van der Velden in zijn Italiaanse bibliotheek.
In het Frans zijn, behalve de genoemde titels, ook nog gepubliceerd: Le Printemps du guerrier (1959), La Guerre sur les collines (Il partigiano Johnny, 1968),  L’Embuscade (1992), La Louve et le Partisan (Appunti partigiani, 1994) en La Permission et autres nouvelles. [De data zijn die van de Italiaanse uitgaven. Meerdere van de latere publicaties zijn bewerkingen door andere auteurs.]

Verhaeren in Sint-Amands-aan-de-Schelde

Lise Duclaux, “les errances naturelles” (impossible de les reconduire à la frontière) — Roger Raveel, “Waterkant”

Met een klein maar mooi museum op de eerste verdieping van de bibliotheek eert Sint-Amands-aan-de-Schelde de franstalige Vlaamse auteur Émile Verhaeren, die in 1855 in het dorp geboren is, en in 1916 in Rouen overleed. Verhaeren was een dichter (les Campagnes hallucinées, les Villes tentaculaires, Toute la Flandre…), ook schrijver van theaterteksten en essays, en een prominente figuur in de internationale wereld van kunsten en literatuur. In 1899 werd hij door koning Albert benoemd tot poète national — dichter des vaderlands.
Het museum houdt vaak tentoonstellingen, en tot 30 november is dat Langs de Waterkant – Au bord de l’eau, met grafisch werk van een twaalftal kunstenaars en teksten van vier auteurs. Het museum is een stille, intieme ruimte, stijlvol ingericht door Monique Verelst, waarin de tentoongestelde werken mooi tot hun recht komen. Een plezier voor de ogen.
Zo’n honderd meter daarvandaan, aan de oever van de Schelde, staat sinds 1927 het praalgraf van Émile Verhaeren en zijn vrouw, de Luikse schilderes Marthe Massin. [Zij overleed in 1931 en werd in 1955 in het graf bijgezet, toen ook een eerste versie van het museum geopend werd.]

Onlangs (september 2025) besliste de Vlaamse minister van cultuur Caroline Gennez de jaarlijkse subsidie van 80.000 euro voor het museu in twee stappen af te schaffen. Een halvering in 2026 en een volledige schrapping in ’27. De lokale neringdoeners zullen er niet onder lijden — ze leven vooral van de wielertoeristen — maar wat het betekent voor het museum en zijn mooie initiatieven, of voor de herinnering aan de ooit geprezen literator is onzeker.

Een straatnaambordje in het museum — “Au bord”, olie op doek, 1999, Robert Van Dromme — “Rive, Sint-Amands, 27.05.2020”, fotografische afdruk, Jacques Vilet — het praalgraf aan de Schelde.

« Oudere berichten

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑