moskenes.be

Jef Van Staeyen

Tag: literatuur (pagina 1 van 4)

Above the Waterfall, Ron Rash — leesadvies

Ik dacht aanvankelijk een lees-aanrader te schrijven, maar weet het niet meer.

Af en toe lees ik boeken in het Engels. Dat lukt me wel. Met John Steinbeck, bijvoorbeeld, of Mark Twain, oud spul. Of met verhalenbundels: lukt er één niet, dan de andere wel. Dus toen ik een mooie kritiek las (in het Frans…) van Ron Rash’s Above the Waterfall, dacht ik dat ik dat wel kon lezen. Niet in de besproken Franse vertaling (Un silence brutal), en evenmin in de Nederlandse (Boven de waterval), maar in het Amerikaanse Engels van Rash. Er zitten veel dialogen in het verhaal, gesprekken van gewone mensen, en met een Nederlandse vertaling heb je gauw het risico dat het taaltje je niet naar North-Carolina en de Appalachen voert, maar naar Noord-Holland en Tuindorp Nieuwendam. Sferen die botsen.

Het risico is wel dat je zo’n oorspronkelijk Amerikaans boek, dat overzee geleverd moet worden, niet eerst open doet, voor je het koopt. Dus was ik verrast toen ik het las.

Though sunlight tinges the mountains, black leatherwinged bodies swing low. First fireflies blink languidly. Beyond this meadow, cicadas rev and slow like sewing machines. All else ready for night except night itself. I watch last light lift off level land. Ground shadows seep and thicken. Circling trees form banks. The meadow itself becomes a pond filling, on its surface dozens of black-eyed susans.

Nu ben ik benieuwd wat zoiets geeft in het Nederlands, en nog meer in het Frans, maar toen ik het las — lezen is een groot woord — dacht ik dat ik me had miskocht. Ik begreep geen jota van wat ik zag. Zelfs in een Nederlandse tekst staan er wel ‘s woorden die ik niet begrijp, of niet precies begrijp, een vogel, een bloem, een gereedschap…, maar daar lees ik dan overheen, zoals wellicht elke lezer dat doet, totdat ik het woord vaak tegenkom, of merk dat het in het verhaal wél belangrijk is. Zo ook in het Engels. Soms ontdek ik uiteindelijk wat de betekenis is, al had ik het voordien nooit opgemerkt. Pristine, bijvoorbeeld— Collapse, Jared Diamond —, ongerept. Of zoek ik het op, omdat het me boeit. Zoals cutting squid in Steinbecks Tortilla Flat: het snijden van pijlinktvissen, of calamari, voor velen, niet mij, een lekkernij.

Above the Waterfall was blijkbaar geen boek om in bed of in een luie stoel te lezen: lezen en hérlezen, en/of opzoeken (op het web of in een papieren woordenboek) stond me voor. Gelukkig las de rest van het boek toch wat makkelijker dan de inleiding waaruit ik bovenstaande tekst heb gelicht.
Dit is, twee pagina’s verder, het begin van hoofdstuk one:

Where does any story really begin? One thing can’t happen unless other things happened earlier. I could say this story began with an art class I took in ninth grade, or broken promises, one by Becky Shytle and one by me, or that it began where a shirtsleeve got caught by a hay baler’s tines.

Dat laatste zijn de tanden van een hooipers, in een overigens veel makkelijkere zin. Later blijkt dat het boek rond twee ik-personen draait: een sheriff, Les, drie weken voor zijn pensionering, hier aan het woord, en een parkwachter, Becky, in Shenandoah National Park, met poëtische ambities, die later in het verhaal ook gedichten schrijft. En toont hoe je dat doet.

soothes the talon-rake of owl and hawk.
I rewrite the line to balance the consonants.
heals the talon-rake of hawk and eagle.

Vaak is het niet nodig de woorden te verstaan, om de poëzie te horen, zegt ze ook — een opluchting voor een lezer als ik.

You don’t have to understand the words, I tell them [de kinderen van de natuurklas]. Just let the sounds enter you, the same as everything else you see and smell and touch today.
The flock [of black starlings on a blond, mown hay field] lifts again and this time keeps rising, a narrowing swirl as if sucked through a pipe and then an unfurl of rhythm sudden sprung, becoming one entity as it wrinkles, smooths out, drifts down like a snapped bedsheet. Then swerves and shifts, gathers and twists. Murmuration: ornithology’s word-poem for what I see.

Vaak is Ron Rash’s proza pure poëzie.
Toch kan het riskant zijn een onbegrepen woord over te slaan.

Land levels and I ride slow, a clock-winding pedal and pause. A pickup from Virginia sweeps past, leads me back thirty years to my grandparents’ farm. There, old license plates were a scarecrow’s loud jewelry. Wind set the tin clinking and clanking. But the straw-stuffed flour-sack faced stayed silent. Those first months after my parents gave up and set me to the farm, I’d sometimes stand beside the scarecrow, hoe handle balanced behind my neck, arms draped over. Both of us watchful and silent as the passing days raised a green curtain around us. Soon all we could see was the sky, that and tall barn planks the color of rain.

Ik had er eerst óver gelezen, en pas bij herlezing, met woordenboek — a scarecrow is een vogelverschrikker, en a hoe een schoffel — zag ik het prachtige beeld. Becky, de parkwachter, was als kind betrokken bij een schietpartij op school, waarna ze maandenlang geen woord meer heeft gezegd. Het leven op de boerderij van haar grootouders en het contact met de natuur heeft haar uit de stilte gered. Ook Les heeft drama’s beleefd, die de lezer beetje bij beetje ontdekt, maar heeft in zijn laatste weken ook nog zware problemen op te lossen, die hem in conflict brengen met zichzelf. [De taakomschrijving van een sheriff, zoals ze blijkt uit het boek, heeft me wel verrast.] De hoofdstukken Becky en de hoofdstukken Les vullen elkaar af, tot Les’ verhaal te spannend wordt en op een ontknoping wacht, die de schrijver Ron Rash heel handig meermaals voor zich uit duwt. Wat als effect heeft dat Becky’s teksten geleidelijk aan hinderlijk worden voor wie (te snel?) die ontknoping zoekt. Best spannend, de whodunit (en whydidhe), maar een pageturner, om zoals De Standaard der Letteren te spreken, wordt het daarom nog niet. [In dSL wordt zo vaak over pageturners geschreven dat ze stilaan een hele pageturnkring bijeen moeten hebben. Dat gaat wel over.]

Ron Rash (1953) heeft een boodschap. Of heeft zelfs meerdere boodschappen: de liefde voor de natuur (die kwetsbaar is, door de mensen verloederd wordt, maar toch veerkrachtig blijft); het geloof in God, aan wie we al die mooie natuur te danken hebben — de pracht van de ons omringende natuur is een voorschot op de hemel die ons is beloofd —; de capaciteit van elke mens om beter (of slechter) te zijn dan hij door zijn afkomst is voorbestemd; de immense gevaren van hard drugs (meth, of crystal meth, methamfetamine); en de liefde voor woorden en taal. Wat al bij al een zeer christelijke boodschap is. Een 21ste eeuwse Amerikaanse Gezelle in proza, bijna, maar zijn voorbeeld heet Hopkins (Gerard Manley –, die andere priester-dichter, 1844-1889). En wat voor Gezelle een schrijverke, een krinklend winklend waterding is, is voor Ron Rash a writing spider.
Dáár, die boodschappen bedoel ik, hamert hij op. Misschien wel te veel en te vaak. Beetje bij beetje schiet het boek uit het evenwicht waarop het is gebouwd. De parallelle hoofdstukken met Becky en Les zijn aanvankelijk boeiend, en hun confrontatie, wanneer het hun vertrouwen of wantrouwen in de oude Gerald betreft, is een van de sleutels van het boek — heeft Gerald al dan niet benzine in de rivier gedropt, boven de waterval, waardoor de prachtige forellen sterven, waar hij toch zo van houdt? — maar die parallel, dat evenwicht valt niet te houden wanneer het verhaal spannend wordt, naar zijn ontknoping gaat, en Becky’s natuurbeschrijvingen, herinneringen en poëzie als leeslast ervaren worden. Ron Rash onderwijst creatief schrijven en poëzie (poetry and fiction writing) aan de Western Carolina University in Cullowhee, North Carolina, en dat merk je wel. Soms toont hij bij wijze van spreken alle truken van de trukendoos. Wat neigt naar academisme. Dat is jammer, voor een overigens meer dan lezenswaardig boek, waaraan je veel plezier beleven kan.

 

P.S.: Nog een nieuw woord geleerd: petrichor, de geur van regen op droog land

Watou 2019, nu weet ik wat saudade is

(Ik begin met een antwoord aan Michiel Leen, ‘veteraan van elf opeenvolgende edities intussen’, in www.de-lage-landen.com, >Zintuiglijkheid wint het van Saudade op Kunstenfestival Watou, die stelt dat ‘Watou een verre verplaatsing’ vereist, want — zoals de redactie van de-lage-landen erbij vermeldt — het ligt ‘in de Westhoek, een afgelegen vlek in Vlaanderen.
Dat hangt af van waar je vertrekt.)

 

Als Rijselnaar bereik ik Watou al sinds dertig jaar op zijn Vlaams langs de achterdeur, via een smalle weg op de grens die Gemenestraat heet, maar wel erg lieflijk is. Eén editie heb ik sindsdien vrijwillig gemist — ik ga niet meer, besliste ik toen —, misschien zelfs twee, en daar heb ik nadien toch spijt van gehad. Mijn Watou-beleving (dertig keer?) heeft hoogten (hoge hoogten) en laagten gekend. [Lees Watou 2018, en andere jarenWatou 2009Watou 1999.]
Watou 2019 behoort voor mij tot de laagten, het heeft me teleurgesteld.

Ik ben, weet ik, toch wat elitair ingesteld, en misschien heeft die teleurstelling ook te maken met het feit dat je in Watou, zelfs op een zomerse woensdag, net iets teveel tegen andere lijven loopt. Maar het is óók omdat na zovele edities de ruimtelijke mogelijkheden van het dorp stilaan zijn uitgeput. ‘Onderweg van de ene locatie naar de andere slaat de hitte uit de bermen en schettert de withete zon op het asfalt’ schrijft Michiel Leen in zijn geciteerde tekst heel pertinent. ‘Dát is de ware Watou-experience’. Maar de locaties, die je via een vermoeiende stap onder de hete zon een na een bereikt, en waarvan de boeiende ruimten in dialoog gaan met beeldende kunst, poëzie en bezoekers, die locaties verdwijnen jaar na jaar, en als ze toch blijven krimpen ze in. Schuren en stallen worden afgebroken, zolders gesloten, huizen onherkenbaar verbouwd. De magische plekken in en nabij Watou worden door banalere locaties op kortere afstanden vervangen, waarvan de ruimtelijke mogelijkheden, het licht, de klank, de geur en de relatie tot het landschap veel beperkter zijn. Een parkje aan de rand van het dorp of een nieuwe begraafplaats zonder zerken kunnen de kwaliteiten niet brengen die de oude hoeven wel hadden, waar de geur van arbeid nog hing, de spanten werden gestut en de zon tussen de dakpannen scheen. De neringdoenden en huiseigenaars zal het niet paaien, maar om de kunstervaring te bestendigen zou het festival best verhuizen naar een ander dorp (wat het niet zal doen). Ergens tussen Ronse en Edingen bijvoorbeeld, op die andere grens.

[De beschreven evolutie kan je echter ook anders zien. Mede dankzij het festival zijn er in het verre dorp Watou weldra geen afgeleefde gebouwen meer, en bloeit er een nijvere middenstand.]

Verarmt de ruimtelijke dimensie van Watou, blijft er toch de plastische kunst en de poëzie (en het hommelbier, het konijn of het vispannetje, wat al bij al Watou minder compromisloos maakt dan Michiel Leen ook beweert). Maar die kunst heeft me dit jaar niet aan het dromen, rillen of denken gezet. De videokunst, die nog niet zo lang geleden overal prominent aanwezig was, is gelukkig tot normale proporties teruggebracht — en Nightfall van Jeroen Eisinga is inderdaad een ijzersterk werk, al heb ik het einde van de meer dan 50 minuten video toch gemist — maar er wordt wat gerecycleerd tegenwoordig in de beeldende kunst! De ene trend volgt zo de andere op. Waarbij je recyclage op alle manieren begrijpen kan: verzamelingetjes opbouwen van dingetjes waar niemand aandacht voor had, gevonden voorwerpen verwerken in beeldend werk, en allicht ook ideeën recycleren, die indruk geeft het toch soms. Vaak heb ik in eerdere edities van Watou vol verwondering gestaan voor meerdere werken, een ervaring die ik dit jaar niet heb gehad. Goed, en mooi, maar nooit meer dan dat. Bij wijlen was ik veeleer vermoeid, wat niet aan de warmte lag, die intussen al in de meeste huizen gekropen was.
[Even denk ik dan, ter vergelijking, neem me niet kwalijk, aan werk van Fabien Merelle en van Alicja Kwade, dat ik onlangs in het Franse Tours heb gezien. Kunstmoe ben ik niet.]

Van de meeste gedichten in Watou heb ik maar de helft, of minder, gelezen — niet de helft van de gedichten, maar de helft van elk gedicht. Nee, toch niet nog!  Eén gedicht springt er gunstig uit: ‘De methode—ii’ van Arno Van Vlierberghe, in de Douvie-hoeve. En ook de gedichten van Slauerhoff die je op enkele plaatsen vindt, en niet eens in het programma worden vermeld. Of de korte teksten van Maud Vanhauwaert (een gedicht en een interviewtje, dat laatste omtrent Pessoa, ook al vergist ze zich van eeuw): ‘geniale, maar steeds toegankelijke taal en stijl’, zoals het Watou-krantje stelt.
Doch als ik, op een groot bord in het park, de volgende regel lees: ‘Kan het nog dichter?’, vraag ik me af of er geen komma ontbreekt.

Is dat saudade? En is saudade, dat de keus van het dichtwerk in Watou heeft gestuurd, niet voor mij bestemd? Maar de teksten van Slauerhoff dan?
Saudade, en fado. Ik heb het vaak niet begrepen. Portugezen ken ik als de vriendelijkste, beminnelijkste mensen (niet vrolijkste, dat is wat anders), zoniet van de wereld, dan toch van ons continent. Waar ze ook zijn, in Portugal of hier. Hoe rijm ik die immense vriendelijkheid en aanstekelijke levenslust met de weemoed die saudade is? Verandert een Portugees zijn blik en zijn humeur zodra je je rug hebt gekeerd? Of verbergt zijn vriendelijkheid de saudade die diep in hem zit?

* * *

Bereik ik Watou steeds langs de Franse achterdeur, dan verlaat ik het langs de voordeur aan Belgische kant: Poperinge en het Heuvelland, tot in Waasten (Warneton), op de Leie en de grens. Ik maak een kring door die prachtige streek, want zowel in Watou als daarbuiten word ik door het landschap bekoord. Het is er minder versteend dan elders in Vlaanderen, en de verstening die er toch is, wordt door lichte glooiingen van akkers en weiden verzacht. Ik verlang naar dat landschap, maar woon er niet, en weet met mijn verlangen geen blijf. Al jaren besef ik dat ik in die streek wel wil zijn, en die streek meer wil voelen, maar er niet wonen wil. Zolang ik jong was, kon ik dat verlangen, en mijn onmacht er wat mee te doen, voor me uit schuiven, naar later. Maar nu ik meer dan 65 ben, en gepensioneerd, en andere verhuisplannen heb, weet ik zeker dat ik dat landschap nooit bewonen zal. Ik heb geen antwoord op mijn verlangen.

Portugal heeft slechts één landsgrens: de grens met het trotse, hovaardige Spanje, dat achter of op de bergen ligt. Portugal is vooral kust, alleen kust, en een immense zee. Een zee waarin elke avond de zon verdrinkt, nadat ze de golven schitteren deed. Een zee die naar Amerika, Azië en Afrika wenkt. Een zee die het verlangen voedt om naar elders, naar horizonten zonder einders te reizen. Een zee die om afscheid vraagt, een zee die zelfs afscheid van je eist: afscheid van je land, afscheid van je familie en afscheid van je vrienden. Van hun ogen, hun vertrouwde blik, hun immense vriendelijkheid. Ik kan me best voorstellen dat de inwoner van Portugal, bij het zien van de zee en de zon en de schepen een sterk verlangen voelt, een verlangen naar iets dat hij niet wil: zijn land verlaten en afscheid nemen. Saudade, denk ik dan, is het verlangen naar wat je niet wil.
En saudade is ook wat ik voel wanneer ik van Watou langs Vlaamse heuvels terug naar Rijsel rij.

aanvulling per 30 juli 2019

Het gedicht van Arno Van Vlierberghe, in de Douvie-hoeve, en de gedichten van Slauerhoff waren voor mij niet alleen anders, maar ook de enige waar ik ruimte en tijd had om er van te genieten. Tijd had ik uiteraard overal, of kon ik overal nemen, zoveel ik wou, maar de tijd dat de ruimte beschikbaar bleef was vaak veel te kort. De druk van de andere bezoekers was me te groot. Misschien was ik daarom toch wat te negatief in mijn oordeel over het aanbod aan poëzie.
Het was wellicht een vergissing van me, vóór 11 uur in Watou te willen zijn (wat vanuit Rijsel makkelijk is), want ik was er niet voor de menigte kwam. Die was er ook, of haalde me snel in. Wanneer ik op de middag aan een tafeltje zat — en er mijn tijd voor nam — hoorde ik de mensen naast me, die gehaaster waren, zeggen hoeveel locaties ze nog moesten doen. Op het eind van de dag, omstreeks 17 uur (de locaties zijn tot 19 uur open) leek het me dat er beduidend minder volk was. (Maar je mag geen tweede keer binnen).

pater De Smet en de Indianen


Toen ik nog een kleine jongen in korte broek was, zeg maar de jaren vijftig en zestig, kwam er soms een missiepater naar de klas, die zijn avonturen bij de negers in Congo vertelde. Hutten in het oerwoud was het beeld. Er stond ook een plaasteren spaarpot vooraan op de lessenaar, met felle kleuren slordig beschilderd. Een negerkopje knikte lief en onderdanig, eenmaal, tweemaal, als je er een stuk geld in stak.

Enkele maanden geleden kocht ik in Antwerpen een oud missionarisboek.
Nee, niet over Congo, maar Amerika: ‘Le Père De Smet. Apôtre des Peaux-Rouges (1801-1873)’, door E. Laveille S.J., 1928. De oorspronkelijke tekst moet van 1912 of 1913 dateren. Met dit boek, en met het verhaal van pater De Smet, plus enkele zeldzame jeugdherinneringen, voer ik jullie van Congo naar Amerika, en terug, maar toch vooral Amerika, en altijd langs België, van de negentiende eeuw tot vandaag. Pieter-Jan De Smet en de Indianen, de pater die niet stilzitten kon.

 

[Lees hier de tijdlijn van Montana die ik twee jaar geleden voor deze website schreef, en waarnaar in bovenvermelde tekst wordt verwezen.]

van Goethe tot parmigiano

[nogmaals gewijzigde versie, 5 augustus 2018]
klik hier als je liever een PDF-bestand leest

 

Ik schrijf als Goethe (!) — in zijn Italienische Reise.
De ‘van’ in mijn naam heb ik al, sinds mijn geboorte, langs vaders én moeders zijde.  J.W. van Staeyen tot den Eynden wordt dat. Tot zijn drieëndertigste heeft Goethe op zijnvon’ gewacht. Toch lijkt mijn naam meer op die van zijn Lotte. De tweede Lotte. Niet de Lotte van die Leiden des jungen Werthers — voor Goethe heet das Schicksal Lotte, zo lijkt wel —, maar de even geliefde Lotte von Stein die hij ontvluchtte door onaangekondigd (onverhoeds en overhaast?) naar Italië te reizen, het land waar hij van hield. Afstand en brieven als schotten in zijn hart.

Lees verder

Oudere berichten

© 2019 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑