Jef Van Staeyen

Tag: literatuur (Pagina 1 van 6)

het diner — Herman Koch

Het enthousiasme van Jeroen Vullings over “het Diner”, dat ik pas onlangs las (februari 2021), al stond het sinds lang op een lijstje, kan ik niet delen.
[Deze eerste zin verwijst naar “Burgerlijke outlaws, over de boeken van Herman Koch”, Jeroen Vullings, in Ons Erfdeel 2014, nr. 1.]

Toegegeven, misschien heeft het in eerste instantie te maken met de betwistbare keuzes die Paul en zijn vrouw Claire maken, die voor menige lezer, waaronder ik, niet alleen immoreel zijn, maar waarmee ze hun zoon Michel, die ze willen beschermen, op de lange duur in de vernieling rijden. Ze beschermen vooral zichzelf, en een jarenlange frustratie, een soort “Van oude Menschen…” (de dingen die niet voorbijgaan) wacht hém op. Misschien een idee voor een ander boek: wat doe je op rijpere leeftijd met een dom- en wreedheid uit je jeugd, als je door de erkenning ervan je ouders verloochent.
En misschien denk je (of alvast: denk ik) bij zo’n setting — een diner met twee koppels — aan een roemrucht literair vuurwerk in prachtige taal. Maar in dit boek wordt verhoudingsgewijs weinig gezegd, en wat wel gezegd wordt is behoorlijk slapjes als argument. Herman Koch ziet zich zelfs verplicht, in zowat de eerste helft van het boek, eindeloos te leuteren over de restaurant-cultuur en over Nederlanders in de Dordogne. Wat hij zegt is grappig en veelal terecht, maar het had wat minder mogen zijn. Tenzij Koch op die manier de verveling wil doen gevoelen, die je in zo’n restaurant hebt terwijl je hongerig wacht op je bord.

Twee dingen steken me veel meer tegen.
Eén: ik krijg onmogelijk de uiteenlopende kenmerken van Paul in één personage geprangd. Okee, mensen zijn complex, vol verrassingen. Maar niet zo. Paul is de eeuwig twijfelende en onzekere man, die plots heel zelfzeker en vol zelfbeheersing gewelddadig wordt. Niet éénmaal, geen tweemaal, maar meermaals. Bovendien slaagt Koch er amper in te duiden waarom hij dat wordt: een affiche aan de muur? de kleur van een vest? Het is weinig. Ook twijfelt die man geen ogenblik hoe hij moet reageren wanneer hij de daad van zijn zoon ontdekt.
Twee: evenmin slaagt Koch erin de tijdspanne van het diner als kader te gebruiken. Nadat hij, en de disgenoten, en de lezer in een eerste deel (een eerste gang) veel tijd verloren hebben — er is ook nauwelijks wat gezegd — ziet Koch zich verplicht de ene flash-back na de andere te brengen, waarin de ik-persoon de lezer vertelt wat er voordien is gebeurd. Dat is nogal wat. Daarbij gaat Koch voorbij aan het feit dat voor de lezer, terwijl de ik-persoon hem dat alles vertelt, de klok gewoon doorloopt. [Met een hij-persoon had dat probleem niet bestaan.] Ten langen leste vraag je je af hoe het komt dat de anders zo actieve en ondernemende Serge urenlang binnen aan tafel blijft zitten, terwijl zijn drie disgenoten buiten staan.
Ik bedoel: als lezer krijg ik dat alles onmogelijk in de tijdspanne van een diner, ook al vindt dat diner plaats in een van die restaurants waar wachten en ceremonieel de belangrijkste bezigheden zijn. Heel kort komt het uiteindelijk dan toch tot een discussie, maar één, of zelfs twee disgenoten zitten er voor spek en bonen bij.
Conclusie: het argument waarover gediscussieerd wordt is zwak, en de vorm past er niet op. Dat er uiteindelijk meer geslagen dan gesproken wordt, en meer geweld dan woorden is, mag niet verrassen.

VSV — Leon de Winter

een reactie op een artikel in Ons Erfdeel, 2013, nr. 1 ; Jan Lensen: Barmhartigheid als flauw antidotum. “VSV of daden van onbaatzuchtigheid” van Leon de Winter

Pas nu (februari 2021) heb ik De Winters boek gelezen, dat op de kaft alleen de titel “VSV” draagt. De ondertitel over barmhartigheid ontdek ik pas in Lensens artikel, en staat inderdaad binnen het boek wél vermeld.
Het is een gedurfd boek, om met echt bestaande mensen en elementen van hun reële biografie over een zeer heikel onderwerp te schrijven. De Mulischiaanse keuze Theo Van Gogh (reëel) en Jimmy Davis (fictie) in het hiernamaals te plaatsen is zeer slim, want daarmee ondervangt De Winter meteen de kritiek omtrent fictie versus realiteit. (Seffens blijkt waarom ik “hiernamaals” schrijf.)
Vreemd is de taal van de gesprekken, die meer op een stripverhaal lijkt. (Soms lijkt het Jerommeke) Ik begrijp dat men in SMS-jes, mailtjes, of sommige geschreven teksten, veel korte zinnen zonder voornaamwoord vormt. In een verhaal drijft het de spanning op. Maar spreken Amsterdammers (en hun bewindslieden) echt zo? Wie aarzelt of onderbroken wordt, breekt het einde van zijn zinnen af, nooit het begin.

In zijn recensie vermeldt Jan Lensen terecht de vele losse eindjes. Met de “schijnbare toevalligheid” heb ik minder problemen. Het is nu eenmaal een roman, waarin zelfs engelen zitten. Religie is een belangrijk onderwerp, dus voorbestemdheid mag dat ook zijn.
Vreemder is dat het boek, ergens op twee derde van zijn dikte, teneinde lijkt te zijn, waarna De Winter snel nieuw materiaal aanreikt. (Okee, er zitten wel heel kleine aanwijzingen dat er misschien nog wat komt.) En ronduit teleurstellend is de ontknoping, als je bedenkt hoeveel mensen en dingen De Winter in stelling heeft gebracht, en… hoeveel knopen hij heeft gelegd. Uiteindelijk gaat gewoon de bijl erin. Zo wordt heel het verhaal één groot “los eind”.

Tenslotte, voor Jan Lensen: Theo zit niet in het vagevuur, zoals hij stelt, maar in het voorgeborchte, al werd dat enkele jaren eerder plechtig afgeschaft. Hij zit daar “als derde categorie” naast goede mensen die nooit de kans hebben gehad de openbaring te zien: geboren vóór de komst van Christus, of als boreling gestorven vóór de doop. Daarom schreef ik “hiernamaals”, want in de “hemel” komt Theo pas nadien. Of: wat is het tegengestelde van “ondermaanse”?

de onzichtbaren, Roy Jacobsen

De eerste winterstorm daarentegen is iets heel anders.
Die is elke keer weer even indrukwekkend als hij in volle hevigheid losbarst, zo’n storm hebben ze nog nooit meegemaakt, hoewel ook dát vorig jaar was. Daar komt het begrip ‘sinds mensenheugnis’ vandaan, ze zijn namelijk vergeten hoe die storm was, aangezien dat het enige is wat ze kunnen doen, de hel zo goed mogelijk doorstaan en die dan weer zo snel mogelijk uit hun geheugen wissen.
Nu hebben ze een storm over zich heen gekregen die al meer dan een etmaal met onverminderde kracht woedt, met schuimvlokken die als gele dotten wol over het eiland jagen, regen zo hard als hagel en een springvloed die maar niet wegebt. Hans is al drie keer naar buiten geweest om dingen vast te sjorren waarvan hij niet eens wist dat hij ze kón vastsjorren. Hij heeft gezien hoe een van de schapen in zee werd geblazen voordat hij de rest in het boothuis had kunnen opsluiten, omdat ze nog geen schapen hebben geslacht en er niet genoeg ruimte in de stal is om ze allemaal onder te brengen, hij bindt ze vast aan de boot, die hij bovendien ook nog eens extra vastsjort, het is belachelijk wat een man al niet doet wanneer hij getroffen wordt door de Eerste Winterstorm.
(…)
Ingrid heeft een hekel aan dit soort stormen, aan het kraken van het huis en de trompetstoten door de schoorsteen, het hele universum in rep en roer, de wind die de lucht uit haar longen perst als ze met haar moeder naar de stal loopt, het vocht uit haar ogen stuwt en haar tegen de huizen en kromgebogen bomen aandrukt en de hele familie dwingt in de keuken en de pronkkamer te slapen, waar ze nog steeds geen oog dichtdoen. (hoofdstuk 12)

Dit is een citaat uit het prachtige ‘de onzichtbaren’ van Roy Jacobsen, uit het Noors vertaald door Paula Stevens (2020 — oorspronkelijke titel ‘de usynlige’, 2013). Het is niet nodig de Noorse eilanden te hebben bezocht, ik weet zelfs niet of het helpt, want misschien heb je dan wel, net zoals wij, een zomers, zonovergoten land en zee gezien. Wat in het boek ook aanwezig is, maar niet alleen.

In februari lijkt de zee soms wel een turkooizen spiegel. Het besneeuwde Barrøy ziet eruit als een wolk aan de hemel. Het is de vorst die de zee groen kleurt, haar helderder maakt, rustig en lobbig, als gelei. Soms stolt de zee helemaal en komt er een vlies op, dan gaat de ene materie over in de andere. Het eiland krijgt een hoedenrand van ijs, die ook de naburige rotseilandjes omsluit, het is groter geworden.
Ingrid staat in haar laarzen op een vloer van glas tussen het eiland en Moltholmen en ziet wier, vissen en schelpen onder zich, in een zomers landschap. Zee-egels en zeesterren en zwarte stenen op wit zand, vissen die door het wuivende wierbos schieten; het ijs is een vergrootglas, doorzichtig als lucht, ze zweeft en ze is zes jaar oud, je móet wel over het ijs lopen als het er eenmaal is. (hoofdstuk 15)

Het is een merkwaardig verhaal, want het lijkt of het hoofdstuk na hoofdstuk, dag na dag, jaar na jaar voortkabbelt op onverwante evenementen. Toch bouwt zich een tragiek, maar zonder dat die in een spanningsboog naar een dramatisch eindpunt leidt. Het lijkt meer op leven dan op een boek. En beetje bij beetje ervaar je ook de spanningen, tussen zee en land, tussen afzondering en deelname in een ruimere maatschappij, die haar eisen stelt (een vuurtoren, klokvaste afspraken, geld…), en tussen bloedverwantschap en samenleven. In een prachtige taal, waaraan naast de auteur ook de vertaalster veel verdienste heeft.

Het is de tweede dag van het jaar, de treurigste van alle driehonderdvijfenzestig, een dag die eindigt met de aanblik van de heen en weer zwaaiende achterlantaarn die wordt opgeslokt door de brullende nacht, als een vonk in een schoorsteenpijp.
Dan slaat de somberheid toe.
Niet de somberheid van de storm, maar van de trage, fundamentele lessen in eenzaamheid die het jaar en het eiland hun leren. Opeens zijn ze met nog minder mensen en ze missen de baas van het eiland. Ze praten zachtjes of zwijgen, prikkelbaar en ongeduldig. Bovendien keert niet iedereen heelhuids terug van de Lofoten, het is een loterij met de dood, waarbij elk jaar meer dan tweehonderd man het leven laten, iets waar ze niet hardop over praten, maar een half woord is genoeg. Nergens zijn er dan ook zoveel kerkhoven met kruisen zonder lijk te vinden als die waarover God zijn beschermende hand hier uitstrekt, langs deze kust. (…)
Ze hebben een man op goed geluk en vergezeld van hun gebeden de kolkende duisternis in gestuurd, en nu krijgen ze hem misschien levend terug (…). (hoofdstuk 15)

 

Charlotte Mutsaers, harnas van hansaplast, en de vraag wat fictie is

In oktober 2017 publiceerde Charlotte Mutsaers de roman harnas van hansaplast. Een scène uit dat boek, waarin de ik-persoon vertelt hoe ze een voorraad kinderporno heeft verkocht, die haar broer bij zijn overlijden had achtergelaten, veroorzaakte nogal wat opschudding, vooral nadat de schrijfster, daarover in De Volkskrant ondervraagd, verklaarde dat het verhaal op een ware gebeurtenis was gebaseerd.
In De Standaard der Letteren van 14 november 2020 komt Jamal Ouariachi, die zich toen ook in het debat geworpen had, daarop terug: Mag je een kunstenaar vereenzelvigen met zijn werk?  Of juister: hij vertrekt vanuit de hansaplast-discussie om een redenering op te bouwen die via Ilja Leonard Pfeiffer tot Roman Polanski reikt.  Een heel eind, lijkt me toch.

Daarover schreef ik de redactie van De Standaard der Letteren het volgende.

Lees verder

« Oudere berichten

© 2021 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑