Jef Van Staeyen

Tag: wetenschap en techniek (Pagina 1 van 7)

het concept zwaluw ❧


Ik kijk graag naar de zwaluwen die dansen ’s avonds boven de stad. Het lijkt of ze een zalige tijd hebben : vliegen, draaien en duiken op een onzichtbare achtbaan, gewoon voor de pret. Maar hoe voelen ze zich? Hoe voelt een vogel, hoe voelt een zwaluw, voor wie de mooie, krachtige vleugels spieren zijn, zoals benen voor rennende mensen. Voelen ze krampen, hebben ze pijn, zijn ze vermoeid?
Niet voor de pret maar voor voedsel stijgen, ijlen, draaien en duiken zwaluwen aan hoge snelheid door de lucht. De jacht op insecten. De paradox — of is het de verklaring ? — is dat er hier nauwelijks insecten zijn. Weinig muggen, nauwelijks vliegen, alleen wespen zie je hier. Zwaluwen lusten die niet.

Heel hoog vliegt een straaljager geluidloos voorbij. Witte strepen in het blauwe zwerk. Even reis ik mee. Waarheen?

De zwaluw is een gedurfd concept. Tijdens zijn acrobatische, snelle, veeleisende jacht moet hij voldoende insecten — van die kleine dingetjes — vangen om zijn eigen motor draaiend te houden. Elke dag zowat zijn eigen gewicht. Niet alleen de jacht vraagt energie: ook het bouwen van nesten, het paaien en paren, het leggen en broeden van eitjes en het voeden van kuikentjes (waarvoor de ouders voedselballen van insecten bereiden, zeg dat het zowat hamburgers zijn). In de herfst trekken zwaluwen naar het zuiden, ik hoopte voor hen dat ze dat al jagend doen, en er onderweg ook insecten zijn. [Het antwoord is nee: enkele grammetjes lichaamsvet moeten volstaan voor een vlucht van duizenden kilometer.]

Ik reis op het internet. Ik surf niet, ik duik niet, ik zweef.

Zwaluwen hebben een brede bek. Ze hebben ogen met een dubbele focus (precieser: fovea), om vooruit én opzij scherp te zien. Ze hebben lange vleugels en staarten die hen toelaten zonder veel kinetisch energieverlies van richting te veranderen. Ze zijn aerodynamisch, en vooral: hun metabolisme is zeer efficiënt. De spijsvertering is snel, mede door de hoge lichaamstemperatuur en de snelle ademhaling, maar hun vlucht is spaarzaam in het verbruik. In rusttoestand daalt hun temperatuur. In extreme omstandigheden schakelen ze zich bij wijze uit: torpor.

Zouden mensen er in slagen een machientje te bouwen dat leeft van wat het al vliegend eet?

Antwerpen, juli 2026

extra: de wet van de schaal

In de wiskunde en de fysica bestaat er een wet die zo eenvoudig is en zo vanzelfsprekend dat het me steeds verbaast dat hij nauwelijks onderwezen wordt, nauwelijks een naam heeft, en dat wetenschappers in meerdere domeinen er lang naar hebben gezocht.
Die wet zegt dat als je van een voorwerp, of in de biologie een plant of een dier, de lineaire dimensie met twee vermenigvuldigt of door twee deelt, alle oppervlakken van dat voorwerp, van die plant of dat dier met een factor vier worden vermenigvuldigd of erdoor worden gedeeld, en alle volumes met of door een factor acht. [Ook in de informatica geldt die wet, wanneer het aantal mogelijke verbindingen exponentieel groeit of daalt.]

Eenvoudig voorbeeld: Stel je wil een Eiffeltoren bouwen, twee keer zo hoog. Dus 600 meter in plaats van 300. Je vermenigvuldigt alle maten met 2: de hoogten en breedten van de profielen, de dikte van het smeedijzer (puddelijzer) en de diameter van de klinknagels. Zo’n toren stort in onder zijn eigen gewicht. Dat gewicht is immers vermenigvuldigd met een factor 8, en de druk- of trekweerstand van de onderdelen met een factor 4.

In het dierenrijk heeft deze wet belangrijke effecten voor warmbloedige dieren: de vogels en de zoogdieren. Hun stofwisseling of metabolisme (*) is functie van hun volume, maar hun warmteverlies wordt bepaald door hun oppervlak. Daarom moeten kleine dieren (veldmuizen, kolibries, … en dus ook zwaluwen) voortdurend eten. Bij vogels vereist hun snelle spijsvertering paradoxaal genoeg ook een hogere lichaamstemperatuur (die door hun pluimage wel wordt beschermd).
Die wet maakt dat er drempelwaarden zijn voor vogels en zoogdieren en plafondwaarden voor insecten. Die ademen immers via gaatjes in hun pantser. Laat dat laatste een geruststelling zijn: mensgrote muggen, zoals in Nero en de Kouwe kwibus, kunnen niet bestaan.
Dat vliegen op het plafond kunnen lopen en “schaatsenrijders” (Gerridae) op het water, dat mieren en kevers tot honderdmaal hun gewicht kunnen torsen en grashalmen niet breken maar buigen, het is ook de wet van de schaal die speelt.

 

(*) Voor het metabolisme van dieren zijn er weliswaar ook andere factoren die spelen, waarvan nog niet alle zijn verklaard. De energie die ze zelfs in rust verbruiken dient immers niet alleen om het warmteverlies (door huid en ademhaling) te dekken, maar ook voor het onderhoud van de spieren, de beenderen, de ingewanden, het vet… En spieren vergen meer energie dan vet, zelfs wanneer men ze niet gebruikt…

waarheen voert ons de auto zonder chauffeur ? ❧

Deze tekst heeft een wat complexe ontstaansgeschiedenis. De initiële versie schreef ik in 2016 in het Frans, en staat op deze website: quand les voitures n’auront plus besoin de nous pour rouler. 

Een jaar later, in 2017, begon ik een versie in het Nederlands, met twee bijkomende elementen. Maar die tekst is nooit af geraakt. Recent nieuws, over zelfrijdende busjes, zelfrijdende bestelwagentjes en zelfrijdende taxi’s — in Wuhan stonden ze op 1 april (!) plots allemaal stil — bracht me ertoe die onafgewerkte Nederlandstalige tekst weer op te nemen, en hem uiteindelijk ook te voltooien: waarheen voert ons de auto zonder chauffeur ?

Let wel: Ik spreek over auto’s waarvan de automatismen de menselijke chauffeur niet alleen maar bijstaan of tijdelijk vervangen, zodat van die chauffeur ook verwacht wordt dat hij ten allen tijd “het stuur” weer kan overnemen. Een auto-zonder-chauffeur is een auto die op een intelligente manier kan rijden zonder dat er een reiziger aanwezig is, of met reizigers die om de een of andere reden niet in staat zijn het stuur over te nemen.

Ik onderscheid volgende mogelijke evoluties:

  • een vlottere doorstroming van het verkeer, en daardoor meer capaciteit op de weg,
  • meer veiligheid en daarmee ook meer kansen voor voetgangers en fietsers, en bijgevolg minder autoverkeer,
  • minder hinder van het verkeer, door een optimale (be)geleiding ervan,
  • langere verplaatsingen, en daardoor meer autoverkeer,
  • lege auto’s op de weg, en daardoor:
    • nieuwe gebruiken,
    • méér autoverkeer,
    • de noodzaak tot een ander parkeerbeleid,
  • kleine busjes ter aanvulling van het (zware) openbaar vervoer,
  • autonome goederenwagons op het spoor.

stedenbouwkundig rampgebied

Gisteren ging ik (voor het eerst) naar de seniorenacademie van de Universiteit Antwerpen: de Spectrum lezingen op de Groenenborger campus. Aangekondigd onderwerp was: “Moeten we CO2 opnieuw opslaan in de aarde?”, wat in de praktijk neerkwam op “Kunnen we CO2 opslaan in de aarde?”, hoe doen we dat en welke problemen stellen zich. Er waren drie sprekers, maar vooral toch een geoloog, die meteen zei dat de Belgische ondergrond zich daartoe niet leent, en dat internationaal naar stockage onder de zee wordt gezocht om protest van omwonenden te voorkomen — het project Barendrecht in Nederland —, maar toen de derde spreker een sociologisch experiment omtrent aanvaarding wilde uitvoeren aan de hand van een QR-code, liep het mis. De technologie wilde niet mee.
Hoe ook, het was een boeiende middag. Maar ik schrijf over twee andere dingen.

1. De Groenenborger campus is een stedenbouwkundig rampgebied. Zowel buiten de campus (het openbaar domein en de relatie tot andere sites en gebouwen) als op de campus zelf loopt het fout. Ik kan me niet voorstellen dat iemand daar even komt wandelen of zelfs maar tussen twee les- of werkuren blijft rondhangen. Ook mensen uit de ziekenhuizen zullen in de omgeving geen troost of blijdschap vinden.
Niet alleen in België maar ook in het buitenland (Frankrijk, Italië, Portugal, de VS, Canada…) wordt stedenbouwkundig falen vaak gelinkt aan de tegenstrijdige belangen van private actoren en aan het onvermogen van de overheid de onderlinge conflicten te beheren en de openbare waarden (waaronder milieu) te vrijwaren. De Groenenborger-wijk toont hoe die verklaring tekort schiet. Heel het gebied werd immers gecreëerd en wordt beheerd door vier machtige openbare besturen: (1) de stad Antwerpen voor het openbaar domein en het Middelheimpark, (2) het OCMW Antwerpen, nu ZAS, voor het Middelheimziekenhuis en het Kinderziekenhuis, (3) de Universiteit Antwerpen (vroeger RUCA) voor een rist universiteitsgebouwen van twee campussen (er is ook de Middelheim campus rond de vroegere koloniale hogeschool), en (4) het Vlaamse gewest (nee: toen nog België) voor de Craeybeckxtunnel (autoweg E19) die onder de site loopt, voor de ruimtelijke planning van het geheel (samen met de stad), en via de Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn voor het openbaar vervoer (bussen 21 en 33).
Wie, zoals ik, met bus 21 komt, behelpt zich met halte Groenenborgerlaan in een onduidelijke straat die Vuurkruisenplein heet, steekt de rotonde over en vindt een discrete ingang tot de campus. Hij zoekt zich een weg tussen de geparkeerde auto’s (er staan kleine wegwijzers, dat wel) en betreedt het gebouw T (parel van de jaren 70, allicht) via een trap.

2. De Universiteit Antwerpen verspreidt een campusplan met mobiliteitsinfo. Logisch, in feite, als je géén reden hebt om langer dan nodig op de campus te blijven, zijn al die fietsen en auto’s het enige wat telt. Op dat plan staan allerlei al dan niet toegankelijke of besloten (personeel, studenten) parkeerfaciliteiten voor fietsen of auto’s aangeduid, en laadpunten, lockers, herstelzuilen en -punten, en deelfietsen en -auto’s.
Edoch: de belangrijkste vorm van deelmobiliteit, het openbaar vervoer (die halte van lijnen 21 en 33), staat op het plan niet eens vermeld. [Ga daarvoor naar Google Maps.] Evenmin als de toegang (toegangen?) voor voetgangers en hun trajecten (die er nauwelijks zijn in wat allicht een shared space moet zijn).

Blijkbaar heeft wat men in de leszalen leert en in de laboratoria onderzoekt over duurzame stedenbouw en mobiliteit nog wat tijd nodig om buiten de lokalen in praktijk te worden gebracht.

 

 

P.S.: Volgens wikipedia werd een van de universiteitsgebouwen (het gebouw V voor scheikunde en bio-ingenieurswetenschappen) per ongeluk op grond van het Middelheimpark gebouwd (geen bronvermelding).

niet alleen de maan en de zon, maar ook de aarde creëert de getijden

Veel of bijna alles van wat hieronder staat heb ik op het internet en met name op wikipedia-pagina’s gevonden. Daarvoor bezocht ik meerdere pagina’s in meerdere talen (Nederlands, Frans, Engels), die overigens niet altijd even correct naar elkaar verwijzen. De A.I. die je bij het googlen ongevraagd krijgt heb ik niet gebruikt. Daar staan teveel nonsens zonder bronvermelding in. Met wat verder googlen vind je vaak letterlijk dezelfde tekst, maar begrijp je dat die toch iets anders zegt.

 

Wat ik onlangs over getijden las, heeft me verrast.

De maan en, in mindere mate, de zon creëren getijden op zee. We hebben het allemaal geleerd, gelezen, gehoord en zelf doorverteld. Het behoort, althans in landen met een kust en getijden, tot de wijdst verspreide en gedeelde wetenschappelijke kennis, meer dan de standen van de maan, het lengen van de dagen, de grote en de kleine beer, de renteberekening of de inflatie. Tweemaal daags ongeveer — is het iets meer of iets minder? weet je dat nog? — is het hoogtij, onterecht soms vloed genoemd, en tweemaal laag. [Vloed en eb zijn de bewegingen die tot hoogtij en laagtij leiden. En een getijdencyclus duurt bijna 25 uur. Het is dus iets minder dan tweemaal daags.]
In functie van de vorm van de kusten en de zee zijn sommige getijden zeer sterk en andere zwak, ook dat begrijpen we wel: de ingesloten Middellandse zee heeft nauwelijks getijden, en in Normandië bij de Mont-Saint-Michel zijn ze extreem sterk. Dat er plekken zijn met slechts één hoog- en één laagwater per dag is al moeilijker te vatten. Dat vloed sneller gaat dan eb, en water soms naar boven stroomt beseffen we niet. En evenmin dat ook de aardkorst getijden kent — tweemaal daags gaat ze enkele decimeters omhoog en dan weer omlaag.

voorspelbaar

Reeds in het jaar 77 van onze jaartelling beschreef de Romeinse militair, letterkundige en wetenschapper Plinius de Oudere hoe de maan en de zon de getijden bepalen. De “hoe” mag je niet letterlijk nemen. Plinius zag de interactie, maar kon ze niet verklaren. Dat kon pas Isaac Newton in 1687, met de zwaartekracht. Zijn theorie werd vervolgens door Bernoulli, Laplace, Fourier en anderen verder uitgewerkt. Terloops mag vermeld dat het niet zozeer de verticale aantrekkingskracht van de maan is — die is daarvoor te klein — maar de horizontale die de watermassa’s verplaatst.

Wie meer over getijden wil weten verdrinkt in formules. Met uitzondering van de weersomstandigheden (windsnelheid en -richting, luchtdruk) zijn waterstanden perfect voorspelbaar, maar je moet wel een honderdtal plaatsgebonden parameters in je formules verwerken.

De getijdenmolen van Rupelmonde (hier aan de Scheldekant gezien) dateert uit de 16de eeuw.

Samen met aardbevingen, vulkanische activiteit en aardwarmte zijn getijden één van de weinige fenomenen op aarde die niet hun oorsprong vinden in de straling van de zon. Denkend aan de wet van behoud van energie, vraag je je dan af — vraag ik me dan af — of de werking van de getijden, de verplaatsing van die enorme watermassa’s en de wrijving die daarmee gepaard gaat niet moeten leiden, op extreem lange termijn, tot het vallen van de maan. Begrijp: de maan trekt de watermassa’s vooruit, daar zit wrijving in, vertraging, een krachtenkoppel dat de maan afremt, die haar evenwicht tussen middelpuntvliedende en aantrekkingskracht verliest, en uiteindelijk op de aarde valt.

Dat was ook mijn ironisch bedoelde opmerking in mijn recente tekst over warmtepompen, gas en elektriciteit. Wind en zon zijn niet voorspelbaar. Getijden wel. Permanent is hun actie niet, maar wel berekenbaar. Al sinds eeuwen wordt getijde-energie gebruikt, zij het marginaal, zoals in getijdenmolens, maar tegenwoordig wordt ook onderzocht en geëxperimenteerd hoe de kracht van getijden op veel grotere schaal als bedrijfszekere hernieuwbare energie kan worden gebruikt, en wat de invloed op het mariene leven dan is. Maar, gaat de maan dan “sneller” vallen, zoals ik dacht?

we verliezen de maan

Ik zocht het op, en viel van de ene verbazing in de andere. Het is het omgekeerde dat gebeurt. Niet de maan trekt de getijden de aarde rond, maar de getijden trekken de maan! De aantrekkingskracht van de maan veroorzaakt wel degelijk de getijden, maar het draaien van de aarde neemt die watermassa’s met zich mee. Vooral dicht bij de evenaar is de kracht waarmee de watermassa’s oostwaarts worden vervoerd, groter dan de kracht waarmee ze, onder invloed van de maan, naar het westen worden getrokken. [Oostwaarts is een wat ongemakkelijke term, hij bedoelt dat de aarde, mét het water, naar het oosten draait. Tegen de klok in, vanuit de noordpool gezien.]
Met andere woorden: de watermassa’s van de getijden lopen niet achter maar vóór op de stand van de maan, die in 27,3 dagen in dezelfde oostwaartse richting rond de aarde draait (de siderische maand, niet te verwarren met de synodische maand van 29,5 dagen tussen twee identieke schijngestalten). [Omdat de maan veel trager oostwaarts rond de aarde draait dan de aarde om haar as, reist ze voor een observator die op de aarde staat naar het westen.]
Er ontstaat een krachtenkoppel dat de maan versnelt tot een baan die verder van de aarde komt te staan. Een fenomeen dat op wikipedia — onjuist — seculiere versnelling wordt genoemd, wat in feite seculair zou moeten zijn, waarbij seculair naar eeuwen en de lange tijd verwijst.

Wat zijn de consequenties? Er zijn er (minstens) twee.

  • De afstand van de maan tot de aarde groeit met 38 millimeter per jaar, of 3,80 meter per eeuw. [Die afstand bedraagt momenteel gemiddeld 384.000 kilometer.] De Kepleriaanse paradox is dat dit zich vertaalt in een vertraging in booggraden: ongeveer 26 boogseconden per vierkante eeuw. Ben je nog mee?
  • De rotatie van de aarde (om haar as, niet om de zon) wordt afgeremd. Ze is in het verleden om dezelfde reden al sterk vertraagd. Zowat 3,5 miljard jaar geleden duurde een etmaal ongeveer 8u40. Er waren toen meer dan duizend dagen in een jaar. Dat fenomeen heeft men, voor een “kortere” periode van 700 miljoen jaar, ook in fossiele koralen kunnen vaststellen. Momenteel neemt de duur van een etmaal toe met gemiddeld 2,4 milliseconden per eeuw. Voor de wiskundigen: de vertraging bedraagt “ongeveer 88 seconden per vierkante eeuw.”

[Ook de maankorst vertoonde getijden, veel groter dan op de aarde. Die hebben ertoe geleid dat de maan steeds langzamer om haar as ging draaien, om uiteindelijk tot stilstand te komen. Exacter: Ze draait nu even “snel” om haar as als om de aarde, waardoor ze steeds dezelfde zijde toont.]

De “dag” dat de aarde niet meer om haar as draait, en de maan niet meer om de aarde, zal echter niet bestaan. Véél eerder (nu ja, over 1 miljard jaren) wordt de zon zo heet dat de oceanen verdampen en (over 4 miljard jaren) dat ze de aarde en de maan verslindt.

0,002%

Tenslotte, met de wet van behoud van energie vond ik nog dit.
Door de getijden wordt energie overgedragen van de aarde naar de maan. Toch blijft het leeuwendeel van het vermogen op de aarde, onder de vorm van wrijvingswarmte: 3,64 terawatt op een totaal van 3,78 terawatt.
Dat is 0,002% van de energie-balans van het systeem aarde.  [Systeem aarde = atmosfeer + hydrosfeer + lithosfeer + biosfeer; dus zonder de kern]

Ter vergelijking:

  • energie door mensen “opgewekt”, van fossiele en nucleaire oosprong = 0,009%
  • geothermie = 0,025% (historische warmte van het ontstaan van de aarde, en nucleaire reacties in de kern; slechts een miniem deel wordt door mensen gebruikt);
  • zon = 99,97%, hetzij 173.000 terawatt.

Naargelang de bron worden lichtjes andere cijfers gegeven.

Tot slot het antwoord op mijn vraag: wat “gebeurt er” als we waanzinnig veel energie uit de getijden halen?
Ik begrijp dat we dan de wrijving verhogen, en daarmee de hoek (α op de tekening) tussen het hoogwater en de stand van de maan. Het krachtenkoppel vergroot, wat ervoor zorgt dat de afstand tussen de maan en de aarde “sneller” groeit, en dat de omwenteling van de aarde om haar as verder vertraagt. Dagen, in feite etmalen worden langer, maar dat merken we niet. En het zal nog heel lang duren eer een jaar een dag minder telt.

 

Lees als aanvulling ook hier: zin en onzin omtrent een korte 5 augustus.

 

Extra: een totaal andere verrassing omtrent getijden lees je hier: hoe het water van de Schelde soms van Antwerpen naar Vlissingen naar boven stroomt.

Post scriptum: Ik heb de tekst van de Nederlandstalige wiki-pagina gecorrigeerd (waarmee ik A.I. in verwarring heb gebracht): “seculair” in plaats van “seculier”, conform de definities die Van Dale geeft. Aan de titel kan ik echter niet raken. De Franse tekst vermeldt “séculaire” en de Engelse “tidal”.
Etymologisch verwijst zowel “seculier” als “seculair” naar eeuwen. Dat is paradoxaal, want “seculair” is “op lange termijn” (slechts na één of meerdere eeuwen waarneembaar) en “seculier” (niet-religieus) is “in deze eeuw” en dus in de wereld van vandaag (in tegenstelling tot religie, die geacht wordt buiten de wereld te staan en niet-tijdsgebonden te zijn).

« Oudere berichten

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑