Gisteren ging ik (voor het eerst) naar de seniorenacademie van de Universiteit Antwerpen: de Spectrum lezingen op de Groenenborger campus. Aangekondigd onderwerp was: “Moeten we CO2 opnieuw opslaan in de aarde?”, wat in de praktijk neerkwam op “Kunnen we CO2 opslaan in de aarde?”, hoe doen we dat en welke problemen stellen zich. Er waren drie sprekers, maar vooral toch een geoloog, die meteen zei dat de Belgische ondergrond zich daartoe niet leent, en dat internationaal naar stockage onder de zee wordt gezocht om protest van omwonenden te voorkomen — het project Barendrecht in Nederland —, maar toen de derde spreker een sociologisch experiment omtrent aanvaarding wilde uitvoeren aan de hand van een QR-code, liep het mis. De technologie wilde niet mee.
Hoe ook, het was een boeiende middag. Maar ik schrijf over twee andere dingen.
❦
1. De Groenenborger campus is een stedenbouwkundig rampgebied. Zowel buiten de campus (het openbaar domein en de relatie tot andere sites en gebouwen) als op de campus zelf loopt het fout. Ik kan me niet voorstellen dat iemand daar even komt wandelen of zelfs maar tussen twee les- of werkuren blijft rondhangen. Ook mensen uit de ziekenhuizen zullen in de omgeving geen troost of blijdschap vinden.
Niet alleen in België maar ook in het buitenland (Frankrijk, Italië, Portugal, de VS, Canada…) wordt stedenbouwkundig falen vaak gelinkt aan de tegenstrijdige belangen van private actoren en aan het onvermogen van de overheid de onderlinge conflicten te beheren en de openbare waarden (waaronder milieu) te vrijwaren. De Groenenborger-wijk toont hoe die verklaring tekort schiet. Heel het gebied werd immers gecreëerd en wordt beheerd door vier machtige openbare besturen: (1) de stad Antwerpen voor het openbaar domein en het Middelheimpark, (2) het OCMW Antwerpen, nu ZAS, voor het Middelheimziekenhuis en het Kinderziekenhuis, (3) de Universiteit Antwerpen (vroeger RUCA) voor een rist universiteitsgebouwen van twee campussen (er is ook de Middelheim campus rond de vroegere koloniale hogeschool), en (4) het Vlaamse gewest (nee: toen nog België) voor de Craeybeckxtunnel (autoweg E19) die onder de site loopt, voor de ruimtelijke planning van het geheel (samen met de stad), en via de Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn voor het openbaar vervoer (bussen 21 en 33).
Wie, zoals ik, met bus 21 komt, behelpt zich met halte Groenenborgerlaan in een onduidelijke straat die Vuurkruisenplein heet, steekt de rotonde over en vindt een discrete ingang tot de campus. Hij zoekt zich een weg tussen de geparkeerde auto’s (er staan kleine wegwijzers, dat wel) en betreedt het gebouw T (parel van de jaren 70, allicht) via een trap.
2. De Universiteit Antwerpen verspreidt een campusplan met mobiliteitsinfo. Logisch, in feite, als je géén reden hebt om langer dan nodig op de campus te blijven, zijn al die fietsen en auto’s het enige wat telt. Op dat plan staan allerlei al dan niet toegankelijke of besloten (personeel, studenten) parkeerfaciliteiten voor fietsen of auto’s aangeduid, en laadpunten, lockers, herstelzuilen en -punten, en deelfietsen en -auto’s.
Edoch: de belangrijkste vorm van deelmobiliteit, het openbaar vervoer (die halte van lijnen 21 en 33), staat op het plan niet eens vermeld. [Ga daarvoor naar Google Maps.] Evenmin als de toegang (toegangen?) voor voetgangers en hun trajecten (die er nauwelijks zijn in wat allicht een shared space moet zijn).
Blijkbaar heeft wat men in de leszalen leert en in de laboratoria onderzoekt over duurzame stedenbouw en mobiliteit nog wat tijd nodig om buiten de lokalen in praktijk te worden gebracht.
P.S.: Volgens wikipedia werd een van de universiteitsgebouwen (het gebouw V voor scheikunde en bio-ingenieurswetenschappen) per ongeluk op grond van het Middelheimpark gebouwd (geen bronvermelding).




