Jef Van Staeyen

Auteur: Jef Van Staeyen (Pagina 1 van 116)

l’éminence grise & la fine fleur

Noem het pedanterie van me, maar ik kan niet weerstaan aan de verleiding twee in het Nederlands vaak voorkomende Franse uitdrukkingen te verklaren, temeer daar een van beide soms verkeerd wordt gebruikt. Verkeerd, in zoverre men naar het Franse voorbeeld verwijst, want woorden en uitdrukkingen die reizen veranderen wel vaker van betekenis: een Franse maquereau (pooier) is een heel bijzonder soort makelaar. [Hij is ook een vis, of makreel, omwille van de strepen op zijn huid: macula radiata.]

La fine fleur

In het Nederlands lees je de uitdrukking fine fleur misschien vaker dan in het Frans, dat met dezelfde betekenis ook la crème de la crème (die boven drijft), le gratin (de met kaas bereide korst van een ovenschotel) en — uitzonderlijk — le dessus du panier gebruikt.
La fine fleur verwijst naar de toplaag, vooral van mensen. De toplaag in de kunsten, de letteren, de politiek, de zaken, de sport… wanneer die mensen samenkomen of gemeenschappelijke kenmerken hebben: fine fleur van Belgisch voetbal passeerde bij Veljkovic…, Brussel verwelkomt fine fleur van Europese schoenpoetsers…, hoe de fine fleur van het Belgische vrouwenbasket in Chicago belandde…, de fine fleur van de wijnproevers…, van de Franse intellectuelen…, van de economen…  geef ik als voorbeelden uit de pers voor de fine fleur van mijn lezers.

De fine fleur is geen bloem.
Of toch: het is bloem. De fine fleur is de allerfijnste en zuiverste bloem die bij het malen ontstaat: de fleur de farine waarmee het lekkerste gebak wordt bereid, in oud-Frans ook wel flor genoemd. Het Engels heeft die flour behouden, lange tijd als flower geschreven, en bezigt nog zelden het woord meal om over meel of bloem te praten. Ook in het Nederlands is bloem fijner en verfijnder dan meel, dat van hout kan zijn: zagemeel. Al in de dertiende eeuw werd het woord bloem zowel voor fijn meel als voor de bloem van een plant gebruikt.
Wie ergens de term fine fleur leest, moet dus niet aan rozen of orchideeën denken, aan lelietjes van dalen of welk bloemetje dan ook, maar aan de zware zakken die bij de bakker staan, waaruit de lekkerste taartjes worden bereid.

L’éminence grise

Bij het begrip éminence grise wordt in dit land al te vaak aan een invloedrijke, oude man met grijze haren gedacht: iemand die door zijn ouderdom wijs, en door zijn wijsheid zeer invloedrijk geworden is. Dat beeld klopt niet. Invloedrijk is wel nodig, een man hoeft niet — maar is in de huidige maatschappelijk context wel het frequentst — en oud en met grijze haren is onzin. De eerste keer dat ik in Frankrijk een éminence grise werd genoemd, was ik geen veertig. Dat eminence was wat overdreven en ironisch in het gebied, de grensoverschrijdende samenwerking, waar ik een beetje invloedrijk werd geacht, maar ik was lang niet oud en grijs.
De eerste man die ooit éminence grise werd genoemd was le père Joseph, voluit François Leclerc du Tremblay (1577-1638). Hij was raadgever van Armand Jean du Plessis de Richelieu, beter bekend als cardinal de Richelieu (1585-1642), die van 1624 tot zijn overlijden minister van de Franse koning Louis XIII was. Als kardinaal was Richelieu in fel rood gekleed, en de kapucijn père Joseph droeg een grauwe monnikspij. Het grijs van de éminence is het grauw van die pij.
Een éminence grise is een invloedrijk persoon die geen formele titel draagt. Het komt vaker voor bij wat oudere mensen als fin de carrière — omwille van de ervaring en hun carnet d’adresses, hun entregent —, maar het hoeft niet. Als ik een Belgisch voorbeeld mag geven — op een wat puissanter niveau dan mijn veertigjarige zelf — denk ik aan Noël Slangen, die in 1999 als 34-jarige de toen 46-jarige premier Guy Verhofstadt adviseerde, en wiens invloed veel verder reikte dan zijn officiële titel als lid van de Beleidsraad en communicatie-adviseur. Ook Dominic Cummings was — als 48-jarige — een éminence grise van de 55-jarige Boris Johnson. Of de 40-jarige Henry Kissinger voor Nixon, tot hij minister werd. En Jeanne-Antoinette Poisson, madame de Pompadour, die ook toen ze geen maîtresse-en-titre van Louis XV meer was, als 30-jarige vrouw veel invloed behield op diens beleid, met name op het vlak van kunst, literatuur en architectuur.
[Ze moet een heel bedreven vrouw zijn geweest, die Pompadour, die erin slaagde bij iedereen een wit voetje te halen, zelfs bij de koningin, iets dat haar even illustere voorgangster Agnès Sorel — nu opnieuw te bewonderen in het KMSKA — niet is gelukt.]
Deze grauwe eminenties zijn allemaal jonge, of toch veeleer jonge mensen — geen van hen was een grijsaard — met de 48-jarige Cummings als ouderdomsdeken. De paradox is dat sommigen (Cummings, Slangen, Pompadour…) kleurrijke figuren waren of zijn. De echte, door de wol geverfde grauwe eminenties zijn discreet, en blijven ons voor altijd onbekend. Wat geeft dat ze, ten onrechte, slechts zelden in de fine fleur worden opgemerkt.

taal”besmetting”

Het is best mogelijk dat het al bestaande woord maquereau (makreel) heeft meegespeeld om van een makelaar als pooier in boeventaal een maquereau te maken, net zoals het Nederlandse, vooral Vlaamse kruim (voor het beste, voor de fine fleur, zoals in het kruim van de Vlaamse muziek) allicht onder invloed van het Franse crème de la crème is ontstaan. Door klankverwantschap ontstaan nieuwe betekenissen voor bestaande woorden. Soms komt dat heel goed uit, zoals wanneer het kruim met de beste bloem is bereid. Overigens heeft een toplaag niet altijd goede connotaties. Denk aan het schuim, waarmee het uitschot, het geboefte wordt bedoeld. Het kruim is beter dan het schuim.

 

P.S.: Voor mensen die, al is het in overdrachtelijke zin, in grauwe monnikspijen zijn gehuld, is de uitdrukking door de wol geverfd misschien wat ongepast.

 

Jan Emiel Daele was een moordenaar

Wie heden (september 2022) op wikipedia het lemma Jan Emiel Daele opzoekt, vindt dit: Jan Emiel Daele (Gent, 12 april1942 – Gent, 14 februari1978) was een Vlaams romanschrijver, essayist en dichter.
Wat verder, onder Privé, staat:

Daele hunkerde naar erkenning en waardering. Hij meende die te hebben gevonden in de loge ‘Pieter de Zuttere’ van de Grootloge van België, tot hij moest vaststellen dat zijn vrouw [Digne (of Digna) Van Cappellen (1948-1978), met wie hij in 1973 was gehuwd, en die hem in 1975 een zoon had geschonken] een relatie was aangegaan met de achtbare meester van die werkplaats en ze aanstalten maakte om hem te verlaten.
Op 14 februari 1978, Valentijnsdag, trok Daele hieruit zijn conclusies en schoot hij Digna dood. Daarop beroofde hij zichzelf van het leven. Uit nagelaten brieven bleek dat hij de moord en zelfmoord al een hele tijd had gepland.

Wie Jeroen Brouwers’ Vlaamse teksten leest (Vlaamse leeuwen (1994), Gezichten, gestalten (2011)*) komt alras tot de vaststelling dat de Vlaamse letteren omstreeks de jaren ’60 en ’70 werden gepleegd door een gezelschap dat behalve uit enkele dwaze ouderlingen (Jonckheere, Gijsen) vooral uit zuipschuiten bestond, die zich in Antwerpse herbergen of bij elkaar thuis te pletter dronken, op feestjes met trofeevrouwen pronkten — en ze bij wijlen aan elkaar verloren — waarna ze huiswaarts kerend de Vlaamse wegen onveilig maakten. Brouwers heeft ook over zelfmoord van literatoren geschreven (De laatste deur (1983, 2017), De zwarte zon (1999)) en Jan Emiel Daele hoort erbij.

In de tekst over Jan Emiel Daele — die hij in februari 1978 schreef, en zowel in Leeuwen als Gezichten is opgenomen — vermengt Brouwers heel handig, en meesterlijk, Daele’s verhaal met het zijne, en met Tolstoj’s Anna Karenina. Op 17 november 1973, de zwartste der dagen, komt Brouwers’ geliefde, die ik zal noemen Nachtschade schrijft hij, en van wien we behalve de schoonheid weinig vernemen, met een vrachttaxi-met-chauffeur haar spullen halen. Nachtschade had geruime tijd met Jeroen in huize Krekelbos in Rijmenam gewoond, en keerde terug naar haar echtgenoot.

Het afscheid in de slaapkamer, — ik op de rand van het bed gezeten, zij drentelend voor de geopende kleerkast, waaruit ze haar jas nam, die ze aantrok, waarna ze het hangertje op de bodem van de kast liet vallen. Bezat ik een vuurwapen, ik zou haar nu… ik weet het zeker. Ik zal haar de schuld blijven geven van al mijn angsten en er daarna weer berouw over hebben. Zo luidt een van de slotzinnen van Anna Karenina.

En wat verder:

Zou ik daarna een brief schrijven, daarin verwoordend ‘hoe ik ertoe gekomen ben’, en zou ik daarna de vuurmond van het wapen op mezelf richten teneinde, vervuld van haat, vervuld van angst, vervuld van wroeging , ook aan mezelf het vonnis te voltrekken?

Het zijn prachtige bladzijden die Brouwers schrijft, die de vergelijking met een meesterwerk als Geheime kamers (2000) kunnen doorstaan. Misschien — allicht — heeft hij het aangedikt, versterkt, met sneeuw, tocht, openstaande kasten, elektriciteit die uitvalt en gas die op is, maar wat verder gaat het over realiteit. Over Jan Emiel Daele en zijn vrouw — Botticelli schildert de lentebruid, oprijzend uit de zee (…) Digna valt niet te beschrijven, zo niet te beschrijven mooi was ze. Brouwers verhaalt in enkele pagina’s de verburgerlijking van een generatie jonge schrijvers die voor vrijheid pleitten, ook in de liefde, en die er ondanks hun torenhoge ambities niet in geslaagd zijn Vlaanderens niet te verwrikken onbeweegbaarheid te veranderen. Wanneer Jan Emiel Daele en Digna Van Cappellen op 7 september 1973 in het huwelijk treden vindt de receptie plaats in de linkervleugel van een kasteel, terwijl in de rechtervleugel de bruid een dochter is van Manu Ruys. Sommige gasten lopen tussen de twee feesten heen en weer, ze hebben verplichtingen aan beide kanten, en op de binnenplaats krijgt Brouwers pardoes een hand van premier Tindemans. Zéér lezenswaardig is het, als portret van een generatie en van een milieu, en van haar oprechte of gespeelde dromen, en wat daarmee is geschied. Onderwijl, als geweerschoten in een roesdronken dag, lardeert Brouwers zijn tekst met zelfmoorden: Jimi Hendrix, Anneke de Witte (**), Jan Emmens, Henry de Montherlant, Yasunari Kawabata, Anne Walravens, Jotie T’Hooft…
Anne Walravens’ zelfmoord, die Brouwers hard heeft getroffen, staat bijna gewoon in de rij, bijna in dezelfde zin waarin Tindemans’ handdruk wordt verteld  — Die avond zag ik dat ‘vroeger’ opeens voorbij was en alles definitief zou veranderen — waardoor Brouwers over zijn eigen lijden extreem terughoudend blijft. Een zin in mineur.

De link met Daele op 17 november 1973 wordt wat later gelegd. Een grafsteen, vermeld op een telegram dat Brouwers die dag van Daele krijgt — grafzerk toegekomen wil je mij opbellen —, is een van de vele elementen die genoemde Daele uit een afgebroken kerk en een opgeruimd kerkhof naar zijn huis in Drongen (Kerkstraat) laat aanvoeren — de zerk is wel voor Brouwers bestemd —, waaronder ook een gouden kazuifel dat ook binnenstebuiten kon worden gedragen en dan een rouwkazuifel was. Daele’s huis is omringd door prikkeldraad, hoge hagen en een sloot, maar de dood zit binnen, ze zit in het huis.

Nachtschade is vier maanden na die 17de november met haar meubelstukken, koffers, dozen, volgepropte kussenslopen en katten in Brouwers’ leven teruggekkeerd. Het koppel verliet Vlaanderen, en imiteerde tot heden (1978) de huwelijkse staat aan de rand van de wereld. Maar

Vier dagen geleden [op 14 februari 1978] heeft Daele met het vuurwapen zijn vrouw gedood: — daar zij hem angst inboezemde, van welke angst hij haar de schuld zou blijven geven terwijl het berouw daarover hem het verderdenken en het ademen zou beletten. Toen heeft Daele door de sneeuw lopend — sneeuw uiteraard, zoals op Brouwers’ eigenste 17 november 1973 — de brieven gepost waarin hij had verwoord hoe hij ertoe gekomen is. Toen heeft Daele zich uitgedost in de kleren die hij wenste te dragen en trok zijn witte handschoenen aan, waarbij hij, zo beeld ik me in nu ik mij met hem vereenzelvig, het horloge heeft horen tikken dat niet hoeft te worden opgewonden zolang de polsslagader klopt. Toen heeft Daele niet staan stuntelen omdat hij zich nog niet zou hebben afgevraagd waar tegen zijn lichaam hij de vuurmond zou drukken teneinde vóór te blijven op zijn achtervolgers [De Achtervolgers is Daele’s belangrijkste boek] : Daele drukte de vuurmond van het wapen tegen het weke gedeelte tussen kin en strottenhoofd.

Waarmee Daele zelfdoding heeft gepleegd, en de moord op Digna Van Cappellen als context, als collateral damage, als nevenschade wordt vermeld. Witte handschoenen, sneeuw, en een vrouw als slachtoffer. Wikipedia leert ons ook dat Daele alles goed heeft voorbereid: Enkele dagen voor zijn fatale daden, stuurde Daele een pak archiefstukken, enerzijds naar de directeur van uitgeverij Manteau, Julien Weverbergh, anderzijds naar de directeur van het Letterenhuis, Ludo Simons.

We herinneren ons Daele een beetje als schrijver, en vooral, dankzij Brouwers, als schrijver-zelfmoordenaar, de zoveelste in de rij. Zelfmoord als literaire daad en als getuigenis, mét archieven in het Letterenhuis. Zelfmoord als poging tot onsterfelijkheid. Maar het ingrijpendste dat Daele ooit heeft gedaan is niet zijn schrijven, noch zijn zelfdoding, maar het plegen van een moord op iemand die daar geenszins om had gevraagd. Zij wilde verder leven, zonder hem, en was daar zeker toe in staat. Digna zou het in haar leven wèl hebben gemaakt, schrijft Brouwers. Met alle respect voor wie zelfdoding pleegt — het enige bewijs van menselijke vrijheid, volgens de Zweedse schrijver Stig Dagerman in Onze behoefte aan troost (1955, postuum) — maar iemand meenemen in die doding is zowat het lafste en laaghartigste dat er bestaat.
Op wikipedia staat de moord onder de hoofding Privé, maar er is allicht niets dat meer openbaar is dan dat.

onsterfelijkheid

Ik heb een aantal (niet alle) van Brouwers’ teksten over schrijvers en zelfdoding gelezen — en prijs me gelukkig dat Brouwers ondanks zijn interesse (of is het obsessie?) niet zelf in het verhaal is gestapt.
Voor vele auteurs (niet voor alle, want sommigen zijn uit hun land en hun heimat verdreven, werden vervolgd of waren ongeneeslijk ziek) lijkt zelfdoding meer op een literaire daad — een ultiem, extreem hoofdstuk van hun productie. Ze schrijven verhalen en romans, gedichten en essays, theaterteksten, recensies, commentaren, cursiefjes en brieven, en zetten zelfdoding als kroon op hun werk, waarbij de som, goed bewaard, een œuvre moet zijn dat onsterfelijkheid brengt. Wat blijft er over? is ook de vraag die Brouwers vaak stelt, alsof voor een leven slechts wat overblijft telt.
Daarin zitten vaak twee paradoxen. Nogal wat zelfdoding-schrijvers sluiten zich af van de wereld, zo mogelijk samen met een geliefde — idealiter stapt die nadien vrijwillig mee in de dood. Behalve voor wat andere schrijvers schreven vóór hen sluiten ze hun ogen en oren voor het geraas van de maatschappij. Ze willen niet horen maar praten of roepen, en zijn ontstemd wanneer niet naar hen geluisterd wordt, wanneer ze geen uitgever vinden, of wanneer hun uitgegeven werk nauwelijks lezers vindt. Sommigen plannen hun zelfdoding — behoorlijk jong — maar raken in paniek bij wat ze allemaal nog willen schrijven eer het zover is. Enkel de onsterfelijkheid van wie gestorven is brengt hen rust.

 


Ik ga de wiki-pagina corrigeren. Benieuwd wat dat geeft.

 

(*) In Gezichten, gestalten verzamelt Brouwers enkele oudere teksten, die weliswaar niet uitsluitend, maar wel vooral over Vlaamse schrijvers handelen.
(**) Met Anneke de Witte verwijst Jeroen Brouwers allicht naar Anneke Hoegaerts, de echtgenote van auteur Dirk de Witte, en Brouwers’ secretaresse bij Manteau. Zij doodde zichzelf nadat ze de archieven van haar eveneens zelfgedode echtgenoot had geordend en bij wijlen van commentaar had voorzien.

de aanbouw van het Steen mag de Erfgoedprijs niet winnen

welkom !

Het is begrijpelijk dat het moeilijk is een oud, historisch waardevol gebouw op een optimale manier universeel toegankelijk te maken. Denk aan de discussie in Gent. Het is begrijpelijk dat men bij de bouw van het Antwerpse MAS pas laattijdig heeft ontdekt dat het dak van het museum een publiekstrekker kan zijn, waardoor het niet met een lift bereikbaar is — meer dan tien jaar na de opening had die lift er wel kunnen staan. Maar het is onbegrijpelijk, of zelfs schandalig, dat de recente aanbouw van het Steen in Antwerpen, dat als toeristisch informatiecentrum geldt, niet op een correcte en menswaardige ontvangst van mensen met een beperking is voorzien. Voor hen is er de achterdeur — elders is dat de plek langs waar het bier wordt binnen gebracht —, en als ze toch de voordeur willen nemen, worden ze er aan de trapjes “graag geholpen” door de mensen van het informatiecentrum — over hen geen kwaad woord. Van het uitzichtpunt boven mogen ze niet genieten, als ersatz is er een venster op de Schelde.
Het maakt daarom weinig uit wat we vinden — of wat deskundigen vinden — van de vormelijke kwaliteiten van het gebouw, of van zijn aanpassing aan het Steen. Wat hier geldt is dat het als openbaar gebouw met een belangrijke publieksfunctie een absolute miskleun is. Het zou een zeer slecht teken zijn — een aanfluiting — mocht dit gebouw in oktober de Erfgoedprijs ontvangen — waarvoor het onlangs op de shortlist kwam. Noch de opdrachtgever, noch de ontwerper, noch hun gebouw heeft dat verdiend.

 

de achterdeur
(let ook op de afwezigheid van een handgreep langs de trap)

 

« Oudere berichten

© 2022 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑