Jef Van Staeyen

Categorie: 2024 (Pagina 8 van 15)

writer’s block

Nee, mijnheer, zei de vrouw aan de telefoon, een writer’s block kunnen we u niet leveren, omdat u geen writer bent.  Ik wilde writer worden, en zo’n block leek me een goed begin, maar om writer te worden moest ik writer zijn.
Ik woon in de stad. Alleen. Met duizenden mensen om me heen. Ze komen van heinde en ver, met hun verhalen, maar ik ken ze niet — en mijn verhaal is banaal. Soms spreek ik enkele woorden met hen. Ik zeg dat de tram waarop we wachten over drie minuten komt, of vraag of ik cash mag betalen voor een brood in de supermarkt. Wanneer ik op een bank ga zitten, op anderhalve meter van een ander, blijft het bij vriendelijk knikken — stoor ik niet? —, geen verstaanbaar woord wordt gewisseld. Mijn werk doe ik thuis via de computer, en dien wekelijks digitaal mijn cijfers in. Geen idee waarvoor ze gebruikt worden, zelfs de betekenis is me ontgaan.
Schrijven moet me helpen, al zou ik niet weten wat. De groepsreis naar Bonn heeft een ander al uitvoerig verteld. De vallende sterren, de storm, de hagel of de parade onlangs heeft ieder gezien. En de luidruchtige Jaguar, zilvergrijs, van mijn vader geërfd, die ik tot vorig jaar had, heeft me geen avonturen of avontuurtjes bezorgd. Enkel kortstondig geflirt. En zonnevlekken op de motorkap, rijdend onder de bomen langs de baan. De poëet om dat te beschrijven ben ik niet.

Hoe over leegheid schrijven? Met lege bladen zacht wit papier? Een writer’s block als onderwerp leek me een goed idee. Wijlen Zwagerman heeft het gedaan — Chaos en rumoer was niét zijn laatste boek. Pascal Mercier schreef Perlmann’s zwijgen: in 620 pagina’s was het Perlmann’s block. En voor Waterdrager’s Poubelle was het block van de mislukte schrijver Wessel Stols de start van een goedgevuld boek. Weinig thema’s zijn meer be-leefd — vécu — door hun schrijvers dan een writer’s block. Van block naar boek, waar zit het verschil?

Waar vind je zo’n block? Hoe groot en zwaar is het? Zelfs wiki weet het niet. Kan ik zo’n block op de tram of de fiets meenemen, is een deelauto nodig, of wordt het aan huis bezorgd? Het hele internet heb ik afgeschuimd, op zoek naar een block. In de vier talen die ik een beetje beheers, en met een vertaalassistent voor tientallen andere, terwijl er toch duizenden zijn. Bibliotheken hebben geen blocken maar boeken — en ruimte voor… blokkers. Het Letterenhuis geeft een cursus hoe je met een block omgaat, maar blocken in huis heeft het niet. Zelfs bij de steenkapper naast het kerkhof ben ik geweest, bij de houthandelaar en de schrijnwerker: is het een kapblok of een keukenblok dat u zoekt? Ik wist zelfs niet hoe, waar en waarvan een writer’s block wordt gemaakt.
Uiteindelijk kwam ik toch bij die auteursvereniging terecht. Met op de website — wat dacht u? — enkel schriftelijk contact. In een venstertje, 400 tekens groot. Vierhonderd! Voor ik dat venstertje vond, en de beperkingen aanvaardde, heb ik uren gesurft. Surfen, om de beperkte diepgang die je er vindt; wie wil duiken breekt zijn nek. Van thema’s ging ik naar zoekfuncties naar frequently asked questions naar voorgekauwde antwoorden naar contact, wat me weer bij frequently asked questions of veelgestelde vragen bracht. Een website leidt je voortdurend om de tuin. Hij is als het tegengestelde van een boek, waarin alles netjes zijn plaatsje heeft, en je na pagina 146 niet plots weer op 23 staat.
Toch heeft dat piepkleine venstertje — niet meer dan een dikke tweet — plus nog wat zoekwerk, me een telefoonnummer opgebracht. Dat ik beweerde de befaamde schrijver Arman Bruggemans te zijn, en daarmee de dienstdoende stagiaire bedroog, is een zonde die ik me graag vergeef.

Nu zit ik aan mijn schrijftafel, met mijn writer’s blocken voor me gestald. Meervoud. De laptop, die in normale omstandigheden cijfers zoekt, verwerkt en verzendt, of mijn surfplank op het internet is, ga ik gebruiken om te schrijven.
Dat zit zo.
Het telefoonnummer dat ik mits veel zoekwerk en een klein leugentje bekomen had, bleek minder efficiënt dan ik had verhoopt. Ondanks — of dankzij? — een eindeloze reeks keuzemenus die ik driemaal hebben moeten hervatten, kwam ik bij een synthetische stem terecht. A.I. allicht. Bij een auteursvereniging toch. Ze gaan mee met hun tijd. Om onduidelijke redenen heeft zo’n dom digitaal personage, dat je nooit wil begrijpen en je onnuttige antwoorden geeft, een vrouwelijke stem. En een vrouwennaam. Vindt u dat normaal? Je zou me hóren als ik feminist was. Vloeken helpt niet.  Kan je herhalen wat je bedoelt? — tutoyeren is obligaat in die wereld. Blijkbaar heb ik toen toch niet volkomen zinloze dingen gezegd, want ik kreeg zowaar Vivaldi aan de lijn. De Lente, of wat daar op leek. Nu ben ik geen fan van die Vivaldi — zijn andere concerten zijn beter, en minder vermoord — maar zijn Lente horen brengt hoop dat het telefonisch ooit zomer wordt. En tijd om te oogsten. Tenzij. Want  omdat u geen writer bent,  was het antwoord dat ik kreeg.

Toen ben ik zelf naar de steenhouwer, de metaalbewerker en de timmerman gegaan. Ik heb me een stel writer’s blocken laten maken. In de onwetendheid of zo’n block regelmatig is — een meetkundige kubus dus — heb ik in blauwe hardsteen een ruw blok laten houwen, 12 op 12 op 12 cm. Ongeveer. Het weegt vijf kilo. De oppervlakken zijn ruw gebroken, gezaagd, gebouchardeerd, gefrijnd, gezoet en gepolijst. Door de metaalbewerker dacht ik twee perfecte kubussen te laten maken, waarbij de kleinste diagonaal in de grootste past. Maar dat klopt niet. Een kubus heeft zes kanten, acht hoeken en twaalf ribben. Nooit krijg je de hoeken alle acht in het midden van de zes kanten van een grotere kubus geplant. Het is een regelmatig achtvlak dat je nodig hebt. Een octaëder. Die maakte de schrijnwerker voor me, in mooi, donker beukenhout. Hij past perfect diagonaal in de kubus van metaal.
Zo eenvoudig een kubus is, de ribben, het oppervlak, het volume — alles is één —, zo complex is een achtvlak. De hoeken tussen de vlakken bedragen geen 90 maar 109°28’16”, en de verhouding tussen ribben, volume en buitenoppervlak introduceert waarden met √2 en √3. Eenvoudiger is de verhouding tussen een kubus en het ingeschreven achtvlak. Die verhouding is 6 — rekende ik uit.

Ik zat al enige tijd te cijferen, en de verwondering over wiskunde en materie ongeremd te laten gaan — de zes gezichten, er zijn er meer, van blauwe hardsteen, en de onvermoede listen van de meetkunde — toen ik besefte dat ik nog altijd voor mijn writer’s blocken zat. Ze hadden me geen stap dichter bij de mensen en hun — of mijn — verhalen gebracht. Integendeel. De abstractie van de wiskunde, voor zover je aanvaardt dat de gebruikelijke drie dimensies niet naar de ons omringende materiële wereld verwijzen, en de duurzaamheid van een 300 miljoen jaar oud materiaal, waarvan de menselijke hand de intrinsieke kwaliteiten blootlegt, hadden mijn geest en mijn aandacht ingepalmd. Nog meer dan ik al dacht was ik uit de wereld verdwenen die me omringt, was het writer’s block een struikelsteen geworden, en lag ik geveld met mijn gedachten, ver weg van de tekst die ik schrijven wou.

Ik heb mijn writer’s blocken in mijn rugzak gestoken, en ben naar de tram gestapt. Over drie minuten is hij er, zei een vreemde. Het was waar. Toen we de Katelijnevest inreden, en de aankondiging zei dat het Driekoningen was, riep ik luid, voor iedereen hoorbaar, dat we voor Driekoningen nog enkele maanden zouden wachten, maar dat het de Meirbrug was. Een halte verder, Keizerstraat, niet De Merode, ben ik uitgestapt, en langs het Consciencepleintje en de Grote Markt naar de Schelde gewandeld. Ik ben een eind langs het water gegaan, op de botte kasseien. De zon schitterde op de Schelde zoals ze dat alleen in Antwerpen doet. Ik heb mijn writer’s blocken uit mijn rugzak gehaald, en naast elkaar, en naast me op de blauwe steen gezet. We hebben lang samen gezeten, mijn blocken en ik. Aan elkaar gedacht. Ik heb ze niet in het water gegooid, en ben er ook niet ingesprongen — in verhalen lees je zo’n dingen. Anders schreef ik dit niet. Met mijn blocken in mijn rugzak ben ik huiswaarts gegaan. Verhalen heb je niet nodig als je writer’s blocken hebt.

 

In een eerdere versie stond dat het blok in blauwe hardsteen 6 kilo weegt. Dat was een misrekening.
Als u liever over schrijversblokken dan writer’s blocken leest, is er dit: Schrijversblok

Poubelle — Waterdrager (naar de zee)

 

Nee, het is Waterdrinker, Pieter Waterdrinker, niet –drager.
Maar het water kan wel symbool zijn om de sloten witte wijn en andere alcoholhoudende dranken aan te lengen, die in Poubelle achterovergeslagen worden.
Toch is dat aanlengen niet het juiste beeld. Aandikken zou beter zijn. Met zagemeel — van dik hout zaagt men planken — of met aardappelbloem, waarmee sausen saai en zwaar worden gemaakt.
Pieter Waterdrinker heeft een dik boek geschreven, 544 pagina’s. In feite twee boeken, op een handige, nee meesterlijke wijze tot één groot verhaal gemaakt. Maar hij verstaat, nee misbruikt de kunst om de verhaallijn aan te dikken met in het beste geval filmische beschrijvingen. Bij een bezoek aan een invloed- en schatrijke man in Oekraïne komen de kinderen even in beeld, en krijgen we hun leeftijden en de wijze waarop ze zijn gekleed — een matrozenpak met zwarte lakschoenen voor de jongen van tien en een roze baljurk met witte balletjes en fel rode lakschoentjes voor het meisje van acht, want ze gaan naar het kinderbal bij de Brodski’s, die snoepfabrikanten zijn —, en bij de Parijse pied-à-terre die Wessel Stols, de hoofdpersoon, op dat moment sociaal-democratisch Europarlementslid, in de omgeving van het Musée d’Orsay heeft gekocht, hoort de spotprijs die hij bij de weduwe van een overleden collega van de fractie van de Europese groenen bedongen heeft. In een aanval van francofonie (!) heeft Friedl, zijn vrouw, het appartement helemaal opnieuw ingericht. Lijfelijke kenmerken, vooral van vrouwen, beeldschoon, komen uitgebreid aan bod, maar ook veel anders wordt in karrenvrachten geleverd, tot en met de prijsreductie die de Europarlementsleden in Brussel voor hun zwembeurten genieten. Naast de talrijke, elders opgesomde privileges mocht ook dit niet ontbreken.

periferie

Allicht was het boek te dik opdat de uitgever, Nijgh & Van Ditmar, het een corrector zou toevertrouwen. Er staan teveel fouten in, het lijkt wel een krant. Wie Franse termen gebruikt, kijkt best even na hoe ze worden geschreven — of wat ze betekenen: inmobilier, weinig verkeer op de periferie, of de genoemde francofonie — maar ook naar spelling en zinsbouw loopt het soms mis: de Tuileriëen, of Half soezend, als in een baarmoeder, liet Wessels Stols liet zich door de stad rijden. En dan vermijd ik dingen waarvan ik weet dat ze in het Noorden anders worden geschreven en gezegd dan hier in het Zuiden. Soms lijkt het boek me niet alleen slordig uitgegeven, maar ook slordig geschreven. Ik zou een tekstprogramma moet hebben om dat na te gaan. Stukjes tekst die een tweede keer voorkomen, zonder dat het als stijlfiguur is bedoeld — zat het stukje nog in een la, en moest het er zeker in? Of een bos rozen op station Bruxelles-Midi gekocht, wanneer Stols met de auto in één keer van Parijs naar Nederland rijdt.

De dikte van het boek maakt ook dat we, als lezers, herhaaldelijk en pagina’s lang, behoorlijk banale beschouwingen moeten slikken over het leven, de liefde, en seks. Over politiek en over de Europese machine, waarvan de priesters en dienaren, naar het voorbeeld van de communisten in Moscou destijds, doen alsof ze erin geloven om er beter van te profiteren. Geen dom idee, maar wel heel zwaar in de verf gezet.
Best handig plaatst Waterdrinker een dubbel scherm tussen de platheid van die ideeën, en hemzelf als auteur. Niet hij, maar een zekere Sander Brons heeft het boek geschreven, op basis van de autobiografische notities van Wessel Stols — of wat daarvan overblijft. Stols is een mislukte romanschrijver, die nooit verder raakte dan de overigens door zijn lezerspubliek zeer gewaardeerde columns in een belangrijke, toonaangevende — lees: progressieve — Nederlandse krant, en Brons, voor een kleinere rol als tegenbeeld, heeft als schrijver enig succes, tot zelfs in het buitenland.

Waterdrinker is niet karig met wat hij schrijft. Ergens las ik een vergelijking met Willem Frederik Hermans — wat Stols ook aanmoedigt, wanneer hij in Parijs aan Hermans denkt: “Als Hermans het kan, dan kan ik het verdomme ook.” Schrijven. De vergelijking kán als je de complexiteit van De donkere kamer of De herinneringen neemt, maar ze is onzin als je aan Hermans’ stijl en precisie denkt. Er staat niets te veel in Hermans’ boeken, die de nauwkeurigheid van een horloge hebben, én Hermans aarzelde niet zijn teksten herhaaldelijk bij te schaven, ook nadat ze waren uitgegeven, gedrukt en verkocht. Waterdrinker schaaft zijn boeken niet, zelfs vóór ze in de winkel liggen. Als Waterdrinker (of Brons?) even accuraat wil schrijven als Hermans, scheurt hij de helft van de pagina’s uit Poubelle. Richting poubelle. Ik wens ze echt niet toe wat met Stols’ schriftjes in Slovjansk gebeurt.

beste Mediahuis, schaf De Standaard af

 

Op 2 augustus publiceerde De Standaard, in de blog Uit het hart, een tekst van de gewaardeerde chroniqueur Tom Heremans over de eerste klasse in de trein: Beste NMBS, schaf eerste klasse af, want het maakt van mij een onuitstaanbare eikel.

Ik reageerde terstond, en schreef Tom Heremans en Lieve Van de Velde, redacteur van de blog, mijn verzuchting: beste Mediahuis, schaf De Standaard af, ik word een eikel als ik ze lees.

 

beste Mediahuis,

Ik lees graag De Standaard. Ze filtert en kadert het nieuws voor me.
Ik word niet graag lastiggevallen met moordzaken, verkeersongevallen en lokale politieke twisten. De Standaard kiest het belangrijke nieuws voor mensen als ik. Ze analyseert en opinieert. Dat doet ze zo vaardig dat de informatie zelf soms ontbreekt. [Die zoek ik dan bij de vrt.] Ze is mooi gepresenteerd. Goed geschreven artikels, met mooie koppen, foto’s en grafieken, en dat beetje lucht errond dat je ook in musea en dure winkels hebt.

De kwaliteit van De Standaard zie je goed als je ze naast Gazet van Antwerpen legt. De designers van die krant — ook gekend als De Frut — sparen tijd noch zweet om hun krant zo lelijk mogelijk te maken, daarin enkel overtroffen door Het Laatste Nieuws. Maar De Standaard is mooi. Ik ben trots dat ik ze lees. Ik voel me een hele man wanneer ik ze lees. [Ook vrouwen lezen De Standaard, dat hoort nu eenmaal bij deze eeuw.] Dus praat ik voluit met familie, vrienden en kennissen over wat ik in De Standaard las. De besten onder hen lazen het ook.
Maar ik heb een broer die Gazet van Antwerpen leest. [Familie kies je niet. En, ik mag hem wel.] Hij heeft hetzelfde gelezen als ik, en dat verrast — nee, verontrust — me toch. Om dat in het reine te trekken keek ik onlangs in de bibliotheek behoedzaam in Gazet van Antwerpen. [The New York Times had ik goed zichtbaar naast me gelegd.] In de Gazet zag ik exact dezelfde artikels als in mijn Standaard. Een andere titel soms, maar dezelfde inhoud, dezelfde woorden en zinnen, en dezelfde auteurs. Was die inhoud, waren die woorden en die zinnen niet veel te goed, te moeilijk en te verzorgd voor wie Gazet van Antwerpen leest? Of, anders gezegd: waren ze goed en moeilijk genoeg voor mij?

Intellectuele territoriumdrift welde in me op. Ik zat in dezelfde bibliotheek als al die andere mensen, ze konden dezelfde boeken nemen, of zelfs lenen en lezen, en ik kwam tot het besef dat zelfs bij mij thuis, bij het lezen van mijn krant, bij mijn muziek en in mijn zetel, de woorden, de zinnen en de ideeën in de krant gewoon dezelfde zijn.

Wie controleert die inhoud? Wie houdt de teksten uit elkaar? Wie staat er voor in dat we niet te vaak hetzelfde lezen, lelijk in De Frut, mooi in De Standaard? Ik voel me een eikel wanneer ik dat denk. Ik misprijs mezelf. Dus, beste Mediahuis, schaf De Standaard af, geef iedereen zijn Gazet, en maak ze wat mooier als het kan.

 

post scriptum:
Enkele dagen later, op 7 augustus, zat ik in zo’n eerste klasse wagen, tussen Brussel en Mons. De inrichting klopte niet helemaal met wat Tom Heremans schreef (geen linoleum op de vloer, maar tapijt, en geen bruinlederen stoelen), maar ging wel in die richting. Ze was lelijk. Ze was wuft.
Eerste klasse ontwerpers,
nieuwe Van de Veldes, voor eerste én tweede klasse, dat zou pas klasse zijn.

een parkeererf in Merksem

 

De Rustoordstraat in Merksem, die van de Bredabaan naar de oude gemeentelijke begraafplaats leidt, werd heringericht. Als woonerf.
Althans, dat is wat de verkeersborden vertellen, aan het begin en het eind van de straat.
Wie de heraangelegde straat bekijkt, ziet dat het in feite een parking is. Een parking met waterdoorlatende bestrating en wat groen — dat allicht als wadi werkt. De korte straat (80 meter) telt 14 parkeerplaatsen voor auto’s, dwars op de rijrichting gericht. Daar horen, om in en uit te rijden, brede rijwegen bij, bijna 6 meter breed. De parkeerplaatsen en de brede rijwegen zijn deels met waterdoorlatende bestrating uitgevoerd — onpraktisch en onaangenaam voor wie er te voet wil gaan — waarbij de “karrensporen” de auto-gerichte aanleg beklemtonen.
Er komt zeker nog meer groen in de straat, waaronder bomen, zodat ze er in de toekomst beter uit ziet, maar de belevingswaarde is klein. De ruimte achter de konten van de geparkeerde auto’s is niet geschikt voor spelende kinderen — ze is zelfs gevaarlijk — en in feite ook niet voor grotere mensen. Een breed trottoir, met langs-geparkeerde auto’s ernaast, had aangenamer en geschikter kunnen zijn. [De straat is meer dan 14 meter breed. Met één parkeerstrook en een rijweg, was er plaats voor een gewoon voetpad van 2 meter, en een breed van 5. Met bomen.] Men had er rustig kunnen wandelen of treuzelen, of zelfs zitten, tafels en stoelen buiten kunnen zetten, kinderen hadden er kunnen hinkelen of fietsen, of zelfs speelgoed laten slingeren, wat op het parkeer-erf niet kan.

Het karrenspoor toont dat de straat vooral voor auto’s is gemaakt, maar waar kan je onbezorgd gaan? En waar spelen de kinderen op dit “woonerf”?

project: water-link, in samenwerking met Aquafin

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑