In de stedelijke bibliotheek Permeke aan het De Coninckplein — De Coninck is niet de dichter maar de romanfiguur uit Hendrik Conscience’s Leeuw van Vlaanderen, en Permeke niet de schilder maar de garagist wiens garage tot openbare bibliotheek werd omgebouwd — staan niet veel boeken. Het is pijnlijk om te zien. Toch vond ik daar, op te lege schabben, een boek “van” Kees Fens: Het volmaakte kleine stukje, Keuze Joost Zwagerman, 2009.
Bij Kees Fens denk ik aan De Standaard der Letteren. Toen de krant op papier twee grote bladen vol tekst aan literatuur besteedde, en ook Fens zijn regelmatig hoekje had. Vraag me niet wat hij er schreef.
Kees Fens schreef prachtige tekstjes, dat wel. Het mooie is dat enkele ervan, nog geschreven onder het pseudoniem A.L. Boom, over zijn vader gaan. Hij vertelt hoe zijn vader een mensgrote (juister: een jongen-grote) vlieger bouwde, zo’n kruis van dunne staken met een wat ruitvormig zeil uit papier, die men naar de uitvinder een Eddy noemt, en de lange lijn tussen vlieger en vader de groeiende afstand tussen vader en zoon verbeeldde.
De stad en haar straten, in Amsterdam, waar Fens is opgegroeid, Londen, Antwerpen of Brussel, is een vaak beschreven onderwerp, waarbij Fens verhaalt hoe de Noord-Europese steden door hun kleuren en vormen winter-steden zijn. De zomer is voor het zuiden en voor de voorsteden, de verbanningsoorden waar de huizen te laag en te ver van elkaar staan. Die lijflijke benadering van de stad, die ligt me wel, zoals wanneer voor Kees Fens een bocht in de Londense Regent Street ook een bocht in het heelal is.

