Een winterse foto, en grijs en nat — 11 februari. Misschien komt er later een nieuwe.

 

Ik zou hier dagelijks, of minstens wekelijks, over vergeten voetgangers kunnen schrijven. Maar dat doe ik niet.
Omdat het Departement Mobiliteit en Openbare Werken in zijn Mobiliteitsbrief nr 266 van februari 2026 de heraanleg van een stukje Van Vaerenberghstraat in oud-Berchem ten onrechte als na te volgen voorbeeld duidt, doe ik dat hier wel.

MOW schrijft:

Creëer leefbuurten waar wandelen en fietsen eerste keuze zijn.

Nieuwe woonontwikkelingen verdienen een vlotte bereikbaarheid te voet en met de fiets. Zinvol ruimtelijk beleid beperkt fietsafstanden. (…)

De Van Vaerenberghstraat in Antwerpen-Berchem is een uitstekend voorbeeld hoe een verkeersfilter in een zone met gemengd verkeer ruimte maakt voor fietsers en voetgangers.

Mijn antwoord aan MOW :

Misschien zou dergelijke aanleg twintig jaar geleden “een uitstekend voorbeeld van een verkeersfilter” zijn geweest, maar dat voorbeeld is inmiddels achterhaald. Het verkeersbeeld is ingrijpend gewijzigd.

Een steeds groeiend aandeel van het fietsverkeer is gemotoriseerd. Zowat de helft van de verkochte fietsen heeft een elektrische ondersteuning. Fietsen worden sneller, groter, zwaarder en krachtiger, en het fietsgedrag evolueert navenant. Er komen meer en meer elektrische fietsen met of zonder bak, en vrachtfietsen en speedpedelecs, en er zijn ook een groeiend aantal elektrische steps. In een stedelijke context, wat oud-Berchem is, met smalle straten en een zone-30, zijn het fietsverkeer en het autoverkeer meer en meer naar elkaar gegroeid. Fietsen is er nauwer verwant met autorijden dan met te voet gaan.
Het is belangrijk dat die ingrijpende evolutie zich ook vertaalt in de wijze waarop de openbare ruimte wordt aangelegd: zorg voor een zo strikt mogelijke scheiding tussen enerzijds voetgangers en anderzijds fietsers en automobilisten. [Fietsstraten en -zones zijn daarvoor een uitstekend middel, waarbij de voetpaden strikt worden voorbehouden aan de voetgangers.]

Maar zelfs twintig jaar geleden, met langzamer fietsverkeer, zou dergelijke aanleg problematisch zijn geweest.

1. Deze aanleg moedigt fietsers aan om op het voetpad te rijden, waarmee ze de wegcode overtreden. Het is meteen ook een aansporing om elders de voetpaden te gebruiken.

2. Er is klein pleintje met twee banken gecreëerd. Dat kan interessant zijn voor (al dan niet oude) mensen om er te zitten of een praatje te slaan. Het is een ontmoetingsplek, maar ook een mooie plek voor spelende kinderen in een buurt die voor spelen weinig kansen biedt. Kinderen zouden er kunnen hinkelen, tekenen, kegelen, hun speelgoed laten slingeren… ware het niet dat dat net de plek is waar het al dan niet gehaaste fietsverkeer wordt doorgeleid. Wat een mooie en aangename plek zou kunnen zijn, is meteen verknoeid.

3. De rijweg werd over een twintigtal meter verhoogd. Zoiets doet men veelal om de rijsnelheid te verlagen, en om het oversteken te vergemakkelijken. Maar over een zo lange afstand heeft dat weinig effect op de snelheid — en althans minder effect dan het versmallen van de rijbaan, zoals daar is gebeurd. En oversteken is onmogelijk voor de voetgangers, want aan de overzijde ligt een greppel (een wadi). Men had aan die verhoging kunnen verzaken (of twee korte drempels leggen), zodat het voetpad met een echte boordsteen tegen storend fietsverker was beschermd.

Zoals u ziet, het kon (veel) beter.