Laatst begon ik aan Dertig dagen, van Annelies Verbeke. Ik ben er snel mee gestopt. Misschien onterecht. Alhoewel.
Dertig dagen begint zo:

Hij rijdt door het warme, klare weer, door het landschap dat hem vreemd blijft maar waarvan hij aarzelend is gaan houden. Soms mist hij de stad nog, de kleuren, de geluiden, de afleiding. Hier is het anders, niet slechter. De bloesems en het gezoem van de lente zijn overgegaan in een veelbelovende zomer die voor een teveel aan regen op de vlucht sloeg en dan terugkeerde om de nakende herfst te verwarren. De velden zijn nog zompig. Alsof ze niet dof en vlekkerig worden, knikken de boomkruinen vol ingehouden bravoure naar de lucht, onophoudelijk: laat maar komen. Hoppalen torsen dikke bellen, dronken van zichzelf, klaar voor oogst. Eenzaam stof waait op en strandt in plassen. Rotondekunst toont dieptepunten. Hij weet niet zeker of dit alles hem sterkt dan wel bedwelmt.

Dat noem ik maniërisme, met de rotondekunst als tegenpool. Nee: als keerpunt. Ik heb het boek opzij gelegd. Niet na die ene paragraaf, maar toch niet veel verder. Wel genoeg om te beseffen dat Annelies Verbeke de lezers graag op het verkeerde been zet. Omtrent de hoofdpersoon Alphonse. [Misschien doet ze dat ook met de stijl, zal ik dra merken, en is haar alles behalve ingehouden bravoure in deze korte tekst een soort rotondekunst. Misleidend.]
Het is Verbeke’s watermerk: je weet niet wie of wat het hoofdpersonage is, zijn of haar identiteit. Soms vergis je je zelfs, als voor Alphonse van Dertig dagen. Zo toont ze de relativiteit van identiteit, de identiteit van anderen, in dit geval van personages, en de identiteit van onszelf. Waarom willen we als lezer zo graag weten of een personage een man is of een vrouw, een droom of een robot? Verandert de betekenis van een tekst als de identiteit van het personage plots omslaat? Kiezen we identiteit, of wordt ze ons opgedrongen?

Dat is wat in een ander boek van Annelies Verbeke zo prachtig is, Treinen en kamers, een verhalenbundel. Verbeke is sterk in verhalen. In feite besef je snel dat je elk verhaal minstens twee keer moet lezen, omdat je pas laat de ware aard van een personage ontdekt, en/of omdat een tweede verhaal een nieuw licht op een eerste werpt. Er zit ook veel fijnzinnige humor in. Verbeke schrijft grappige verhalen. Een aanrader.
[Misschien geldt dat ook voor Dertig dagen. Ga ik lezen.]