Laatst begon ik aan Dertig dagen, van Annelies Verbeke. Ik ben er snel mee gestopt. Misschien onterecht. Alhoewel.
Dertig dagen begint zo:
Dat noem ik maniërisme, met de rotondekunst als tegenpool. Nee: als keerpunt. Ik heb het boek opzij gelegd. Niet na die ene paragraaf, maar toch niet veel verder. Wel genoeg om te beseffen dat Annelies Verbeke de lezers graag op het verkeerde been zet. Omtrent de hoofdpersoon Alphonse. [Misschien doet ze dat ook met de stijl, zal ik dra merken, en is haar alles behalve ingehouden bravoure in deze korte tekst een soort rotondekunst. Misleidend.]
Het is Verbeke’s watermerk: je weet niet wie of wat het hoofdpersonage is, zijn of haar identiteit. Soms vergis je je zelfs, als voor Alphonse van Dertig dagen. Zo toont ze de relativiteit van identiteit, de identiteit van anderen, in dit geval van personages, en de identiteit van onszelf. Waarom willen we als lezer zo graag weten of een personage een man is of een vrouw, een droom of een robot? Verandert de betekenis van een tekst als de identiteit van het personage plots omslaat? Kiezen we identiteit, of wordt ze ons opgedrongen?
Dat is wat in een ander boek van Annelies Verbeke zo prachtig is, Treinen en kamers, een verhalenbundel. Verbeke is sterk in verhalen. In feite besef je snel dat je elk verhaal minstens twee keer moet lezen, omdat je pas laat de ware aard van een personage ontdekt, en/of omdat een tweede verhaal een nieuw licht op een eerste werpt. Er zit ook veel fijnzinnige humor in. Verbeke schrijft grappige verhalen. Een aanrader.
[Misschien geldt dat ook voor Dertig dagen. Ga ik lezen.]

