Jef Van Staeyen

Categorie: Verhalen (Pagina 1 van 15)

mooie tramkaartjes

Op zondag 30 november wachtte ik in het Centraal Station op een aankomende trein. Ik had een afspraak en was flink op tijd. In een deur van een vertrekkensklare trein naar Brussel stonden twee meisjes, ze overschouwden het lege perron. Plots liep één snel naar een zitbank, legde twee papiertjes neer, en rende terug. Het andere meisje keek wat angstig toe. Een minuutje later, toen de trein vertrokken was, ben ik uit nieuwsgierigheid naar de bank en de papiertjes gestapt. Het waren twee tramkaartjes: 4 rides left, have fun  :)  en  2 rides left, have fun  :) . Ik hoop dat de uiteindelijke vinder van de mooie tramkaartjes er veel plezier mee beleeft.

ga nooit naar Dendermonde

Deze tien jaar oude anekdote (15 augustus 2015) vond ik vandaag per toeval terug. Enkele details, waaronder de sliptongetjes, paste ik aan. Ze verdient enige uitleg.

Mijn vader had een tante nonneke in Dendermonde. Bij de Maricolen in de Brusselsestraat. Enkele keren per jaar trokken we daar met de auto naartoe. Vader, moeder en een rist kinderen, waarvan de kleinste vooraan op de schoot. De herinneringen zijn niet eensluidend positief. ’s Middags waren er gezoete erwtjes en peekes (worteltjes) bij het middagmaal, we bezochten enkele ouderlingen wier handen onze haren streelden en die ons snoepjes gaven of (veel beter) enkele nummers van het NMBS-maandblad Het Spoor, en we maakten een luie wandeling in de tuin. In de gangen en kamers grijnsden de heilig-harten, de maagden-met-kinderen en de heiligenbeelden vanonder hun glazen stolpen ons toe. Nooit bezochten we Dendermonde, de stad. Het betekenisvolst was allicht de autorit ernaartoe: de lelijkheid van Antwerpen naar Boom, Willebroek, Baasrode en dan Dendermonde heeft niet weinig bijgedragen aan mijn roeping stedenbouwkundige te willen worden.

In Antwerpen en omgeving is 15 augustus moederkesdag. De voorbije jaren maakten we dan een uitstap met moeke en enkele (schoon-) broers en zussen. Zo ook in 2015. Dendermonde leek ons een goed idee, om toch eens wat meer van het stadje te zien, en oude herinneringen met nieuwe realiteiten te confronteren. Ziehier mijn verslag (16 augustus 2015).

Wat ’n rotdag!
De droogste zomer sinds jaren, en een hele dag regen.
We hebben gezien hoe verlaten een stad kan zijn.  Meer goedbedoelde sculptuurtjes in de straat dan mensen.  Op zoek naar een droge plek zijn we van café naar café, van kerk naar kerk, en van museum naar museum getrokken.  In het volkskundemuseum van het plaatselijke begijnhof zagen we al de oude rommel die de Dendermondenaren sinds jaren van hun zolders en uit hun schuren hebben gehaald — wat ’n troep — en in het stadhuis al de schilderijen waarvoor ze elders geen muren meer hadden.
We hebben gezien hoe de Dender de mond is gesnoerd.  Aan de openbare bibliotheek zagen we hoe de auto als medium het boek letterlijk verdrukt, de grond induwt.  Want de zon en het licht (als die er zijn) zijn voor de automobilisten op het dak, niet voor boekenwurmen in de kelder.  In de hoofdkerk zagen we twee Van Dijcks — alsof er in Antwerpen niet genoeg van hem hangt.  En aan het beeld van pater De Smet hebben we hoogoplopende ruzie gehad.

Ten einde raad zijn we die droevige stad ontvlucht, om te gaan eten in een oude molen, beneden de dijk van Vlassenbroek, waar ze mosselen hadden.  En zalm.  Sliptongetjes (*).  (“A slip of the tongue”, zeggen ze over ‘t Kanaal.)  Noorse schotels met Oostendse garnaal.  Rundersteaks.  Slaatjes.  Kaas-, garnaal- en uiteraard aardappelkroketjes.  En friet.  Boven op de dijk heeft mijn zwager het Schelde-oratorium gezongen. Gij Schelde, gij machtige prachtige vloed.  Alsof het leven voor de schapen al niet gruwelijk genoeg is.

Maar het ergst van al was toch de Brusselsestraat.  We hebben moeten aanschouwen hoe er van het riante Maricolenklooster bijna niks overblijft.  En de landerige tuin met boomgaard en konijnen door koele nieuwbouw, zielloze parkings met barelen en een pover gazonnetje vervangen is.
Vooral: we hebben vastgesteld hoe al onze herinneringen, waarvan we elk van ons zo zeker zijn… uiteenlopend, om niet te zeggen tegenstrijdig zijn.

Eén advies blijft na decennia overeind: ga nooit naar Dendermonde.  Heb desnoods autopech (*).
Tenzij je nog wat oude spullen hebt.

(*) Pas onlangs ontdekte ik dat sliptongetje toch de juiste term is, en niet slibtongetje. Ze slippen door het net.

(*) De autopech verwijst naar één van de deelnemers, die omwille van pech Dendermonde niet heeft bereikt, én naar pech die wij (vader, moeder en hun kroost) ooit hebben gehad. Met hetzelfde resultaat.

De genoemde Pater De Smet ben ik de jaren nadien nog meermaals tegengekomen: pater De Smet en de Indianen. Ook in Montana en Canada.

Dendermonde is in de loop der jaren wat in mijn achting gedaald, naargelang ik ontdekte dat het befaamde Ros Beiaard met de vier Heemskinderen — le cheval Bayard et les quatre fils Aymon — al even uniek is als het carnaval van Aalst. Niet dus.

weinig dingen zijn meer veranderd dan de fiets

Gisteren ben ik langs de Leie gaan wandelen. Het museum Dhondt-Dhaenens, het kasteel van Ooidonk, het sas van Astene. Met een goed boek (W.G. Sebald) waarover ik weldra schrijf — ik had ook een schriftje voor aantekeningen met me mee.
Wat me verraste waren de fietsen. Naast het terras van een brasserie in Bachte-Maria-Leerne (rogvleugel met kappertjes) stonden tientallen fietsen geparkeerd. Maar terwijl zo’n fietsen enkele jaren geleden behoudens enkele hippe koersfietsen voor kleurrijke Lycrarijders vooral oude dingen waren, lang geleden van een nonkel gekregen en enigszins opgeknapt, wat het slepend geluid nooit helemaal had weggewerkt, stonden er nu vooral blinkend nieuwe fietsen — alsof het Tesla’s waren (die waren er ook) — die blijkbaar pas uit hun kartonnen verpakking waren gekropen, en vaak per twee in het hetzelfde model en met dezelfde donkere kleur waren aangeschaft. Op het wandelpad zag ik ze aarzelend rijden, sommigen nauwelijks in staat het zware ding recht te houden wanneer ze stopten.
De elektrificatie van de auto’s loopt langzaam, die van de fietsen loopt snel.

zwijgen is beter

Aan het Sint-Vincentiusziekenhuis, waar de smalle Maurice Verbaetsteeg aan de straat en de parking uitkomt, staan er zwart-gele paaltjes. Zwart, zoals zwart zwart kan zijn, en donkergeel, RAL 1023. “Verkeersgeel”, of donkerder nog.
Gisterenmorgen om acht uur kruiste ik daar een jonge, zwarte vrouw. Net aan die paaltjes. Ze droeg een grote, warme, zwarte jas — het kan nog flink koud zijn ‘s morgens — en bij die jas had ze een brede, warme, gele sjaal. Een donkergele sjaal. RAL 1023, of iets in de buurt, zoals de paaltjes.
Prachtig was dat. Ik hou van zo’n visuele grap. Graag had ik haar dat gezegd, haar gefeliciteerd, of zelfs een foto willen maken. Maar dat doe je niet. Aangesproken worden door een oude, blanke man in een stille straat, daar ligt ze misschien nachten wakker van. Zwijgen is beter. Jammer genoeg.

« Oudere berichten

© 2025 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑