Jef Van Staeyen

Categorie: Verhalen (Pagina 1 van 12)

knooppunten

Gisteren was een prachtige dag. Lente.
Ik ben gaan fietsen langs de Schelde en de Durme. Lang geleden dat ik dat nog had gedaan. Niet dat ik een goed fietser ben. Ik geniet nog altijd het meest van stoppen, afstappen en op een bank gaan zitten. Dan voel ik me goed, kijk naar het landschap of lees een boek. Ook veerponten vind ik fijn. Als er een helling is om een dijk op te klimmen, heb ik vaak een Kopecki. Veel vaker dan zij — een verwijzing naar de Koppenberg, niet naar Roubaix.
Er waren veel omleidingen op de linker oever, de Oost-Vlaamse kant, meer dan in Sint-Amands aan het veer stond vermeld. Mijn knooppuntenkaart is enkele jaren oud, en niet accuraat. Niet alle nummers zijn nog juist, ook waar er ruimtelijk niets veranderd is. Daarom, en omdat kaarten mooie dingen zijn, omdat ik graag weet en begrijp waar ik ben, en omdat ik graag mijn tijd neem, keek ik vaak naar die kaart.
Ik stond voor een omleiding aan Driegoten. Er wordt een dijk verbouwd. Kwam een man naar me toe: “Te voet kan je hier wel door, naar het veer van de Durme, maar met de fiets rij je best om.” “Er zijn meer omleidingen dan aangeduid”, antwoordde ik, “en mijn kaart is al wat ouder”, voegde ik toe, om over de onjuiste nummers te praten. “Alleen de kaart?” vroeg hij. Hij was weg voor ik wist wat te zeggen.

 

post-scriptum:
De Durme moet wel de meest miskende rivier van Vlaanderen (of België) zijn. Ze ontbrak op het lijstje (en de kaartjes) waarmee we op school de waterlopen leerden kennen. Net als de Jeker en de Mandel — is er een ondergrens? Ze verloor ook haar monding en haar bron. De monding lag in Temse, tot haar benedenloop door een rechtgetrokken Schelde ingepalmd werd; en de bronnen nabij Tielt en Aalter, bij wat nu de Kale is. De Gentse drang naar zee heeft alles daar dooreen gehaald.

bokaal

In de supermarkt hier in de buurt komt soms een zwerm jongeren langs. Hoe het precies in de haak zit, weet ik niet, maar ik vermoed dat het een afspraak tussen een school en de winkel is, die er beide — en de jongeren — wat aan winnen. De middelbare scholieren — een tiental, of meer — verspreiden zich over de winkel en gaan kleine beetjes rekken vullen. Het is altijd een hele bende, erg nuttig voor de winkel kan dat niet zijn, maar misschien is het p-r, en hoop op roepingen achteraf. Het is niet makkelijk personeel te vinden als er spannender jobs in de aanbieding zijn.
Donderdag was er weer zo’n bende. En ik was er ook. Tussen de sausen zocht ik mosterd, toen ik enkele meters van me vandaan een bokaal tegen de vlakte hoorde gaan. Een jonge kerel stond op een trapje, de tweede tree, en had zo te zien wat verder op het schab een bokaal weggeduwd. Hij had er ook een in zijn handen. Scherven en saus lagen verspreid op de grond. Hij bleef staan, en keek beteuterd — dát wilde ik niet — om zich heen. Vreesde hij, of hoopte hij, dat iemand de knal had gehoord? Maar er kwam niemand. Ook ik niet. Beschaamd bleef hij draaien op zijn trapje, een soort van stille paniek. Wat gaat er gebeuren? Gebeurt er iets? Waarom gebeurt er niets?
Ik winkelde verder. Dacht dat hij zelf wel van dat trapje kon komen, of dat er iemand kwam. Maar er kwamen enkel wat vriendjes, elk op zijn beurt. Ze keken naar hem, en naar de scherven op de grond, gniffelden wat, en gingen weer weg, of trokken stilzwijgend de aandacht van weer andere vriendjes om ook het kleine spektakel te zien. Maar niet van de verantwoordelijke van de groep, of van iemand van de winkel met een rood hesje aan. De ongelukkige bleef alleen op zijn eilandje staan.
Ik ging verder, en minuten later kwam ik weer in de buurt. Hij stond er nog steeds. Nog steeds op het trapje. Nog steeds de saus en de scherven op de grond. Een dezer dagen ga ik daar nog eens langs. Benieuwd of hij er nog is.
Of had ik wat moeten doen?

 

Harlingen

De man op het podium had twee telefoons in de hand. Zo van die oude telefoons met een grote hoorn.
“Spreek ik met Harlingen? Spreek ik met Edam?” zei hij.
We hoorden geen antwoord. Het was muisstil in de donkere zaal.
Hij strekte zijn armen, en keerde de hoorns naar ons toe. “Luister” zei zijn gestalte.
Toen hoorden we, langzaam en zacht, en nauwelijks, de zee. Grijs gerucht. Een luie baar in de branding, dan stilte, en dan weer zo’n baar.
Ik werd wakker. Vanmorgen. Auto’s reden over kasseien.

valies

Het huis van vader en moeder hebben we leeggemaakt. Het wordt verkocht. De gekste, onverwachte dingen zaten erin, zoals dertien oude bouw- en verbouwplannen van 1907, 1914 en 1920 voor een pand in de Hochstetterstraat, nu Borzestraat, dat ons totaal onbekend is.  Meer verwacht was een oude, kartonnen valies, waarmee zelfs bompa heeft gereisd. En wij nadien.
Enkele dagen geleden heb ik de oude plannen naar het Felixarchief gebracht. Ik heb ze in de kartonnen valies gestoken, en ben met tram 4 en 7 naar de Tavernierkaai gereden. Op tram 4 zat een Afghaan. Of althans iemand zoals ik me een Afghaan voorstel: een rijzige, slanke, atletische gestalte, een donkerblanke huid, zeer scherpe gelaatstrekken, donkere ogen onder zwarte, zeer zware wenkbrauwen, een kleine, ronde witte gebreide (of gehaakte?) muts boven kort haar, een zware camouflage-jas en (denk ik me te herinneren) zware schoenen. Toen ik aan de Nationale Bank van tram 4 afstapte om tram 7 te nemen, en hij de kartonnen valies met Turkse zelfklever zag (de Hagia Sophia staat erop) wenste hij me een goede reis. In het Nederlands. Zowel hij als ik heeft aan profilering gedaan: etnische profilering door mij voor hem, functionele voor mij door hem. De man is misschien even Afghaan als ik naar Istanboel vertrok.

Aan de balie van het Felixarchief heb ik mijn identiteitsgegevens op papier gezet. De belangstelling voor de oude plannen ontstond pas toen ik ze toonde. Behoudens eventuele intellectuele eigendomsrechten van derden (die er allicht niet meer zijn) worden ze het eigendom van het Felixarchief dat, zo staat vermeld, ook het recht heeft ze aan anderen door te geven of te vernietigen.

Na mijn bezoek aan het Archief ben ik in de mist met mijn oude valies langs de dokken en de Schelde gaan wandelen — het was zo’n ochtend waarop Antwerpen het geluk heeft dat er geen Linkeroever is. Met mijn pet, mijn zware jas en mijn oude valies dacht ik aan de beelden van Van Mieghem die aan die oude dokken langs het water staan. [Het zijn beelden van Carla Kamphuis – Meijer, naar figuren van Eugeen Van Mieghem.]

« Oudere berichten

© 2024 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑