Jef Van Staeyen

Categorie: 2024 (Pagina 1 van 6)

met de trein naar de travel-store ❧

De NMBS zal de verkoop van internationale reiskaartjes beperken tot twaalf zgn. “travel-stores”, meldt De Standaard op 16 juli 2024. Reis naar het station om een kaartje te kopen, lijkt de NMBS haar advies.
[Wie in Virton een retourkaartje naar de travel-store in Namen koopt, betaalt zelfs 48,40 €, en is tweemaal 1u50 onderweg.]

Noem het luiheid, of noem het haast, ik heb een oudere tekening herwerkt.

blij om eenvoudige dingen

Soms ben ik blij om eenvoudige dingen.

Tussen de Lange Leemstraat en de Isabellalei ligt een pleintje. Het verdraagzaamheidsplein. Groot is het niet. Elk kan kiezen over welke verdraagzaamheid het gaat.
Gaat het over de verdraagzaamheid tussen joden, moslims, Polen, Oekraïners… die daar zicht- en hoorbaar aanwezig zijn, en ook de… ja hoe noem je wie noch jood, noch moslim, noch buitenlander is? Belgen is onjuist. Cis-Belgen? Ook niet goed. [Misschien is het probleem van de nadruk die vaak op diversieit wordt gelegd, dat er geen naam bestaat voor wie in geen van die hokjes past, en toch iets wil zijn. Ik denk aan het meisje in Frankrijk dat huilend thuis kwam van school. Ze had geleerd dat al haar klasvriendjes Frans waren en nog iets, en zij was alleen Frans.]
Of gaat het over de verdraagzaamheid tussen voetgangers, fietsers en automobilisten?
Of jegens de dronkelieden die al ‘s morgens naast de glascontainers zitten? [De korte keten, zowaar.]
Op het pleintje ligt een soort walk of fame — Walk of Leem — van overleden buurtbewoners: Wannes Van de Velde, Suzanne Lilar, Paul van Ostaijen, Jeanne Brabants, Vic Gentils, Denise Tolkowsky… Vandaag zag ik hoe de stenen zijn opgepoetst, hoe er enkele nieuwe zijn geplaatst, en hoe die van Van Ostaijen (voorheen Van Ostayen) werd gecorrigeerd. Mooi is dat.

In de Stanleystraat, naast de spoorwegbrug over de Guldenvliesstraat, staat wat wellicht een transformatorhuisje is. Op het ding zijn vensters afgebeeld, waardoor men welige planten en kleurrijke bloemen ziet. Het lijkt op een serre. Vorige week merkte ik dat het gebouwtje beklad en beschadigd was. Vandalen hadden er zonder esthetische ambities hun ding over geschilderd. Gisteren keek ik weer: een van de panelen is nog steeds beschadigd — het is deels afgerukt — maar de initiële afbeelding met de vensters en de planten is vrijgemaakt. Mooi is dat.

Hier achter de hoek, in de Gounodstraat, ligt een voortuin vol veldbloemen. Mooi is dat.

Soms bien ik blij om eenvoudige dingen.

 

tweemaal naar hetzelfde museum?

Gaat u tweemaal naar het Louvre wanneer u Parijs bezoekt? (…) Ik ook niet. [Het is zelfs even geleden dat ik er nog was.] Als u van het museumbezoekende type bent — zoals ik — gaat u die andere dag naar het Jeu de Paume, het Orsay, Rodin, Picasso of de Plantentuin. Een andere sfeer, een andere plek.

Tijdens mijn juni-reis met de trein was ik in Mâcon. Ze hebben daar een mooi Musée des Ursulines. Het Musée Lamartine, dat tot 2016 in de Académie van Mâcon gevestigd was, in het Hôtel Senecé, zit daar mee in. [Alphonse de Lamartine (1790-1869) is dé man van Mâcon. Dichter, historicus en staatsman. Zowat een Goethe in het Frans.] Er valt heel veel te zien in het Musée des Ursulines, en Lamartine heb ik gelaten voor wie hij was. ‘s Anderendaags ben ik niet naar Les Ursulines teruggekeerd, om Lamartine te zien, wat ik in een afzonderlijk Lamartine-museum wel zou hebben gedaan. Ik heb meer, en veel tijd genomen voor de Cité des Vins et Climats de Bourgogne aan de andere kant van de stad, waar ik ook veel heb geleerd. Zoals het feit dat wijnranken voortdurend en in elk seizoen moeten worden gesnoeid. En dat “aligoté” geen behandeling maar een druivensoort is. Het grootste deel van de tijd was ik overigens alleen in de grote zaal van de Cité — net als de dag voordien bij Les Ursulines — en na een tweetal uren, nadat ik alle filmpjes gezien, alle teksten gelezen en alle parfums gesnoven had, kwam iemand kijken of ik er nog was. [Er zijn geen zaalwachters.] Liever twee musea dan tweemaal hetzelfde, al is het om er andere zalen met andere collecties te zien.

De dag nadien was ik in Bourg-en-Bresse. En bezocht ik, even buiten de stad, het befaamde Monastère royal de Brou. Margaretha van Oostenrijk, hertogin van Savoie en landvoogdes der Nederlanden heeft het in het begin van de zestiende eeuw door de Brusselse architect Lodewijk van Bodegem laten bouwen. Het klooster telt drie kloostergangen — versta: drie binnentuinen met half-open gangen en diverse lokalen errond. [Le monastère compte trois cloîtres.] Een van die kloosters herbergt sinds meer dan een eeuw het stedelijk museum van Bourg-en-Bresse, waarvan de rijke collectie vooral uit Vlaamse, Hollandse, Italiaanse en Franse kunst bestaat. Het bezoek aan de kerk in late Brabants-gothische stijl en aan de merkwaardige grafmonumenten is een intense esthetische ervaring, en het bezoek aan het museum is dat ook. Het wordt snel teveel. Ik heb veel aan me voorbij laten gaan. Toch ben ik de dag daarop niet teruggekomen, om de collectie van het museum met hernieuwde energie te zien. Op twee dagen tweemaal naar dezelfde plek, dat doe ik niet.

Jan Jambon, de aftredende minister-president van Vlaanderen, eveneens minister van cultuur, droomt/droomde ervan het KMSKA en het MuHKA (en ook het Mu.ZEE) in één museum samen te brengen, om ze “naar een hoger niveau te tillen”. Voor een betere plaats op de internationale ranking van musea? Ik hoop alvast dat de afzonderlijke plekken (niet alleen tussen Oostende en Antwerpen, maar ook binnen Antwerpen) en de afzonderlijke sferen blijven bestaan. Liever twee dan één.

 

de Antwerpse pre-metro moet maar ‘s volwassen worden

 

 

Het Antwerpse pre-metronet werkt niet goed, het heeft nooit goed gewerkt, en het zal nooit goed werken. Daarvoor zitten er teveel ontwerpfouten in. Meer dan vijftig jaar geleden werd beslist het bestaande tramnet met enkele kleine aanpassingen tien tot twintig meter in de grond te duwen, en sindsdien werd op die initiële, ondoordachte beslissing voortgebouwd — met als enig positief punt de tramtunnel onder de Schelde, naar Linkeroever. Kleine, smalle trams, bedacht voor de smalle straten van de Antwerpse binnenstad, rijden er door brede tunnels naar lange perrons meerdere verdiepingen onder het straatniveau. Reizigers zijn minuten onderweg eer ze het perron bereiken — zelfs als de roltrapen en de liften “het doen” — en eens de tram er is — de reistijden zijn onzeker — staan ze te drummen voor de smalle deuren. Wie in de smalle tram zit kan er niet goed uit, en wie op het perron staat kan er niet in. De halterende tram wordt opgehouden, en de erna komende tram moet wachten tot het lange perron door de korte tram is vrijgemaakt. Uiteindelijk is de commerciële snelheid in die tunnels lager dan op straatniveau en is de capaciteit, in tramstellen of reizigers gemeten, ook nagenoeg gelijk. Er rijden niet meer trams door een metrotunnel — en ze rijden niet sneller — dan elders op een vrije trambaan tussen het verkeer. Reizigers moeten verder stappen en diep afdalen, of daarna weer klimmen, voor een transportmiddel dat niet vlotter rijdt, dat niet handiger is, en dat de stad en haar ameniteiten *Ik vind ameniteiten een handig woord. Het wijst op al wat de stedelijke omgeving aangenaam maakt. Dat zijn zowel winkels en cafés als architectuur, bomen en mensen. aan hun ogen onttrekt. Tenzij we het openbaar vervoer weer op straatniveau organiseren (en alle tunnels sluiten), doen we er best aan het kwaliteitsniveau van de zogenaamde pre-metro vervoer stevig te verbeteren. Ook de capaciteit kan er bij winnen, zodat nieuwe zware investeringen voor nieuwe ondergrondse lijnen overbodig zijn.

Lees hier:  Een twee-sporen-aanpak voor het openbaar vervoer in Antwerpenen.

« Oudere berichten

© 2024 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑