Jef Van Staeyen

Categorie: Essays (Pagina 1 van 32)

de draaischijf — Tom Lanoye

nee, geen draaischijf, maar de toren van de Bourla-schouwburg

Het is de ultieme parade tegen kritiek: de auteur, in casu Tom Lanoye, schuift zijn tekst in de schoenen van zijn hoofdpersonage, de theaterman — acteur, regisseur, intendant, directeur — Alex Desmedt, die hij nauwelijks zelf geschapen heeft. Als lezer sta je alleen met je frustraties. Want wat je goed vindt in het boek, is des auteurs werk. Alhoewel: veel lag op de schabben van het Letterenhuis, dossier Joris Diels, of in andere historische bronnen. En wat je minder goed vindt, waar je kritiek op hebt, zijn de woorden van een dode man onder de verse modder van zijn graf op het Schoonselhof. Een verbitterde oude man die bijna vijfhonderd dichtbedrukte pagina’s nodig heeft om zich te rechtvaardigen en om de eer op te eisen die hem niet wordt toegekend. Een eer, het moet gezegd, die zelfs zonder bedenkelijke oorlogsgeschiedenis theatermensen postuum zelden toekomt. Theater is de meest vluchtige van alle kunsten, ze verdampt terwijl je ze uitvoert. ‘Mijn werk heeft mij niet overleefd. Het stierf, iedere avond, zodra het voordoek viel.’ (hfdst I.5, pagina 86) Is het lot van de Alex Desmedt uit het boek niet dat van elke tonelist?

cliffhangers

De zoektocht naar volle zalen ten spijt heeft mijn werk altijd alleen maar ten dienste gestaan van mezelf. Op alle vlakken wilde ik alleen maar betere versies scheppen van mezelf, omdat ik de originele versie zo lamlendig, laf en onbetekenend vond,’ (hfdst. III.1, p.187)
Prachtig en boeiend — en leerrijk — is wat Lanoye schrijft over theater, en dat is heel veel. Het is niet voor niets zijn métier. Lanoye is een theatermonument. Hij schrijft en onderneemt heel veel. Heeft hij tijd om waar nodig te herschrijven, om stil te staan bij wat hij geschreven heeft? Dat is de vraag die ik me bij De draaischijf stel. Het boek lijkt op een eerste worp, waarin Lanoye alles zet, voor hij aan het schikken, herschikken, schrappen en herschrijven kan gaan. Maar dat niet doet.

Het verhaal overspant de jaren voor, tijdens en kort na de tweede wereldoorlog in Antwerpen, waarna het naar Den Haag verhuist en er met de studentenopstand en de cultureel-maatschappelijke alles-in-vraag-stelling van de jaren zestig wordt geconfronteerd, alvorens in het Antwerpse Hoboken samen met de hoofdpersoon langzaam uit te doven. De begraafplaats Schoonselhof, waar het verhaal eindigt en de vertelling begint, ligt in de voormalige gemeente, nu district Hoboken, waar Alex Desmedt in een klein bejaardenflatje woont. Op zijn oude dag heeft hij alle tijd en kansen de monumentale graven en het gewenste én verwenste erepark van de stedelijke begraafplaats alvast te verkennen. Het ontlokt hem krachtige reacties op wie er ligt. Meteen het boeiendste deel van het boek — waar we allicht veel meer Lanoye horen dan Desmedt. Het is een vroeg hoogtepunt, nog net vóór pagina honderd van de bijna vijfmaal zoveel.

Dat is een zwak punt: de kwaliteit van het boek daalt met het klimmen van de paginanummers: zit de structuur aanvankelijk nog slim in elkaar, dan volgen vanaf zowat een derde van de tekst vaak zogenaamde ‘cliffhangers’. Het boek telt vijf delen, elk met een handvol hoofdstukken, en elk van die hoofdstukken telt een aantal verhalen, als ik ze zo mag noemen. Ik heb ze niet geteld. Nagenoeg allemaal eindigen ze met een korte alinea, soms een besluit, maar vaak ook een deurtje naar wat volgt, als was het een feuilleton in de krant. ‘Dat was buiten mijn broer gerekend.’ (II.2, p.133) ‘Maar daar lag het kalf gebonden. De supermoderne machinerie bleek een catastrofe.’ (IV.4, p.297) ‘Wat ik ga vertellen, mag dit gebouw niet verlaten.’ (IV.4, p.315) ‘Dan komt er een vierde verhaal à charge op de proppen.’ (V.3, p.398) etc. etc. De herhaling van zo’n stijlfiguur gaat flink vervelen.

Oude God

Lanoye doorspekt zijn verhaal met talrijke Antwerpse gebeurtenissen uit de vooroorlogse, oorlogse en onmiddellijk na-oorlogse periode. Gebeurtenissen die voor het merendeel het gezamenlijk, enigszins scheefgetrokken historisch kader vormen waardoor de hedendaagse Antwerpenaars naar de geschiedenis van hun stad kijken — en die met weinig moeite op wikipedia te vinden zijn. [De kleinere elementen, de sfeer van die tijd, cafés, restaurants, menu’s, adressen, fietsbanden, radiodistributie… zullen meer opzoekingswerk hebben vereist.] Maar er zijn ook niet-Antwerpse lezers, die dat niet allemaal weten, en ik moet erkennen dat de Antwerpse Kristallnacht van paasmaandag 14 april 1941 (IV.2, p.242) me als specifiek gebeuren onbekend was, of onder andere gelijkaardige feiten was ondergesneeuwd.
De relatie van de historische feiten tot het verhaal is echter ongelijk, om niet te zeggen soms krakkemikkig. Héél sterk is het hoe Lanoye in een kolerige uithaal van Rik Desmedt (Alex zijn oudere broer, en geniale dirigent aan de Koninklijke Vlaamse Opera) de jodenhaat vertolkt, en daarmee woorden geeft aan wat toen, voor de oorlog, allicht onder brede lagen van de bevolking leefde (II.3, p.144), of hoe Alex zelf de plaag van de Joodse vluchtelingen in het station ervaart (II.1, p.112), of de volkswoede na de bevrijding ondergaat, en samen met andere echte of vermeende collaborateurs in de Zoölogie wordt opgesloten (IV.5, p.346), maar zwak is de manier waarop hij bij de bombardementen op de Erla-fabrieken in den Ouwe God betrokken wordt (IV.1, p.215) — in het boek heel administratief Mortsel Oude God genoemd — of getuige is van een van de grote razzia’s van april 1942 (IV.3, p.259, p.268). Andere gebeurtenissen worden op een bijna journalistieke wijze verteld (de vliegende bommen, hfdst V.2, p.375), en helemaal bij de haren getrokken wordt het bij de biecht van een ondervrager (Desmedt zit opgesloten in de Begijnenstraat en moet voor de krijgsraad verschijnen), die over de Vlaamsche Landsleiding vertelt (V.3, p.391). Allicht had Lanoye er beter aan gedaan zijn personage even het zwijgen op te leggen en zich direct tot de lezers te richten om hen het historisch kader in herinnering te brengen, dat Desmedt en vele van zijn tijdgenoten allicht deels was ontgaan — een korte stijl- en perspectiefwissel naar het voorbeeld van enkele korte stukken theaterscript met regie-aanwijzingen elders in de tekst (pp.145, 256, 453). Hij had een onderscheid kunnen maken tussen wat de mensen toen wisten, wat Desmedt kon weten in zijn graf (omstreeks 1990, vermoed ik) en wat historici nu weten. Over het Amerikaanse bombardement op den Erla bestaan andere inzichten dan wat Alex Desmedt beweert, en op twee andere punten — OK, veeleer details — lijkt het me dat de huidige kennis de toenmalige gedachten of woorden heeft besmet. In hoofdstuk I.2 (p.41) droomt de Stadtkommissar van de reconstructie van Rubens’ huis op de Wapper, ‘een lang, smal plein dat uitliep op de Meir’, een plein dat echter pas in 1977 is aangelegd, en in dat jaar ook Wapper genoemd, op wat tijdens de oorlog nog een huizenblok was tussen Rubensstraat en Wappersstraat (naar de schilder Gustaaf Wappers). [De reconstructie van het Rubenshuis in de Rubensstraat startte in 1937. Al vanaf 1880 had de stad gepoogd het gebouw te verwerven.] En er is de naam van de Bourla schouwburg, zoals hij voortdurend wordt genoemd. Het lijkt me weinig waarschijnlijk dat het gebouw van het Théâtre Royal Français, later van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, vóór de restauratiewerken van 1991 tot 1993 al Bourla werd genoemd. Het was nog geen monument, het was gewoon een ouderwets theater, dat weldra door een moderne Stadsschouwburg (met draaischijf!) vervangen ging worden. [In het boekwerk Antwerpen 1860-1960 dat de stad in 1960 publiceerde lees ik ‘1934. De K.N.S. vestigt zich in het “Théâtre Royal” aan de Comedieplaats.’  Overigens spreekt een gelijkaardig boek uit 1965 over ‘invoering van “de draaischijf”‘ (!) in 1965-1966, waarmee de uitwisseling van voorstellingen tussen de Brusselse KVS, het Gentse NTG en de KNS wordt bedoeld.] Het Centraal Station noemt Alex Desmedt daarentegen wel consequent de Middenstatie, de naam die het toen had. Al zegt hij ook, iets te vaak, onze spoorwegkathedraal. [De herhaling van dergelijke wat grootsprakerige kwalificaties past allicht beter in een theatertekst dan in een roman, en gaat irriteren: de oorlogsburgemeester als poelepetaat (denk aan poule pintade, parelhoen), de ingewandenlezer August Borms (waarom?), de brulboeien Staf De Clercq en Jef Van de Wiele…] Terloops: café Paon Royale (p.202) is een spelfout — tenzij het naar schabouwelijk Antwerps Frans verwijst. Allemaal details, het moet gezegd, in vergelijking tot het zebrapad dat Jeroen Olyslaegers in zijn Wil gesmokkeld heeft.

pleidooi

Bijna vijfhonderd pagina’s lang is De draaischijf de getuigenis van één man, een egocentrische man, die niet twijfelt aan zichzelf, of dat althans niet laat merken. ‘Alleen op de planken komen hij [de bewonderde acteur en nazi-coryfee Kurt Köpler] en ik tot leven. En daarom kan ons weinig worden aangerekend daarbuiten. Zeg maar: niets.’ (IV.4, p.345) Of heeft het retrospectieve karakter, een mémoire veertig jaar na de feiten, alle twijfels bij hem weggevaagd? De karakters missen diepgang, ze zijn plat — broer Rik is zowat een uitzondering. Ze evolueren ook nauwelijks, tenzij heel plots. Alex Desmedt zelf blijkt plots een hufter voor zijn team. Lea, zijn Joodse echtgenote (die zo mooi is en zo goed kan acteren, en zo geduldig is) slaat plots helemaal om, en Sonja, de brave maar bewonderende secretaresse blijkt een jaloerse bedgenoot. Ze evolueert, maar blijft evenzeer een gesloten boek. Andere personages hebben geen naam: onze kleedster — ze gaat nochtans jaren mee. De ik-persoon Alex blijkt blind voor wat er gebeurt, en Lanoye met hem. Ook hier weer die sfeer van een “eerste worp” van een tekst, die nog herwerkt moest worden.

Lanoye wordt vaak geprezen om zijn stijl. Terecht. Hij schrijft zoals mensen praten, zoals mensen praten hier. Daar zitten soms rijke uitdrukkingen bij. Toch zitten in De draaischijf ook beelden en uitdrukkingen waarvan de kracht me ontgaat. ‘De platitudes [van een lange toespraak van Seyss-Inquart bij de opening van het Deutsches Theater in den Niederlanden in Den Haag] zoemen talrijker in het rond dan moerasmuggen in een zomernacht.’ (IV.4, p.331) ‘Het [onuitgesproken verlangen weer samen op de planken te staan] hing onbestemd tussen ons in, als een zwerm fruitvliegen.’ (V.4, p.414)

Zeer teleurstellend is de passage waarin Alex terecht staat voor collaboratie, en zijn zaak na een onverwachte getuigenis totaal verloren lijkt, maar Lea opstaat en ongevraagd zijn verdediging opneemt (hoofdstuk V.3, pagina’s 403 en 404). ‘Lea vraagt het woord niet, ze neemt het.’ begint de tekst. Een pagina verder: ‘Taal was ons echte huwelijksbed.’ En tenslotte: ‘Het pleidooi van Lea komt erop neer dat …’
Met andere woorden: een theaterauteur (Tom Lanoye) laat een theaterauteur aan het woord (Alex Desmedt) die verhaalt wat een bedreven en gedreven actrice die alle klassiekers kent (Lea Liebermann) ter verdediging van haar geliefde voor de rechtbank verklaart — wellicht de belangrijkste woorden uit het boek, de belangrijkste uit haar leven — maar hij citeert haar niet. Hij zegt waar het op neer komt

draaischijf

In de noot van de auteur op pagina 476 verklaart Tom Lanoye het ontstaan van zijn boek. ‘Na de eerste lezing van onze Faust-bewerking (OustFaust) troonden ze me in het Koninklijk Theater van Den Haag mee naar de kelder omdat ik weigerde te geloven dat zich daar nog steeds het mechaniek bevond van het draaitoneel van het Deutsches Theater in den Niederlanden. Daar en toen werd het idee voor dit boek geboren.’ En zijn titel.
Toch is heel die draaischijf-historie uiteindelijk niet meer dan een anekdotisch element, waar het verhaal ook zonder kan. Om onduidelijke redenen wordt het Antwerps gezelschap onder leiding van zijn directeur Alex Desmedt naar Den Haag gevraagd, om een nagenoeg onzichtbare technische klus te klaren, die noch de Duitsers noch de Nederlanders wilden uitvoeren: het afstellen van de pas geplaatste draaischijf, die nog niet correct heeft gewerkt. Als bedankje krijgen ze twee kaartjes voor de plechtige openingsvoorstelling van het Deutsches Theater in den Niederlanden, en mogen ze Göring en Goebbels groeten. Het enige belangrijke resultaat in dat verhaal — waarbij Desmedt in het lang en het breed de immense voordelen van een draaitheater beschrijft, alsof hij er een aan zijn stad wil verkopen; paradoxale voordelen, want als regisseur heeft hij voor de modernisering van het theater de realistische decors naar de magazijnen verwezen — is de breuk met de technicus Jean. Uit jalousie, hij is verliefd op Lea. Een halve breuk, want blijkbaar houdt diezelfde Jean na de bevrijding en tijdens de epuratie Alex en Lea van op afstand een hand boven het hoofd. Uiteindelijk zijn dat feiten die in een verhaal ook in de Bourla of de Antwerpse opera hadden kunnen gebeuren.

‘Beknoptheid behoort niet tot de deugden van de Nederlandse Shakespeare [Vondel]. Tot die van de echte Shakespeare evenmin’  (IV.4, p.294) stelt Alex Desmedt. Maar dat geldt evenzeer voor zijn verhaal.
Ook hier, of vooral hier, had geschrapt kunnen worden, tenzij een heel-Nederlandse inhoud nodig werd geacht. Het boek had er zijn titel en zijn ontstaansgeschiedenis bij ingeschoten, maar wel aan kracht kunnen winnen. Uiteindelijk blijft er nóg genoeg Haags van de na-oorlogse periode, wanneer Alex in de KNS niet meer wordt geduld.
Ik sta versteld van al wat je op het internet kan vinden over Joris Diels en zijn echtgenote Ida Wasserman. Van de door Tom Lanoye in zijn verhaal vermelde toneelstukken in de Haagse periode vind je in de Theaterencyclopedie de data van de premières en de namen van de regisseurs, acteurs, etc. Zó dicht zit Lanoye bij de historische feiten. [Maar toen de Haagsche Comedie in maart 1950 Het huis van Bernarda Alba van Federico García Lorca bracht, in een regie van Joris Diels en met Ida Wasserman als moeder van Bernarda — niet als Bernarda zelf — liep dat wel beter af dan in het boek wordt verteld.] Er is tijdens de oorlog ook effectief een draaischijf geïnstalleerd voor het Deutsches Theater in den Niederlanden in Den Haag. Joodse vluchtelingen hebben er op de zolder verborgen gezeten. Göring en Goebbels zijn er geweest. Allemaal zoals Lanoye vertelt, maar of men beroep heeft gedaan op een team uit Antwerpen om de machinerie aan de praat te krijgen, de spots op te hangen en de kostuums klaar te leggen, zoals in zijn boek, is onduidelijk. Onwaarschijnlijk, zou ik zeggen.
Maar zelfs als het waar zou zijn, is die omweg in de roman het stuk teveel.

sterren ★★★★★

Kortom, over theater is De draaischijf een uitstekend boek, zelfs meer dan dat, over de oorlogsgeschiedenis van Antwerpen valt er wat te leren, maar als roman kan het aan ander werk van Lanoye niet tippen. Denk aan Sprakeloos. Of ook, als het om vlotlezende, avontuurlijke boeken gaat, aan De monstertrilogie, of Het derde huwelijk. Al die sterren in de recensies van de pers, waarom staan die er? Aan De draaischijf heb je meerdere dagen leesplezier; hebben al die recensenten héél het boek gelezen, en daarop hun oordeel gebouwd?  Of zich tot een selectie beperkt? Is Lanoye misschien te groot en te belangrijk om tegen hem in te gaan?

stedenbouwkundig rampgebied

Gisteren ging ik (voor het eerst) naar de seniorenacademie van de Universiteit Antwerpen: de Spectrum lezingen op de Groenenborger campus. Aangekondigd onderwerp was: “Moeten we CO2 opnieuw opslaan in de aarde?”, wat in de praktijk neerkwam op “Kunnen we CO2 opslaan in de aarde?”, hoe doen we dat en welke problemen stellen zich. Er waren drie sprekers, maar vooral toch een geoloog, die meteen zei dat de Belgische ondergrond zich daartoe niet leent, en dat internationaal naar stockage onder de zee wordt gezocht om protest van omwonenden te voorkomen — het project Barendrecht in Nederland —, maar toen de derde spreker een sociologisch experiment omtrent aanvaarding wilde uitvoeren aan de hand van een QR-code, liep het mis. De technologie wilde niet mee.
Hoe ook, het was een boeiende middag. Maar ik schrijf over twee andere dingen.

1. De Groenenborger campus is een stedenbouwkundig rampgebied. Zowel buiten de campus (het openbaar domein en de relatie tot andere sites en gebouwen) als op de campus zelf loopt het fout. Ik kan me niet voorstellen dat iemand daar even komt wandelen of zelfs maar tussen twee les- of werkuren blijft rondhangen. Ook mensen uit de ziekenhuizen zullen in de omgeving geen troost of blijdschap vinden.
Niet alleen in België maar ook in het buitenland (Frankrijk, Italië, Portugal, de VS, Canada…) wordt stedenbouwkundig falen vaak gelinkt aan de tegenstrijdige belangen van private actoren en aan het onvermogen van de overheid de onderlinge conflicten te beheren en de openbare waarden (waaronder milieu) te vrijwaren. De Groenenborger-wijk toont hoe die verklaring tekort schiet. Heel het gebied werd immers gecreëerd en wordt beheerd door vier machtige openbare besturen: (1) de stad Antwerpen voor het openbaar domein en het Middelheimpark, (2) het OCMW Antwerpen, nu ZAS, voor het Middelheimziekenhuis en het Kinderziekenhuis, (3) de Universiteit Antwerpen (vroeger RUCA) voor een rist universiteitsgebouwen van twee campussen (er is ook de Middelheim campus rond de vroegere koloniale hogeschool), en (4) het Vlaamse gewest (nee: toen nog België) voor de Craeybeckxtunnel (autoweg E19) die onder de site loopt, voor de ruimtelijke planning van het geheel (samen met de stad), en via de Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn voor het openbaar vervoer (bussen 21 en 33).
Wie, zoals ik, met bus 21 komt, behelpt zich met halte Groenenborgerlaan in een onduidelijke straat die Vuurkruisenplein heet, steekt de rotonde over en vindt een discrete ingang tot de campus. Hij zoekt zich een weg tussen de geparkeerde auto’s (er staan kleine wegwijzers, dat wel) en betreedt het gebouw T (parel van de jaren 70, allicht) via een trap.

2. De Universiteit Antwerpen verspreidt een campusplan met mobiliteitsinfo. Logisch, in feite, als je géén reden hebt om langer dan nodig op de campus te blijven, zijn al die fietsen en auto’s het enige wat telt. Op dat plan staan allerlei al dan niet toegankelijke of besloten (personeel, studenten) parkeerfaciliteiten voor fietsen of auto’s aangeduid, en laadpunten, lockers, herstelzuilen en -punten, en deelfietsen en -auto’s.
Edoch: de belangrijkste vorm van deelmobiliteit, het openbaar vervoer (die halte van lijnen 21 en 33), staat op het plan niet eens vermeld. [Ga daarvoor naar Google Maps.] Evenmin als de toegang (toegangen?) voor voetgangers en hun trajecten (die er nauwelijks zijn in wat allicht een shared space moet zijn).

Blijkbaar heeft wat men in de leszalen leert en in de laboratoria onderzoekt over duurzame stedenbouw en mobiliteit nog wat tijd nodig om buiten de lokalen in praktijk te worden gebracht.

 

 

P.S.: Volgens wikipedia werd een van de universiteitsgebouwen (het gebouw V voor scheikunde en bio-ingenieurswetenschappen) per ongeluk op grond van het Middelheimpark gebouwd (geen bronvermelding).

het mag niet verbazen dat wonen in een halve eeuw driemaal zo duur is geworden

In het debat over het woonvraagstuk wordt vaak verwezen naar het feit dat woningen in vijftig jaar driemaal zo duur zijn geworden — in reële termen, zoals dat heet, wanneer de inflatie in rekening wordt gebracht. In lopende prijzen zijn ze zelfs zestien maal duurder geworden. Dat is een hele uitdaging voor de kopers en huurders en voor de samenleving, maar mag op zich niet verrassen. Er zijn op zijn minst twee wetmatigheden die de enorme prijsstijging kunnen verklaren.

1. Een woning van vandaag is niet hetzelfde als een woning van vijftig jaar geleden. Een woning van 1975 had géén thermische isolatie — in de gevels enkel een met lucht gevulde spouw — en was niet luchtdicht. Dubbele beglazing was zeldzaam, en als ze er al was zat ze in slecht sluitende aluminium ramen. Ze had één lichtpunt en twee stopcontacten per kamer, en ook in de keuken niet veel meer. Die keuken was niet ingericht, zoals vandaag standaard is. Een gootsteen was er wel, en plaats en aansluitingen (gas, water, elektriciteit) voor de andere dingen (koelkast, fornuis…). Ook de badkamer was summier. Balkons en terrassen waren zeldzaam (of kleiner). Er was geen akoestische isolatie (met aangrenzende woningen of met de straat). Er zat een enkelvoudige aansluiting aan het openbare rioleringsnet, als dat er was, en de eenvoudige elektrische installatie was nauwelijks geaard. Een nieuwe, pas voltooide woning uit 1975 zou vandaag een mooie en dure renovatie-uitdaging zijn.
Zowel de gezinnen (of individuen) als de overheid stellen vandaag veel hogere eisen dan een halve eeuw geleden aan wat een woning moet zijn.

2. Een woning wordt in belangrijke mate lokaal geproduceerd. Werkuren en materialen (die vaak ook vooral uit werkuren bestaan) zijn gebonden aan lokale loonkosten en sociale bijdragen, en aan “lokale” milieu- en aanverwante regels. Voor tal van andere consumptiegoederen geldt dat de prijzen “artificieel” laag zijn gehouden door massale import uit landen met lage lonen en minder lasten en regels. Door het groeiend volume van dergelijke bestedingen wordt de inflatie even “artificieel” beperkt. Een gemiddeld gezin heeft bijgevolg enerzijds bestedingen (waaronder het wonen en ook de zorg) die de evolutie van de loonkosten volgen, en anderzijds bestedingen die dat niet doen, en relatief goedkoper worden. Het mathematisch effect daarvan is dat de eerste reeks bestedingen sterkere prijsstijgingen kent dan het totaal (dan de inflatie) én dat het aandeel van de eerste reeks bestedingenin in de totale bestedingen stijgt.

Het mag dus niet verbazen dat een kostbaar én kostelijk goed, dat bovendien onmisbaar is — het wonen — veel duurder is geworden.
Dat betekent niet dat er geen maatregelen genomen kunnen worden om dat hoge prijsniveau terug te dringen: op bouwtechnisch en stedenbouwkundig vlak, inzake financiële, juridische en verzekeringskosten of voor certificaten en expertises, of om te vermijden dat in het ontwikkelings- en bouwproces geld blijft kleven waar het niet hoort. Ook de woonwensen zelf kunnen tegen het licht gehouden worden.

Maar ook daarna zal wonen zowel van gezinnen (of individuen) als van de overheid verhoogde inspanningen vergen. Wonen is een basisbehoefte, zowel individueel als op maatschappelijk vlak.

doorgedraaide gendergevoeligheid in taal ?

Het is u niet ontgaan, beste lezer, dat gender een belangrijk thema is in het maatschappelijk debat vandaag. Geen journalist of commentator schrijft over het statutair verschil tussen arbeiders en bedienden en weinigen over de socio-economische effecten van dienstenchèques, maar elke zich respecterende krant heeft elke dag een artikel waarin gender ter sprake komt.
Waarom niet, overigens? Maar enkele recente mails leidden me tot merkwaardige conclusies.

Ik kreeg een mail (een antwoord op een vraag van me) van een culturele instelling in Antwerpen. De auteur ervan ondertekende haar bericht met de vermelding, achter haar naam: zij/haar – she/her. Waarom eigenlijk? Verwacht zij, hoopt zij dat ik haar anders bejegen omdat ze een vrouw is en geen man? Wil ze dat ik omtrent haar fantasmeer? Nee toch. [In het verleden heb ik dat wel ’s gedaan, dat kan flink tegenvallen.]
De Nederlandse grammatica maakt nauwelijks onderscheid tussen vrouwelijk en mannelijk. Alleen voor persoonlijke voornaamwoorden in de derde persoon doet ze dat: tussen hij en zij, hem, zijn en haar. [Het onderscheid tussen wiens en wier of diens en dier is in onbruik geraakt.] Maar dat is nu net wat je in een mail of een brief niet nodig hebt. Een bericht aan iemand schrijven doe je in de tweede persoon. De mogelijke aanspreking geachte mevrouw – geachte heer is de enige onzekerheid bij het schrijven, maar die klip omzeil je met gemak. Wat in het Nederlands wél belangrijk is, is het onderscheid tussen je (jij, jou, jouw) en u (uw), maar op dat onderscheid wordt door wie het hij-zij belangrijk vindt nauwelijks gelet. Je krijgt ongevraagd een je op je bord, zo mogelijk met uw in dezelfde zin. [Let wel: de je in mijn voorgaande zinnen is geen tutoyeren. Inhoudelijk is het een derde persoon; het is een men. Vergelijk: Wat je / Wat men in een mail verwacht… ]
In culturele en academische middens is die aandacht voor hij/zijn of zij/haar frequent. Enkele jaren geleden kreeg ik van de toenmalige rector van de universiteit Antwerpen een persoonlijke mail — ik had vragen gesteld omtrent de berichtgeving vanuit de universiteit over pfas. Iedereen wist (en weet nog steeds) dat die rector een man is, die overigens de meest mannelijke voornaam draagt, toch stond er hij/zijn/hem naast zijn naam. Sociale druk vanuit de universiteit moet dat zijn geweest: Als jij het niet doet, rector, wie doet het dan wel?

Maar nu komt het. Ik krijg en schrijf ook mails uit en naar Frankrijk. Ook daar — misschien nog meer dan hier, denk aan de inclusieve spelling — leeft de kwestie van het gender. Iemand uit een administratie ondertekende een bericht als volgt: Directeur.rice adjoint.e . In de Franse taal is gender, anders dan in het Nederlands, wel heel belangrijk. Ook als je iemand aanspreekt kom je woorden tegen die naargelang het gender anders zijn, anders geschreven worden of zelfs anders klinken. Dat geldt voor nagenoeg alle bijvoeglijke naamwoorden of voltooide deelwoorden: je vous ai rencontrée, êtes-vous intéressée, serez-vous présente... En in nota bene die taal, waarin gender grammaticaal belangrijk is, doet de auteur van het bericht het omgekeerde van wat de Nederlandstalige doet: met een taalkundige kunstgreep (de zogezegd inclusieve spelling) verbergt hij/zij  zijn/haar gender. Wie met zo iemand correspondeert kan maar best hopen dat die persoon niet Dominique, Camille, Alex of Sacha heet. Dan wel adjectieven en verleden deelwoorden zorgvuldig vermijden waar het om de aangeschrevene gaat.

Franstalige gender-gevoeligheid leidt dus tot het exact tegenovergestelde van Nederlandstalige gender-gevoeligheid. Gender wordt verborgen gehouden dan wel geafficheerd. Maar zowel in Frankrijk als in Vlaanderen en Nederland bestaat daarnaast de vraag (de eis?) het gender op identiteitsdocumenten en officiële correspondentie niet meer te vermelden, en het ook niet op te nemen in de burgerlijke stand (wat internationaal wat moeilijk ligt). Is het een eis, of veeleer de behoefte een eis te hebben?

Daarom mijn hypothese: voor een maatschappelijke beweging is het vaak belangrijker iets te hebben waarvoor gestreden kan worden, een strijdpunt dat goed zichtbaar is, dan de aard en de inhoud ervan. De zij/haar – she/her van die eerste mail zegt meer over het belang dat die vrouw of die instelling aan gender hecht, dan over het gender van die vrouw zelf. De zij/haar – she/her is een vlag, een symbool. Net zoals Vlaamsgezinden zestig jaar geleden betoogden tegen de Franse namen van Antwerpse winkels en restaurants of tegen Franse missen in de kerk van de Heilige Geest — die Franse namen zijn eerst verdwenen en dan teruggekomen met nog meer Engelse erbij, en naar de mis gaat nog niemand — net zo wordt vandaag met hij/hem en zij/haar gevaandeld en gevlagd, of worden, om wat anders te noemen, koloniale monumenten bekladderd, verwijderd of in vraag gesteld. Symbolen. En net zo gaat een conflict soms meer om een vlag aan een stadhuis dan om economische banden. Blijkbaar is een zicht- en haalbaar objectief wat een maatschappelijke beweging nodig heeft.

De aandachtige lezer — dat bent u uiteraard — heeft zich er intussen over verbaasd dat ik me in bovenstaande tekst beperk tot hij, zij, hem, zijn en haar, en geen aandacht heb voor hun, hen, die of diens (die’s).
Er zijn talloze redenen te bedenken om onze taal te verrijken met nieuwe voornaamwoorden voor wie zich niet thuis voelt in de hijzij dichotomie of — waarom niet? — meteen voor iedereen. Genderneutraal. Maar daarvoor enkele bestaande voornaamwoorden kapen die al een betekenis hebben en daarmee zeer nuttig zijn, zoals hun en die-sprekers doen, is niet meer dan een zwaktebod. Enkele echt nieuwe woorden creëren, uit het niets, enkel uit klank, kan voor mensen uit de culturele en de academische sector niet moeilijk zijn.

« Oudere berichten

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑