moskenes.be

Jef Van Staeyen

Categorie: Essays (pagina 1 van 7)

Above the Waterfall, Ron Rash — leesadvies

Ik dacht aanvankelijk een lees-aanrader te schrijven, maar weet het niet meer.

Af en toe lees ik boeken in het Engels. Dat lukt me wel. Met John Steinbeck, bijvoorbeeld, of Mark Twain, oud spul. Of met verhalenbundels: lukt er één niet, dan de andere wel. Dus toen ik een mooie kritiek las (in het Frans…) van Ron Rash’s Above the Waterfall, dacht ik dat ik dat wel kon lezen. Niet in de besproken Franse vertaling (Un silence brutal), en evenmin in de Nederlandse (Boven de waterval), maar in het Amerikaanse Engels van Rash. Er zitten veel dialogen in het verhaal, gesprekken van gewone mensen, en met een Nederlandse vertaling heb je gauw het risico dat het taaltje je niet naar North-Carolina en de Appalachen voert, maar naar Noord-Holland en Tuindorp Nieuwendam. Sferen die botsen.

Het risico is wel dat je zo’n oorspronkelijk Amerikaans boek, dat overzee geleverd moet worden, niet eerst open doet, voor je het koopt. Dus was ik verrast toen ik het las.

Though sunlight tinges the mountains, black leatherwinged bodies swing low. First fireflies blink languidly. Beyond this meadow, cicadas rev and slow like sewing machines. All else ready for night except night itself. I watch last light lift off level land. Ground shadows seep and thicken. Circling trees form banks. The meadow itself becomes a pond filling, on its surface dozens of black-eyed susans.

Nu ben ik benieuwd wat zoiets geeft in het Nederlands, en nog meer in het Frans, maar toen ik het las — lezen is een groot woord — dacht ik dat ik me had miskocht. Ik begreep geen jota van wat ik zag. Zelfs in een Nederlandse tekst staan er wel ‘s woorden die ik niet begrijp, of niet precies begrijp, een vogel, een bloem, een gereedschap…, maar daar lees ik dan overheen, zoals wellicht elke lezer dat doet, totdat ik het woord vaak tegenkom, of merk dat het in het verhaal wél belangrijk is. Zo ook in het Engels. Soms ontdek ik uiteindelijk wat de betekenis is, al had ik het voordien nooit opgemerkt. Pristine, bijvoorbeeld— Collapse, Jared Diamond —, ongerept. Of zoek ik het op, omdat het me boeit. Zoals cutting squid in Steinbecks Tortilla Flat: het snijden van pijlinktvissen, of calamari, voor velen, niet mij, een lekkernij.

Above the Waterfall was blijkbaar geen boek om in bed of in een luie stoel te lezen: lezen en hérlezen, en/of opzoeken (op het web of in een papieren woordenboek) stond me voor. Gelukkig las de rest van het boek toch wat makkelijker dan de inleiding waaruit ik bovenstaande tekst heb gelicht.
Dit is, twee pagina’s verder, het begin van hoofdstuk one:

Where does any story really begin? One thing can’t happen unless other things happened earlier. I could say this story began with an art class I took in ninth grade, or broken promises, one by Becky Shytle and one by me, or that it began where a shirtsleeve got caught by a hay baler’s tines.

Dat laatste zijn de tanden van een hooipers, in een overigens veel makkelijkere zin. Later blijkt dat het boek rond twee ik-personen draait: een sheriff, Les, drie weken voor zijn pensionering, hier aan het woord, en een parkwachter, Becky, in Shenandoah National Park, met poëtische ambities, die later in het verhaal ook gedichten schrijft. En toont hoe je dat doet.

soothes the talon-rake of owl and hawk.
I rewrite the line to balance the consonants.
heals the talon-rake of hawk and eagle.

Vaak is het niet nodig de woorden te verstaan, om de poëzie te horen, zegt ze ook — een opluchting voor een lezer als ik.

You don’t have to understand the words, I tell them [de kinderen van de natuurklas]. Just let the sounds enter you, the same as everything else you see and smell and touch today.
The flock [of black starlings on a blond, mown hay field] lifts again and this time keeps rising, a narrowing swirl as if sucked through a pipe and then an unfurl of rhythm sudden sprung, becoming one entity as it wrinkles, smooths out, drifts down like a snapped bedsheet. Then swerves and shifts, gathers and twists. Murmuration: ornithology’s word-poem for what I see.

Vaak is Ron Rash’s proza pure poëzie.
Toch kan het riskant zijn een onbegrepen woord over te slaan.

Land levels and I ride slow, a clock-winding pedal and pause. A pickup from Virginia sweeps past, leads me back thirty years to my grandparents’ farm. There, old license plates were a scarecrow’s loud jewelry. Wind set the tin clinking and clanking. But the straw-stuffed flour-sack faced stayed silent. Those first months after my parents gave up and set me to the farm, I’d sometimes stand beside the scarecrow, hoe handle balanced behind my neck, arms draped over. Both of us watchful and silent as the passing days raised a green curtain around us. Soon all we could see was the sky, that and tall barn planks the color of rain.

Ik had er eerst óver gelezen, en pas bij herlezing, met woordenboek — a scarecrow is een vogelverschrikker, en a hoe een schoffel — zag ik het prachtige beeld. Becky, de parkwachter, was als kind betrokken bij een schietpartij op school, waarna ze maandenlang geen woord meer heeft gezegd. Het leven op de boerderij van haar grootouders en het contact met de natuur heeft haar uit de stilte gered. Ook Les heeft drama’s beleefd, die de lezer beetje bij beetje ontdekt, maar heeft in zijn laatste weken ook nog zware problemen op te lossen, die hem in conflict brengen met zichzelf. [De taakomschrijving van een sheriff, zoals ze blijkt uit het boek, heeft me wel verrast.] De hoofdstukken Becky en de hoofdstukken Les vullen elkaar af, tot Les’ verhaal te spannend wordt en op een ontknoping wacht, die de schrijver Ron Rash heel handig meermaals voor zich uit duwt. Wat als effect heeft dat Becky’s teksten geleidelijk aan hinderlijk worden voor wie (te snel?) die ontknoping zoekt. Best spannend, de whodunit (en whydidhe), maar een pageturner, om zoals De Standaard der Letteren te spreken, wordt het daarom nog niet. [In dSL wordt zo vaak over pageturners geschreven dat ze stilaan een hele pageturnkring bijeen moeten hebben. Dat gaat wel over.]

Ron Rash (1953) heeft een boodschap. Of heeft zelfs meerdere boodschappen: de liefde voor de natuur (die kwetsbaar is, door de mensen verloederd wordt, maar toch veerkrachtig blijft); het geloof in God, aan wie we al die mooie natuur te danken hebben — de pracht van de ons omringende natuur is een voorschot op de hemel die ons is beloofd —; de capaciteit van elke mens om beter (of slechter) te zijn dan hij door zijn afkomst is voorbestemd; de immense gevaren van hard drugs (meth, of crystal meth, methamfetamine); en de liefde voor woorden en taal. Wat al bij al een zeer christelijke boodschap is. Een 21ste eeuwse Amerikaanse Gezelle in proza, bijna, maar zijn voorbeeld heet Hopkins (Gerard Manley –, die andere priester-dichter, 1844-1889). En wat voor Gezelle een schrijverke, een krinklend winklend waterding is, is voor Ron Rash a writing spider.
Dáár, die boodschappen bedoel ik, hamert hij op. Misschien wel te veel en te vaak. Beetje bij beetje schiet het boek uit het evenwicht waarop het is gebouwd. De parallelle hoofdstukken met Becky en Les zijn aanvankelijk boeiend, en hun confrontatie, wanneer het hun vertrouwen of wantrouwen in de oude Gerald betreft, is een van de sleutels van het boek — heeft Gerald al dan niet benzine in de rivier gedropt, boven de waterval, waardoor de prachtige forellen sterven, waar hij toch zo van houdt? — maar die parallel, dat evenwicht valt niet te houden wanneer het verhaal spannend wordt, naar zijn ontknoping gaat, en Becky’s natuurbeschrijvingen, herinneringen en poëzie als leeslast ervaren worden. Ron Rash onderwijst creatief schrijven en poëzie (poetry and fiction writing) aan de Western Carolina University in Cullowhee, North Carolina, en dat merk je wel. Soms toont hij bij wijze van spreken alle truken van de trukendoos. Wat neigt naar academisme. Dat is jammer, voor een overigens meer dan lezenswaardig boek, waaraan je veel plezier beleven kan.

 

P.S.: Nog een nieuw woord geleerd: petrichor, de geur van regen op droog land

de Vlaams-Nederlandse stichting Ons Vermogen in Rekkem

… over woorden en waarden, en wondere wandelingen in de taal

 

In 1957 startte de toen twintigjarige Jozef Deleu samen met Jan Delrue en Jozef Declercq het tijdschrift Ons Erfdeel, waarvoor in 1970 ook een gelijknamige Vlaams-Nederlandse stichting-uitgever (nu vzw) werd opgericht. Ons Erfdeel richtte zich aanvankelijk tot Franse, Belgische en Nederlandse Vlamingen, van Rijsel tot Middelburg, maar groeide allengs uit tot een toonaangevend cultureel tijdschrift voor Nederlandssprekenden en -kundigen wereldwijd. Anderstalige publicaties en websites verruimen het aanbod voor al wie in die lage landen is geïnteresseerd.
Ons Erfdeel is de wat eigenzinnige vertaling van Notre Patrimoine. Het eerste nummer (met Franse en Nederlandse teksten en een Frans Éditorial, 20 pagina’s, 250 exemplaren) heette trouwens Ons Erfdeel – Notre Patrimoine, en de vzw-uitgever, die veel aandacht aan culturele uitwisseling met Noord-Frankrijk besteedt, huist tot vandaag in Rekkem, op enkele meters van de Franse grens.

Alles goed en wel beschouwd had het tijdschrift ook Ons Kapitaal of Ons Vermogen kunnen heten, want wat Franstaligen met patrimoine bedoelen, is kapitaal, en wordt in het Nederlands vaak vermogen genoemd.
Lees verder

de Franse Nederlanden bestaan niet meer ❧

Het jaarboek De Franse Nederlanden-Les Pays-Bas Français verscheen in 2018 voor het laatst op papier. Drieënveertig nummers lang was het door Jozef Deleu in 1976 opgerichte tijdschrift een gedegen tweetalige publicatie van 250 pagina’s met bijdragen over Noord-Frankrijk en zijn verhouding tot Vlaanderen en Nederland. De vzw Ons Erfdeel, uitgever van het jaarboek, besliste de artikels over dat onderwerp vanaf april 2019 te publiceren op de websites >www.de-lage-landen.com en >www.les-plats-pays.com.
De redactie van Ons Erfdeel vroeg me een kort overzicht te geven van de evolutie die de Franse Nederlanden in die vier decennia hebben meegemaakt, en over de kijk van de Noord-Fransen op Vlaanderen (en bij uitbreiding het Nederlandse taalgebied), en omgekeerd.

HIER VIND JE een pdf van de tekst die ik voor Ons Erfdeel schreef en die werd opgenomen in het eerste nummer van 2019 (februari).

In akkoord met de redactie van Ons Erfdeel publiceer ik deze tekst ook op mijn website. Ik maak daarbij graag nog wat publiciteit voor de talrijke andere bijdragen in datzelfde nummer. Dit is een volledige inhoudsopgave van het nummer. En dit is een >link naar de blog van Ons Erfdeel.

* * *

Naschrift

Het bezoek van “de late jaren zestig, vroege jaren zeventig”, zoals ik in de tekst voor Ons Erfdeel schreef, geschiedde wellicht in 1973, vond ik aan de hand van deze foto die mijn vader toen maakte, met de Rijselse Grote Markt en de Oude Beurs.

pater De Smet en de Indianen


Toen ik nog een kleine jongen in korte broek was, zeg maar de jaren vijftig en zestig, kwam er soms een missiepater naar de klas, die zijn avonturen bij de negers in Congo vertelde. Hutten in het oerwoud was het beeld. Er stond ook een plaasteren spaarpot vooraan op de lessenaar, met felle kleuren slordig beschilderd. Een negerkopje knikte lief en onderdanig, eenmaal, tweemaal, als je er een stuk geld in stak.

Enkele maanden geleden kocht ik in Antwerpen een oud missionarisboek.
Nee, niet over Congo, maar Amerika: ‘Le Père De Smet. Apôtre des Peaux-Rouges (1801-1873)’, door E. Laveille S.J., 1928. De oorspronkelijke tekst moet van 1912 of 1913 dateren. Met dit boek, en met het verhaal van pater De Smet, plus enkele zeldzame jeugdherinneringen, voer ik jullie van Congo naar Amerika, en terug, maar toch vooral Amerika, en altijd langs België, van de negentiende eeuw tot vandaag. Pieter-Jan De Smet en de Indianen, de pater die niet stilzitten kon.

 

[Lees hier de tijdlijn van Montana die ik twee jaar geleden voor deze website schreef, en waarnaar in bovenvermelde tekst wordt verwezen.]

Oudere berichten

© 2019 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑