De 20ste eeuw was de eeuw van de auto. Steden en straten heeft hij veroverd. Voetgangers op stoepen gedrongen. Fietsers in goten en grachten gedrukt. Wegen werden verbreed, of brandnieuw aangelegd, door velden, weiden en natuur. Buurten opengebroken. Bij elke woning, winkel of kantoor moest parking. Geen vensters of tuinen, maar garagepoorten en beton of asfalt.
Driekwart eeuw lang heeft weinig of niets de oprukkende auto gestopt. Zijn opdringerige aanwezigheid werd een Recht van de Mens. Mijn auto mijn vrijheid. Rijden en parkeren waar en hoe je maar wil.
Een vloed van auto’s overspoelde het land.

Vanaf de jaren 70 kwam kentering. Winkelwandelstraten werden ingericht, hele pleinen kwamen autovrij. Elders werden trottoirs verbreed, bomen geplant, fietspaden gelegd. Er kwamen speelstraten en woonerven, en zones 30. Stukken stad werden autoluw, er was plaats voor stappers en trappers, voor traag verkeer en zwakke weggebruikers. En voor trams — want die blijven op sporen. Zelfs slenteren, zitten op een bank of een terras werd weer aanvaard. Spelen op straat.
De aanleg van nieuwe autowegen, of de verbreding van bestaande, werd afgeremd, niet alleen financieel. Er kwamen wel meer auto’s — die komen er nog steeds —, sneller, groter en sterker, en met een audio die je thuis niet hebt, maar ze staan in de file. De autodruk werd letterlijk ingedijkt. Nog steeds vuil en lawaaierig, slecht voor je gezondheid en voor het klimaat, maar met borden, paaltjes en boordstenen in betere banen geleid. De auto kwam niet meer overal. Er ontstond ruimte voor kalmte en zorgeloosheid. Ruimte zonder snelheid.
In een zee van drukte en snelheid werden polders van traagheid gelegd.

Deze ontwikkeling is nog lang niet voltooid. Er blijft nog veel ooit verloren terrein terug te winnen. Maar de aandacht verschoof. Van de drukte, de snelheid en de alomtegenwoordigheid — de alleenheerschappij — verschoof hij tweeërlei: naar milieulast (CO2, ozon, fijn stof…), en files op de weg. Dat laatste is een probleem dat vooral automobilisten zelf treft: snel wordt traag, en onzeker. Hoe vrijwaar je mobiliteit, om snel en zeker op bestemming te zijn, liefst individueel — autonoom — en ver? Verder dan een modale fietser of voetganger reikt.

Toen kwam de zoeffiets — nee, niet meteen —, die hielp alles overhoop.
Nog voor de zoeffiets waren er de roetfilters, de zuinige motoren met of zonder gesjoemel (“de lucht die uit mijn uitlaat komt, is properder dan hij er in gaat”, zoals een camionneur me ooit zei), de dynamische borden, trajectcontroles en GPS, de elektrische auto’s en de elektrische fiets (en autoped), carpooling en autodelen, en deelfietsen, segways (gyropodes), skateboards, rolschaatsen en inline-skates, zelfs schoenen met wieltjes. En fietsostrades. Dat zijn meer dingen dan er namen voor zijn, slimme oplossingen om de hinder en vervuiling te beperken, en vooral toch iedereen in beweging te houden. En bereikbaar te zijn. Waarbij de harde grenzen tussen een (individuele) auto en een (gemeenschappelijke) tram of bus vervagen, of tussen een auto, een brommer en een fiets. Zelfs tussen voeten en wielen.

Van elektrische ondersteuning bij fietsen geen kwaad woord: handig (en voet-zaam) voor wie wat verder moet, een moeilijke helling neemt of tegenwind heeft. Of met oudere kuiten rijdt. Maar een zoeffiets is anders. En meer.

Een zoeffiets is de kroon van menselijke spitsvondigheid. Hij is snel, en stil, en vervuilt slechts weinig — veel hangt af van je elektriciteit en hoe je die maakt. Hij mag mee op de trein. Je kan er zelfs de trap mee op. Een beetje plaats is groot genoeg om hem te stallen: een kamer, een kantoor, een hok. En vooral: hij haalt je uit de file op de autoweg — wat elke andere chauffeur ook uitstekend vindt, en de minister met hem.

Met een zoeffiets wordt de fietsostrade jóúw autoweg. Niet alleen daar ben je snel: ook het jaagpad, de landweg, het fietspad naar school als dat er is, de woonwijk, het woonerf, de wandelweg. Niet zo snel als een auto, maar wel overal. Geen bord, geen boord, geen paal houdt je weg.
Met de zoeffiets zijn de polders van traagheid hun dijken weer kwijt.

Snelheid en drukte sijpelen binnen, waar rust en kalmte, slenteren, zitten en spelen maar pas op de auto heroverd was.
De zoeffiets is niet de oplossing. Hij is het probleem, althans een deel ervan.

Mobiliteit gaat niet alleen om luchtvervuiling, energie of volksgezondheid, lawaai of (on)veiligheid. Het gaat ook om onze omgang met ruimte en tijd.

 

Hier zit een pdf-bestand van bovenstaande tekst.

En hier een link naar een tekeningetje over zoeffietsen, uit november 2016.