moskenes.be

Jef Van Staeyen

Categorie: Blog (pagina 1 van 17)

de Belgische impasse? — advies van een buitenlander

De Belgische politiek zit weer in een impasse. Daarom dit advies van een bevoorrechte buitenlander. Drie bedenkingen.

1.

Dit beeld (of een gelijkaardig beeld) heeft u sinds 26 mei al vaak gezien. Dit is de versie van De Standaard, waarbij J-M Dedecker gemakshalve bij N-VA wordt geteld. Er zitten twaalf fracties in het parlement. Ter herinnering: het Belgisch parlement behandelt Belgische bevoegdheden, daarvoor moet op Belgisch niveau een meerderheid worden gevormd.

Twee dingen vallen op, en het tweede is niet meer dan de pendant van het eerste.

  • je hebt véél partijen nodig om een meerderheid te vormen;
  • geen enkele partij is onmisbaar om een meerderheid te vormen.

Mathematisch bestaan er 4083 verschillende mogelijkheden om twee of meer van die twaalf fracties samen te brengen, waarvan er 2048 een Belgische meerderheid vormen. Politiek zijn die weliswaar niet allemaal even vanzelfsprekend, maar als de twee informateurs voor elke mogelijke oplossing-met-meerderheid één dag uittrekken om een vergadering te organiseren, hebben ze aan vijf jaar niet genoeg.
Niemand is onmisbaar.

2.

Opinie-onderzoeken zijn feilbaar, maar ze wijzen er wel op, met overtuigende cijfers, dat behalve een kleine minderheid niemand wakker ligt van Vlaamse onafhankelijkheid. De laatste grote Vlaamse betogingen dateren van de jaren zestig — inmiddels een halve eeuw geleden —, de Egmontbetogingen van de jaren zeventig waren slechts groot omdat ze over landwegels trokken — ik weet het, ik was er bij — en wie nu een betoging met Vlaamse vlaggen ziet, draait voorzichtig een zijstraat in. [Bij andere betogingen blijft men benieuwd of zelfs bewonderend kijken, en de Gay Pride in Antwerpen trekt tienduizenden toeschouwers.] VL- of leeuw-stickers op auto’s zijn zeldzaam geworden, en voor zangfeesten of ijzerbedevaarten zocht men een kleinere zaal of een andere dag. Geef die mannen met hun vlaggen een voetbalploeg.

3.

Wat wint Vlaanderen als Brussel overmorgen in Frankrijk ligt?
[Ter verduidelijking: Als Vlaanderen onafhankelijk wordt, worden Wallonië en Brussel dat ook. Die kunnen dan beslissen of ze (1) afzonderlijk onafhankelijk willen zijn, (2) samen onafhankelijk willen zijn, of (3) aansluiting vragen bij een ander land.]

Watou 2019, nu weet ik wat saudade is

(Ik begin met een antwoord aan Michiel Leen, ‘veteraan van elf opeenvolgende edities intussen’, in www.de-lage-landen.com, >Zintuiglijkheid wint het van Saudade op Kunstenfestival Watou, die stelt dat ‘Watou een verre verplaatsing’ vereist, want — zoals de redactie van de-lage-landen erbij vermeldt — het ligt ‘in de Westhoek, een afgelegen vlek in Vlaanderen.
Dat hangt af van waar je vertrekt.)

 

Als Rijselnaar bereik ik Watou al sinds dertig jaar op zijn Vlaams langs de achterdeur, via een smalle weg op de grens die Gemenestraat heet, maar wel erg lieflijk is. Eén editie heb ik sindsdien vrijwillig gemist — ik ga niet meer, besliste ik toen —, misschien zelfs twee, en daar heb ik nadien toch spijt van gehad. Mijn Watou-beleving (dertig keer?) heeft hoogten (hoge hoogten) en laagten gekend. [Lees Watou 2018, en andere jarenWatou 2009Watou 1999.]
Watou 2019 behoort voor mij tot de laagten, het heeft me teleurgesteld.

Ik ben, weet ik, toch wat elitair ingesteld, en misschien heeft die teleurstelling ook te maken met het feit dat je in Watou, zelfs op een zomerse woensdag, net iets teveel tegen andere lijven loopt. Maar het is óók omdat na zovele edities de ruimtelijke mogelijkheden van het dorp stilaan zijn uitgeput. ‘Onderweg van de ene locatie naar de andere slaat de hitte uit de bermen en schettert de withete zon op het asfalt’ schrijft Michiel Leen in zijn geciteerde tekst heel pertinent. ‘Dát is de ware Watou-experience’. Maar de locaties, die je via een vermoeiende stap onder de hete zon een na een bereikt, en waarvan de boeiende ruimten in dialoog gaan met beeldende kunst, poëzie en bezoekers, die locaties verdwijnen jaar na jaar, en als ze toch blijven krimpen ze in. Schuren en stallen worden afgebroken, zolders gesloten, huizen onherkenbaar verbouwd. De magische plekken in en nabij Watou worden door banalere locaties op kortere afstanden vervangen, waarvan de ruimtelijke mogelijkheden, het licht, de klank, de geur en de relatie tot het landschap veel beperkter zijn. Een parkje aan de rand van het dorp of een nieuwe begraafplaats zonder zerken kunnen de kwaliteiten niet brengen die de oude hoeven wel hadden, waar de geur van arbeid nog hing, de spanten werden gestut en de zon tussen de dakpannen scheen. De neringdoenden en huiseigenaars zal het niet paaien, maar om de kunstervaring te bestendigen zou het festival best verhuizen naar een ander dorp (wat het niet zal doen). Ergens tussen Ronse en Edingen bijvoorbeeld, op die andere grens.

[De beschreven evolutie kan je echter ook anders zien. Mede dankzij het festival zijn er in het verre dorp Watou weldra geen afgeleefde gebouwen meer, en bloeit er een nijvere middenstand.]

Verarmt de ruimtelijke dimensie van Watou, blijft er toch de plastische kunst en de poëzie (en het hommelbier, het konijn of het vispannetje, wat al bij al Watou minder compromisloos maakt dan Michiel Leen ook beweert). Maar die kunst heeft me dit jaar niet aan het dromen, rillen of denken gezet. De videokunst, die nog niet zo lang geleden overal prominent aanwezig was, is gelukkig tot normale proporties teruggebracht — en Nightfall van Jeroen Eisinga is inderdaad een ijzersterk werk, al heb ik het einde van de meer dan 50 minuten video toch gemist — maar er wordt wat gerecycleerd tegenwoordig in de beeldende kunst! De ene trend volgt zo de andere op. Waarbij je recyclage op alle manieren begrijpen kan: verzamelingetjes opbouwen van dingetjes waar niemand aandacht voor had, gevonden voorwerpen verwerken in beeldend werk, en allicht ook ideeën recycleren, die indruk geeft het toch soms. Vaak heb ik in eerdere edities van Watou vol verwondering gestaan voor meerdere werken, een ervaring die ik dit jaar niet heb gehad. Goed, en mooi, maar nooit meer dan dat. Bij wijlen was ik veeleer vermoeid, wat niet aan de warmte lag, die intussen al in de meeste huizen gekropen was.
[Even denk ik dan, ter vergelijking, neem me niet kwalijk, aan werk van Fabien Merelle en van Alicja Kwade, dat ik onlangs in het Franse Tours heb gezien. Kunstmoe ben ik niet.]

Van de meeste gedichten in Watou heb ik maar de helft, of minder, gelezen — niet de helft van de gedichten, maar de helft van elk gedicht. Nee, toch niet nog!  Eén gedicht springt er gunstig uit: ‘De methode—ii’ van Arno Van Vlierberghe, in de Douvie-hoeve. En ook de gedichten van Slauerhoff die je op enkele plaatsen vindt, en niet eens in het programma worden vermeld. Of de korte teksten van Maud Vanhauwaert (een gedicht en een interviewtje, dat laatste omtrent Pessoa, ook al vergist ze zich van eeuw): ‘geniale, maar steeds toegankelijke taal en stijl’, zoals het Watou-krantje stelt.
Doch als ik, op een groot bord in het park, de volgende regel lees: ‘Kan het nog dichter?’, vraag ik me af of er geen komma ontbreekt.

Is dat saudade? En is saudade, dat de keus van het dichtwerk in Watou heeft gestuurd, niet voor mij bestemd? Maar de teksten van Slauerhoff dan?
Saudade, en fado. Ik heb het vaak niet begrepen. Portugezen ken ik als de vriendelijkste, beminnelijkste mensen (niet vrolijkste, dat is wat anders), zoniet van de wereld, dan toch van ons continent. Waar ze ook zijn, in Portugal of hier. Hoe rijm ik die immense vriendelijkheid en aanstekelijke levenslust met de weemoed die saudade is? Verandert een Portugees zijn blik en zijn humeur zodra je je rug hebt gekeerd? Of verbergt zijn vriendelijkheid de saudade die diep in hem zit?

* * *

Bereik ik Watou steeds langs de Franse achterdeur, dan verlaat ik het langs de voordeur aan Belgische kant: Poperinge en het Heuvelland, tot in Waasten (Warneton), op de Leie en de grens. Ik maak een kring door die prachtige streek, want zowel in Watou als daarbuiten word ik door het landschap bekoord. Het is er minder versteend dan elders in Vlaanderen, en de verstening die er toch is, wordt door lichte glooiingen van akkers en weiden verzacht. Ik verlang naar dat landschap, maar woon er niet, en weet met mijn verlangen geen blijf. Al jaren besef ik dat ik in die streek wel wil zijn, en die streek meer wil voelen, maar er niet wonen wil. Zolang ik jong was, kon ik dat verlangen, en mijn onmacht er wat mee te doen, voor me uit schuiven, naar later. Maar nu ik meer dan 65 ben, en gepensioneerd, en andere verhuisplannen heb, weet ik zeker dat ik dat landschap nooit bewonen zal. Ik heb geen antwoord op mijn verlangen.

Portugal heeft slechts één landsgrens: de grens met het trotse, hovaardige Spanje, dat achter of op de bergen ligt. Portugal is vooral kust, alleen kust, en een immense zee. Een zee waarin elke avond de zon verdrinkt, nadat ze de golven schitteren deed. Een zee die naar Amerika, Azië en Afrika wenkt. Een zee die het verlangen voedt om naar elders, naar horizonten zonder einders te reizen. Een zee die om afscheid vraagt, een zee die zelfs afscheid van je eist: afscheid van je land, afscheid van je familie en afscheid van je vrienden. Van hun ogen, hun vertrouwde blik, hun immense vriendelijkheid. Ik kan me best voorstellen dat de inwoner van Portugal, bij het zien van de zee en de zon en de schepen een sterk verlangen voelt, een verlangen naar iets dat hij niet wil: zijn land verlaten en afscheid nemen. Saudade, denk ik dan, is het verlangen naar wat je niet wil.
En saudade is ook wat ik voel wanneer ik van Watou langs Vlaamse heuvels terug naar Rijsel rij.

aanvulling per 30 juli 2019

Het gedicht van Arno Van Vlierberghe, in de Douvie-hoeve, en de gedichten van Slauerhoff waren voor mij niet alleen anders, maar ook de enige waar ik ruimte en tijd had om er van te genieten. Tijd had ik uiteraard overal, of kon ik overal nemen, zoveel ik wou, maar de tijd dat de ruimte beschikbaar bleef was vaak veel te kort. De druk van de andere bezoekers was me te groot. Misschien was ik daarom toch wat te negatief in mijn oordeel over het aanbod aan poëzie.
Het was wellicht een vergissing van me, vóór 11 uur in Watou te willen zijn (wat vanuit Rijsel makkelijk is), want ik was er niet voor de menigte kwam. Die was er ook, of haalde me snel in. Wanneer ik op de middag aan een tafeltje zat — en er mijn tijd voor nam — hoorde ik de mensen naast me, die gehaaster waren, zeggen hoeveel locaties ze nog moesten doen. Op het eind van de dag, omstreeks 17 uur (de locaties zijn tot 19 uur open) leek het me dat er beduidend minder volk was. (Maar je mag geen tweede keer binnen).

drs. P in Frankrijk — het veer

(Deze tekst is een kleine bijdrage, in het Nederlands, aan de reeks die ik in het Frans schrijf over mijn recente treinreis langs acht Noord-West-Franse steden. Uit de titel en de inhoud mag blijken waarom ik hier voor het Nederlands kies. De tekst betreft inzonderheid de stad Angers en haar nabije omgeving langs de Maine.)

 

Fransen uit de Loire-streek zijn zuinig met namen. Je hebt een oude provincie die Maine heet — le Maine, hoofdstad Le Mans —, wier naam naar Amerika is overgewaaid, en je hebt een rivier die Maine heet — la Maine, in Angers. Je hebt een stad die Mayenne heet — niet te verwarren met Mayence, het Duitse Mainz — en een rivier die ook Mayenne heet, langs de stad Mayenne vloeit, en via de Maine in de Loire uitmondt.
De Maine is als de Rupel: ze heeft geen bron. Over amper 12 km voert ze de wateren van de Mayenne, de Sarthe en indirect ook de Loir (mannelijk, zonder e) naar de Loire (vrouwelijk, met e, je hoort geen verschil), in Bouchemaine.
[Ook de Rupel meet 12 km. Ze verenigt de Nete en de Dijle, en indirect ook de Zenne, tot ze in Rupelmonde in de Schelde uitmondt. Let op Bouchemaine en Rupelmonde.]
Wat de naam Loire betreft: behalve de Loire (1000 km lang, met een stroomgebied van 120.000 km², misschien de meest natuurlijke grote rivier van Europa) en de reeds genoemde (indirecte) bijrivier de Loir (320 km; 8300 km²) is er nog de kleine Loiret, 12 km, in Orléans, in feite een aftakking van de Loire die ondergronds gaat en in Orléans-la-Source weer boven komt. De talrijke andere vertakkingen van de Loire worden gewoon Loire genoemd.

Net als elders in Frankrijk hebben die rivieren, alleen of in gezelschap, hun namen aan departementen gegeven: Loire, Haute-Loire, Loire-Atlantique, Indre-et-Loire, Saone-et-Loire, Maine-et-Loire, Eure-et-Loir, Loir-et-Cher, Mayenne, Loiret. En aan administratieve regio’s: Pays-de-la-Loire en Centre-Val-de-Loire.
Je mag dus niet verrast zijn als je ginds verloren loopt, omdat je Loir met Loire of Maine met Mayenne verwart — al is dat laatste zo erg nog niet, volgens sommigen is de Maine gewoon de Mayenne. Of omgekeerd. Denk echter nooit dat la Maine (de rivier) in le Maine (de provincie) vloeit; ze vloeit in l’Anjou.

Overigens, die oude provincie Maine, ooit een graafschap, bestaat uit twee delen: in het oosten le Haut-Maine, rond Le Mans, dat lager ligt, en in het westen le Bas-Maine, rond Mayenne, dat hoger ligt. Dat heb je goed gelezen: Bas en Haut verwijzen niet naar het reliëf, maar naar de afstand tot de oude hoofdstad Le Mans. Grosso modo komt le Haut-Maine overeen met het huidige departement Sarthe (de rivier die Le Mans bevloeit), en le Bas-Maine met het departement Mayenne (hoofdstad… Laval). De stad Mayenne ligt dus op de rivier Mayenne in het departement Mayenne, dat ondanks zijn (relatief) hogere ligging eertijds Bas-Maine werd genoemd. Het is niet duidelijk of het de Cetomani zijn, een Gallisch volk, die voor al die namen — en die verwarring — hebben gezorgd.

Nu dit alles duidelijk is — of niet? — meld ik dat er ook nog een Vieille Maine bestaat, een waterloop, 3 km lang, die de Mayenne en de Sarthe met elkaar verbindt, zo’n 4 of 5 km voor die met elkaar samenvloeien om de Maine te vormen. Ben je nog mee? Het is makkelijk, het volstaat de stroming te volgen. De namen zijn wat moeilijk, je weet nooit waar je bent, of eerder: hoe het heet, maar er ligt gewoon een eiland, 600 ha groot, iets vóór de Maine, tussen de Mayenne, de Sarthe en de Vieille Maine. Een laag en, op enkele heuveltjes na, in natte seizoenen overstroombaar eiland: l’île Saint-Aubin, zo genoemd naar de abdij waarvan de paters benedictijnen het land eertijds hebben drooggelegd.
Merkwaardig dat ze dat eiland niet île de Maine hebben genoemd.

Ik breng de mensen heen, ik breng anderen weer terug
Mijn pont is als het ware ongeveer een soort van brug
En als de pont zo lang was als de breedte van de stroom
Dat kon hij blijven liggen, zei me laatst een econoom
Maar dat zou dan weer lastig zijn voor het rivierverkeer
Zodoende is de pont dus kort en gaat hij heen en weer
Dan vaart hij uit, dan legt hij aan, dan steekt hij weer van wal
En ondertussen klinkt langs berg en dal mijn hoorngeschal

 

Deze tekst heb je zeker herkend: het is een strofe uit de Veerpont (1973) — ‘heen en weer, heen en weer, heen en weer, heen en weer’ — van de Nederlandse schrijver en zanger Drs. P (1919-2015). Ik citeer hem hier graag, omdat hij erg toepasselijk is op het kabelveer dat l’île Saint-Aubin met de rechteroever van de Mayenne verbindt (en even absurd als de verwarring met Maine en Mayenne). Weliswaar zingt Drs. P ook, in de aanhef van zijn lied, ‘We zijn hier aan de oever van een machtige rivier’, wat van de Mayenne niet gezegd kan worden, althans bij laag water (l’étiage), wanneer het veer half zo lang is als de rivier breed. Maar ook dan, of vooral dan, is er (plezier)scheepvaart. Dan wordt het veer even aan de oever vastgelegd en de kabel die de rivier overspant in het water gezonken.

 

Van ‘s morgens tot ‘s avonds staat er een ambtman op het veer, tenzij hij in zijn huisje op reizigers wacht of er zijn middagmaal eet. De man bedient de kabel en een rem — er is geen motor — en trekt het veer naar de overkant wanneer er klanten zijn. Soms zijn het reizigers-toeristen die voor spierkracht zorgen. Maar ik heb ook gezien, toen een vrachtwagen kwam, hoe de veerman de rem van het veer los trok op het moment dat de wagen het vaartuig op bolde. Het remmen van de wagen volstond om het veer in beweging te brengen.

 

la Maine à Angers  (klik hier of op de foto voor meer beelden)

Vrienden in Angers hebben me een fiets geleend, waarmee ik de rivier Maine over de volledige lengte (!) heb verkend. Stroomopwaarts naar het île Saint-Aubin en zijn veer, en stroomafwaarts naar de monding in Bouchemaine. Net als de Loire, maar op haar niveau, is ook de Maine een natuurlijke rivier. Zowel stroomop- als stroomafwaarts — het île Saint-Aubin, het parc de Balzac, het lac de Maine en de zachte oevers heeft de rivier plaats genoeg om zich te laten gaan (prendre ses aises). Er ligt een mooi fietspad langs, dat soms oncomfortabel genoeg is om niet zomaar als snelheidspiste te dienen. Als je veel geluk hebt, wat ik blijkbaar had, kan je ook bevers zien. Een mooie, Franse tekst over het landschap van het eiland Saint-Aubin, over zijn sterkte en zijn kwetsbaarheid, vind je hier,  >in het tijdschriftje banC publiC.

 

een regenvlaag kan prachtig zijn, vooral als je droog binnen zit

… dat vindt professor Gabriel Felbermayr ook. Daarom pleit hij voor een economische recessie, die “bedrijven wier zakenmodel niet meer werkt verplicht te stoppen” (De Standaard, 13 juli). “Een recessie zou net nu gezond zijn”, zegt de ‘topeconoom’.
Gabriel Felbermayr is sinds kort voorzitter van het Institut für Weltwirtschaft (IfW) in het Noord-Duitse Kiel. Hij bekleedt er een leerstoel Economie en Economisch beleid (Volkswirtschaftslehre und Wirtschaftspolitik) aan de Christian Albrechts Universität. Het IfW wordt paritair door de federale en regionale overheden gefinancierd.

Zo gaat dat. Gabriel Felbermayer pleit ervoor dat bedrijfsleiders hun bedrijven tegen de klippen zien gaan, dat werknemers hun banen verliezen en spaarders hun geld. Dat mensen hun huizen moeten verlaten, huwelijken uiteenvallen en kinderen voortijdig hun studies staken. Slapeloze nachten en slepende ziekten. Dat vervallen bedrijfssites met overheidsgeld worden opgeruimd, geld dat ook nodig zal blijken voor een versterkt sociaal beleid (valt te hopen): huisvesting, vervangingsinkomens, herscholing, onderwijs, gezondheid… [Want armoede kost geld.] Onderwijl overschouwt de professor vanuit zijn Instituut wat er gebeurt, want hij zit uit de regen en storm. Zo’n recessie is prachtig om studies te schrijven; de openbare financiering moet ergens goed voor zijn.
Het kan geen toeval zijn dat mensen die voor onzekerheid pleiten, zo vaak zelf een hoge maatschappelijke en financiële bescherming genieten.

 

Lees over gelijkaardig gedrag — ik geef aanbevelingen voor anderen, maar vooral niet voor mezelf ‘Brusselse huichelaars’.

Oudere berichten

© 2019 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑