Jef Van Staeyen

Tag: literatuur (Pagina 2 van 14)

Verhaeren in Sint-Amands-aan-de-Schelde

Lise Duclaux, “les errances naturelles” (impossible de les reconduire à la frontière) — Roger Raveel, “Waterkant”

Met een klein maar mooi museum op de eerste verdieping van de bibliotheek eert Sint-Amands-aan-de-Schelde de franstalige Vlaamse auteur Émile Verhaeren, die in 1855 in het dorp geboren is, en in 1916 in Rouen overleed. Verhaeren was een dichter (les Campagnes hallucinées, les Villes tentaculaires, Toute la Flandre…), ook schrijver van theaterteksten en essays, en een prominente figuur in de internationale wereld van kunsten en literatuur. In 1899 werd hij door koning Albert benoemd tot poète national — dichter des vaderlands.
Het museum houdt vaak tentoonstellingen, en tot 30 november is dat Langs de Waterkant – Au bord de l’eau, met grafisch werk van een twaalftal kunstenaars en teksten van vier auteurs. Het museum is een stille, intieme ruimte, stijlvol ingericht door Monique Verelst, waarin de tentoongestelde werken mooi tot hun recht komen. Een plezier voor de ogen.
Zo’n honderd meter daarvandaan, aan de oever van de Schelde, staat sinds 1927 het praalgraf van Émile Verhaeren en zijn vrouw, de Luikse schilderes Marthe Massin. [Zij overleed in 1931 en werd in 1955 in het graf bijgezet, toen ook een eerste versie van het museum geopend werd.]

Onlangs (september 2025) besliste de Vlaamse minister van cultuur Caroline Gennez de jaarlijkse subsidie van 80.000 euro voor het museu in twee stappen af te schaffen. Een halvering in 2026 en een volledige schrapping in ’27. De lokale neringdoeners zullen er niet onder lijden — ze leven vooral van de wielertoeristen — maar wat het betekent voor het museum en zijn mooie initiatieven, of voor de herinnering aan de ooit geprezen literator is onzeker.

Een straatnaambordje in het museum — “Au bord”, olie op doek, 1999, Robert Van Dromme — “Rive, Sint-Amands, 27.05.2020”, fotografische afdruk, Jacques Vilet — het praalgraf aan de Schelde.

Austerlitz — W.G. Sebald

Austerlitz van W.G. Sebald is een prachtig boek. Een boek om te hebben en telkens weer vast te nemen. Na het bij de bibliotheek te hebben geleend, na het te hebben gelezen, heb ik het bij De Groene Waterman gekocht. Het is het verhaal van een vierjarig jongetje dat in 1939 in Praag op de trein naar Londen wordt gezet om aan de Jodenvervolging te ontkomen. Die alles vergeet, soms ongelukkig en dan weer gelukkig is. Wien beelden uit zijn oudste herinneringen soms toch zijn dromen verstoren, en die op bijna vijftigjarige leeftijd op zoek trekt naar zijn eigen geschiedenis, naar die van zijn ouders en wat er met hen is gebeurd, en breder naar wat de Joden door de nazi’s, hun bondgenoten en meelopers is aangedaan.  Jacques Austerlitz vertelt dat alles aan een naamloze luisteraar, schrijver van het boek, die hij in 1967 in het Centraal Station van Antwerpen toevallig ontmoet, en tot 1996 zal blijven ontmoeten.

Lees hier.

Edgar Allan Poe in Antwerpen: Alegria! Alegria! — Patrick Conrad

De straten van Antwerpen is een boek uit 1993, samengesteld door Koen Vergeer en uitgegeven door Atlas Amsterdam / Antwerpen. Een bloemlezing. Ze bevat dertig teksten, vooral verhalen, soms een gedicht, die op de een of andere manier aan de straten van Antwerpen zijn gelinkt. Die link is vaak heel zwak — zelden staat de straat centraal, soms is het niet meer dan een wat toevallige plek. Uitzonderingen zijn De weg naar het niemandsland van Sus van Elzen over de Cogels-Osylei, en Het einde van de wereld is nabij van Paul Snoek over braspartijen in het schrijvers- en kunstenaarsmilieu in de V.E.C.U. en het nabije Conscienceplein. [Wat Snoek daar beschrijft komt goed overeen met wat Jeroen Brouwers in Vlaamse Leeuwen schreef.] Maar het meest Antwerps zijn allicht de teksten van Maurice Gilliams: Sterven te Antwerpen en Notities over Antwerpen. Dat mag geen verrassing zijn.

Gilliams

Als ik door sommige straten wandel, waar de witte huizen glanzen van de verse verf, waar het koper aan naamplaten en deurklinken van het geregeld poetsen afgesleten is: — waarom zou ik over die wandeling een andere opmerking verwachten, dan dat men dáár in geen geval de lokale Antwerpse kleur moet gaan zoeken. Doch die straten van kooplieden en verzekeraars, van dokters en advocaten, zal ik steeds als de belangrijkste en meest vervaarlijke beschouwen, omdat ik ze betreed met herinneringen aan ziekten en betwiste erfenissen, aan mislukte beursspeculaties en scheepsrampen die de vooroorlogse (1914) wereld definitiever en schandelijker tot ondergang doemden dan heden het geval is.

Het boek is wat slordig uitgegeven. Geen enkele tekst en geen enkele publicatie is gedateerd. De keuze lijkt erg willekeurig — nergens wordt ze verklaard — en de kwaliteit is — of: vind ik — ongelijk.

Conrad

Een uitschieter is Alegria! Alegria! van Patrick Conrad, uit de gelijknamige verhalenbundel, die volgens Wikipedia in 1972 verscheen.
Loop nu niet naar de Otto Veniusstraat nr 7, waar het verhaal zich afspeelt. Het is niet Antwerpser dan de belastingsdienst in de Lange Nieuwstraat, de winkel Cecil op de Meir waar Antoine Depaepe een stel gele lederen laarsjes koopt, of de vitrines van de Innovation met naakte, kale mannequins.
Dertig jaar geleden kocht Antoine Depaepe voor de liefde een levensechte pop die nu plots zwanger lijkt: eerst haar borsten en dan haar buik zwellen op. Depaepe vraagt zich af wie de vader is, want de liefde bedrijven kan hij niet meer. Het slot vertel ik niet, het had door Edgar Allan Poe geschreven kunnen zijn.
[Let ook op de stijl van dit uittreksel, dat de verwarring van de hoofdpersoon goed weergeeft.]

Rond halftien die avond. De jaarlijkse vakantie was juist voorbij en Depaepe was niet van huis gegaan, hij kon Musidora immers geen drie weken in de kleerkast achterlaten, en daarbij wat kon hij meer verlangen dan dag en nacht voor haar te zorgen, over haar te waken — ontdekte hij, terwijl hij haar oksels met opopanax parfumeerde, dat haar lichaam weer veranderd was, duidelijker plots, en het zweet brak hem uit, koud en hij rilde en met een ruk bracht hij zijn hand voor zijn mond, als om een kreet van afgrijzen, blijdschap en wanhoop te smoren, en met wijd opengesperde ogen staarde hij naar het wulpse, grenzeloze lijf van zijn bleke pop, het drachtig dier, dat zich schaamteloos op de sofa uitstrekte. Ditmaal was er geen twijfel mogelijk, Musidora was zwanger.

revolutionary road – extra’s

Elders (of juister: eerder) op deze website schreef ik een lovende tekst over Revolutionary Road van Richard Yates. Ik voeg hier graag wat aan toe.

1. Little Boxes

Revolutionary Road is veel boeken tegelijkertijd. Het wordt ook gelezen als een kritiek van de Amerikaanse suburbs. Dan gaan de gedachten makkelijk naar het liedje Little Boxes dat Malvina Reynolds in 1962 schreef — het jaar na het boek — en dat we vooral kennen van Pete Seeger, die het in 1963 zong.
De afschuwelijke nieuwbouwwijk die Revolutionary Hill Estates heet  — bakbeesten van split-levelwoningen, stuk voor stuk in walgelijke pasteltinten en bovendien afgrijselijk duur…” en
“Het was er onwankelbaar vrolijk, een speelgoedland met witte en pastelkleurige huizen waarvan de stralende ramen zonder gordijnen vriendelijk knipoogden door een spikkeling van groene en gele bladeren.” vinden een echo in

Little boxes on the hillside,
Little boxes made of ticky tacky,
Little boxes on the hillside,
Little boxes all the same.
There’s a green one and a pink one
And a blue one and a yellow one,
And they’re all made out of ticky tacky
And they all look just the same

2. Steve Jobs

Revolutionary Road is vaak verrassend actueel, of zelfs visionair.

Weliswaar
– wordt er ontzettend veel en overal gerookt in dit boek,
– hebben de treinen open balkons en kan je op het perron springen nog voor de trein stilstaat — altijd in de richting van het rijden springen !
– zijn computers kamergroot en werken ze met vacuüm-lampen,
– is er geen mobiele telefoon,
– gaat niemand joggen,
– en is de rolverdeling tussen mannen en vrouwen thuis en op het kantoor grotendeels achterhaald.

Maar vaak is de levensstijl verrassend actueel. In dit boek uit 1961 dat een verhaal uit 1955 beschrijft
– zien we de televisie-bankstel-salontafel-koelkast-alcohol (sherry, whisky…) levensstijl,
– gaan de collega’s ‘s middags lunchen in de stad, onderbreken ze ‘s morgens hun werk (dat ze nauwelijks begonnen zijn) om samen koffie te drinken, en blijven ze liever thuis wanneer dat hen past,
– voeren ze taken uit waarvan de zin niet echt duidelijk is,
– is zaterdag een vrije dag, ideaal om in de tuin te werken,
– wordt weliswaar met de trein naar de stad gependeld — het is New York —, maar worden alle andere verplaatsingen met de auto gedaan,
– en is die auto vooral een recreatief middel — soms wordt er doelloos rondgereden.

En vooral
– gaat Knox Business Machines, het bedrijf in kantoormachines waar Frank Wheeler werkt, een grote elektronische computer bouwen, “een van die enorme knoerten (…), het soort computer dat ze gebruiken voor het voorspellen van het weer en de verkiezingsuitslagen en dat soort dingen. (…) Het is in wezen niet meer dan een geweldig grote, geweldig snelle telmachine, maar in plaats van mechanische onderdelen zitten er duizenden afzonderlijke vacuümbuisjes in.”
– wil Bart Pollock van de verkoopsbevordering Frank Wheeler in zijn team opnemen en hem overal ten lande promotie-conferenties laten houden:
“Ik heb zo’n idee dat ik jou overal in heel Amerika naar allerlei groepen mensen zou kunnen sturen (…) en dat je alleen maar vóór hen zou gaan staan en gewoon praten. Je zou over computers praten, tekst en uitleg geven; je zou vragen beantwoorden, je zou over elektronische gegevensverwerking vertellen in een taal die iedere zakenman kan begrijpen. (…) Ik ben nog altijd overtuigd van één ding en dat is: als je probeert een idee te verkopen, het maakt niet uit hoe ingewikkeld het is of wat het is, kun je onmogelijk iets vinden dat effectiever overtuigt dan de levende mensenstem.”
Het is of je Steve Jobs, Mark Zuckerberg, Joe Gebbia (Airbnb) of een van hun talloze epigonen voor je ziet.
– en bouwt Bart Pollock uiteindelijk zijn team om tot Bart Pollock Associates. Zoals iemand zegt “een soort industriële public relations voor de elektronica-branche. Ze zijn begonnen met Knox als enige klant, maar ik geloof dat ze er nu nog een paar hebben. Als het goed is, gaan ze het de volgende jaren helemaal maken.”

Richard Yates moet helderziend zijn geweest.

 

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑