Iedereen kent Langres: een kleine stad als een kroon op een lage berg die de heuvels op de grens van Champagne en Bourgogne beheerst. Denk aan Laon, Saint-Flour of, korter bij huis, aan Cassel. De torens zijn minder hoog of beeldbepalend, en de wallen zwaarder. Langres is tot de twintigste eeuw onneembaar geweest, een meesterstuk voor de koning van Frankrijk wanneer die met zijn buren ruzie had.

Langres heeft een station, sinds 1858, maar als je daar je trein verlaat en naar het stadje kijkt, voel je je als de legers die nooit tot boven zijn geraakt. Een vriendelijke automobilist die aan het station zijn dochters kwam halen — zijn er maar drie reizigers uit de trein gestapt, de twee jonge vrouwen en ik? — heeft mij naar boven gebracht. In Langres moest hij niet zijn, maar hij maakte graag een praatje met een Belg.

De elektrische tandradbaan die tot 1971 het station met het stadje verbond is erfgoed geworden. Een van de treinstellen werd gerestaureerd en op wat van de baan overblijft als bezienswaardigheid geplaatst.

Ik heb Langres bezocht, de verdedigingswallen, de Romeinse poort, de straatjes, de kathedraal en het museum met de mozaïeken — en heb er nog talrijke vriendelijke mensen ontmoet. En ik heb gezien wat overblijft van de tandradbaan die van 1887 tot 1971 het station beneden met de stad boven verbond: 132 meter hoogteverschil op een afstand van 1475. Ze was de oudste van Frankrijk, en werd tot 1935 met stoomlocomotieven en daarna elektrisch bediend. Zowat elk uur een trein in elke richting, van één uur ‘s morgens tot elf uur ‘s avonds, met een reistijd van tien minuten, perfect was dat. Vandaag rijden er bussen op onmogelijke uren. De dag na mijn bezoek ben ik dus te voet weer naar het station afgedaald. Fijn grint op het voetpad. Zelfs bergafwaarts was lastig.

 

Denis Diderot waakt over de stad die hij is ontvlucht.

lettre sur les aveugles

Langres herdenkt, naast zijn bisschoppen en militairen, poortwachters van de macht, twee van zijn burgers: Denis Diderot en Jeanne Mance. Beiden hebben ze het stadje verlaten en elders hun vleugels ontplooid. Diderot (1713-1784) is de meest bekende. Hij was een zeer veelzijdig auteur in talrijke genres (romans, verhalen, theater, essais, kritieken…), maar wordt toch vooral geroemd om de Encyclopédie waaraan hij samen met d’Alembert twintig jaar heeft gewerkt. Zijn vader, messenmaker — wat tot vandaag in die regio een belangrijke nijverheid is — bestemde hem voor het priesterambt of, als dat niet lukte, het ambacht. De erfenis van zijn oom, met een prebende of kerkelijke vergoeding als kanunnik, lag bijna voor hem klaar. Maar Diderot wilde dat niet, hij trok naar Parijs, studeerde er filosofie en theologie, waagde zich aan de letteren, ook en vooral in vertalingen uit het Engels — waaruit veel van zijn ideeën zijn gerijpt — en vond zijn weg in intellectuele kringen. Op 29-jarige leeftijd vroeg hij zijn vader of hij mocht huwen — meerderjarig was men toen pas op 30 — wat die weigerde, en hem in een klooster in Troyes opsloot. Waaruit hij wist te ontsnappen. Enkele jaren later, in 1749, werd hij nog eens opgesloten, maar toen was het in opdracht van de censuur, die zijn Lettre sur les aveugles à l’intention de ceux qui voient te materialistisch en daarom staatsgevaarlijk vond. Diderot beschreef en analyseerde de dingen zoals hij ze zag, veeleer dan zoals men zei dat ze waren. Hij kreeg ook vaak meer steun uit Stockholm, Berlijn (de Preußische Akademie der Wissenschaften) of Sint-Petersburg, dan uit eigen land. Om hem te helpen kocht Tsarina Catharina II zijn bibliotheek, maar belastte hem ze te bewaren en beheren, en vergoedde hem daarvoor. In 1773 en ’74 voerde ze in Sint-Petersburg — Diderots enige buitenlandse reis, die hem ook in Den Haag heeft gebracht — talrijke lange gesprekken met hem, waarvoor hij tientallen voorbereidende mémoires schreef. Diderot keerde slechts zelden naar zijn geboortestad terug, maar schreef wel, in 1770, een Voyage à Langres. Veeleer dan een brok nostalgie is het een accurate beschrijving van de beperkingen waaraan de mensen die er leven onderworpen zijn: de streek oogt charmant maar is het niet. Met name het pachtsysteem dat de eigenaars vaste inkomsten garandeert, de versnippering van de percelen en de slechte transportmogelijkheden zorgen voor veel hongersnood, armoede en onzekerheid. Diderot is in de schaduw van de Kerk, de koning en de krijgsmacht geboren, en werd door zijn vader, een ambachtsman, voorbestemd om in die wereld verder te gaan, maar hij heeft getoond en geschreven hoe je eraan ontsnapt.

 

Het geboortehuis van Jeanne Mance in de rue du Barbier d’Aucourt.

une femme de vertu et de résolution assez mâle

Honderd jaar eerder was ook Jeanne Mance (1606-1673) haar eigen weg gegaan, zij het in de Kerk, of in de marge ervan. Samen met Paul de Chomedey de Maisonneuve heeft ze in 1642 Montréal gesticht — toen nog Ville-Marie. Haar ouders en grootouders waren invloedrijke mensen uit de noblesse de robe, de ambtsadel, als procureurs du roi, maar toen haar vader en moeder op korte tijd stierven, moest ze samen met haar oudere zus in het levensonderhoud van de jongere broers en zussen voorzien — Jeanne was geboren als tweede van twaalf. Ze voelde niets voor huwelijk of klooster, en koos als leek voor de zorg, waar in Langres grote behoefte aan was. De pest en de dertigjarige oorlog maakten veel slachtoffers. Tegelijkertijd onderhield ze regelmatige contacten met zeer gelovige of zelfs devote mensen, die in la Nouvelle France het katholicisme wilden verspreiden en daar hun geld aan besteedden. Ze ontmoette, ook in haar zeer kerkelijke familie, priesters die in de snel groeiende overzeese provincie waren geweest en erover vertelden. Via contacten in Parijs kon Jeanne Mance op 9 mei 1641 inschepen in La Rochelle, in een convooi van twee schepen onder leiding van Paul de Chomedey de Maisonneuve. Voor het stichten van een hospitaal — en missiepost en kolonie en militair kamp — had men immers ook een vrouw gezocht die haar mannetje kon staan: “une fille ou femme de vertu assez héroïque et de résolution assez mâle pour venir dans ce pays prendre le soin de toutes les denrées et marchandises nécessaires à la subsistance de ce monde et pour servir en même temps d’hospitalière aux malades ou blessés”. De geestelijken konden preken en dopen en praten over God, en de soldaten vechten, maar er moest iemand zijn die ervoor zorgde dat er bijtijds wat op tafel stond, en de zieken en gekwetsten verzorgde. Het schip met Jeanne Mance arriveerde na een moeilijke overtocht van drie maanden in het stadje Québec, maar van het schip met Maisonneuve was lange tijd geen nieuws. Zij arriveerden pas eind september in Tadoussac, iets meer stroomafwaarts de rivier. Er ontstond discussie over de plek waar de missiepost moest worden gesticht —  de gouverneur vond het eiland Montréal, dat al eerder in kaart was gebracht, te ver en te gevaarlijk — maar Maisonneuve zette door, en in naam van de Franse koning werd de concessie toegekend. [In 1534 had Jacques Cartier uit Saint-Malo in opdracht van de Franse koning aan de monding van de Saint-Laurent een kruis geplant, en vanaf die dag beschouwde men in Parijs en later ook Québec dat het de koning en zijn gezanten toehoort grote of kleine stukken van het nieuwe land in concessie of in feodaal leenrecht te geven. Alles werd bij de gratie Gods in wetten en contracten gezet, maar de autochtone bewoners werden als rechtelozen in hun eigen land beschouwd.]

Heel de winter werd de expeditie voorbereid, die na het breken van het ijs op de Saint-Laurent kon vertrekken. Op 17 mei werd het eiland Montréal bereikt. De kolonisten bouwden een vesting, een kerk en een hospitaal, waarvoor de leek Jeanne Mance aan het hoofd van de hospitaalzusters stond. Irokezen werden gedoopt, en er werd oorlog met hen gevoerd. Jeanne Mance keerde meermaals naar Frankrijk terug, voor geldelijke steun, of om hospitaalzusters of soldaten te vinden, maar bleef uiteindelijk in Ville-Marie, waar ze in 1673 overleed. Op dat ogenblik telde de missiepost ongeveer vijfhonderd Franse inwoners — inboorlingen werden niet geteld —, vooral uit het westen van het land. De naam Ville-Marie zou langzaam verdwijnen, ten voordele van de oudere naam Montréal, de naam van de berg en het eiland waarop die ligt. Jaren-, nee eeuwenlang zou Maisonneuve als enige stichter van Montréal worden beschouwd, een eer die hij pas sinds 2012 mag delen met Jeanne Mance. Misschien heeft Langres, die de figuur in 1968 met een sculptuur van Jean Cardot in de bloemetjes heeft gezet — op een plein dat al in 1954 place Jeanne Mance werd gedoopt — daar wel toe bijgedragen. De afwezigheid in Langres van een zee of van een maritiem klimaat, zelfs van grote rivieren en boten, heeft Jeanne Mance er niet van weerhouden haar geluk aan de overkant van de oceaan te zoeken, in la Nouvelle France. Ze is niet uit de wereld van Kerk, koning en krijgsmacht gestapt, maar heeft er wel een heel eigen plaats en vrijheid verworven.

 Zie hier wat Langres nog meer te bieden heeft, bijvoorbeeld in het Musée d’Art et d’Histoire, dat de bezoeker terugvoert naar de Gallo-Romeinse geschiedenis van de stad.