Jef Van Staeyen

Categorie: Blog (Pagina 2 van 45)

zonder haast straat

 

 

De liefde voor een stad gaat ook door kleine, dagelijkse dingen. Zoals de mooie Antwerpse straatnaamborden. Hoe en wanneer ze zijn ontstaan, wie de mooie letters ontworpen of gekozen heeft, de rustige zetting op een blauwe achtergrond — tegenwoordig jammer genoeg vaak goedkoop wit —, ik weet het niet, maar het resultaat is prachtig. Ik weet niet of er ergens elders mooiere straatnaamborden te vinden zijn, maar ik heb er geen gezien.

Gelukkig was het ook — nu ja, gelukkig — dat er in 2006 een “zonder haat straat”-campagne kwam, waarmee duizenden en duizenden gezinnen hun afkeer toonden voor haat in het algemeen en racisme in het bijzonder. Aanleiding was een racistische aanslag in Antwerpen, waardoor er logischerwijs veel Antwerpse straatnaambord-affiches aan de Antwerpse ramen kwamen, die ook grafisch naar de echte Antwerpse straatnaamborden verwezen. In andere steden, zoals Gent, kwamen er andere versies. Uiteraard. Het antiracisme gaat mooi samen met een warm thuis-gevoel. Ik durf denken dat het samengaan van een “dit is echt een straatnaambord van hier” en de inclusieve boodschap aan het succes van de campagne heeft bijgedragen.

Er kwamen ook varianten. In vorm en in inhoud. Niet altijd even inclusief.

Dit straatnaambord wil wijzen op de behoefte aan onthaasting, aan verlangzaming in de stad. Zo wordt niemand uitgesloten, en vindt iedereen zijn plaats. Ook dit bord is inclusief.


[Met dank aan de ontwerpers van de Antwerpse straatnaamborden, en aan de mensen die beslisten een “zonder-haat-straat”-campagne te lanceren en daarvoor naar de Antwerpse straatnaamborden verwezen.]

zijn we Katharina Blum vergeten? ❧

We hebben het ouderlijk huis opgeruimd. De meubels, de huisraad, de boeken.
Uit vaders bibliotheek koos ik enkele romans, van Eric De Kuyper, Hella Haasse, Heinrich Böll.
De verloren eer van Katharina Blum — net herlezen — greep me even hard aan als vijftig jaar geleden. Niets heeft dat verhaal aan kracht ingeboet.

Katharina Blum is een vrouw van 27. Ze heeft twee handicaps, en haar gedrag vertoont twee ongerijmdheden. De handicaps zijn dat ze mooi is en hard werkt. Ze werkt als huishoudhulp — gek woord voor iemand die niet helpt maar doet — en in de horeca: cafés, restaurants, recepties. Vaak wordt ze lastig gevallen. Ook en vooral wanneer ze bij invloedrijke mensen thuis feestjes organiseert. De ongerijmdheden, die al snel verdacht worden gevonden, zijn dat ze soms in haar Volkswagen stapt en uren ver rijdt, liefst in de regen langs wegen met bomen, en ook dat ze, die als een terughoudende vrouw bekend staat en soms “de non” wordt genoemd, op een feestje plots verliefd wordt op een haar onbekende man, de hele avond innig met hem danst, beslist dat ze voortaan met hem wil leven en hem mee naar huis neemt. Hij is een misdadiger die door de politie wordt gevolgd — dat weet ze niet — en ze helpt hem uit haar omsingelde appartement te ontsnappen. Daar komen problemen van, met de politie en vooral met de pers: de Zeitung. Voor de politie is de ontmoeting met de gangster niet toevallig, maar opgezet spel, en is Katharina sinds jaren zijn handlanger. Waarom heeft ze de voorbije jaren al die kilometers naar nergens gereden? Waarom is ze met de tram naar het feestje gegaan? Wie was het herenbezoek waarover haar buren praten, dat ze — ongewenst — kreeg en haar — ongevraagd — een dure ring heeft geschonken? Voor de pers, althans de Zeitung, is er veel meer aan de hand. De twijfels van de politie worden tot zekerheden uitvergroot, Katharina wordt het centrum van een staatsgevaarlijk netwerk, en al wie Katharina kent wordt mee door de modder gesleurd. Nee, niet iedereen: de Zeitung is selectief in wie ze besmeurt. Blijkbaar wordt een en ander uit het politiekantoor gelekt, en met verdraaide getuigenissen aangedikt. Maar, zoals de jonge advocaat-generaal dr. Korten tijdens een verhoor aan Katharina zegt, wanneer die zich over de gang van zaken beklaagt: “wie zich niet in slecht gezelschap begeeft of daarin terechtkomt, geeft de pers geen enkele aanleiding tot een vertekende voorstelling van zaken”. De mensen hebben immers recht “de tegenwoordige geschiedenis” te kennen. Uiteindelijk maakt Katharina een afspraak met de journalist van de Zeitung, en schiet hem dood.

geen Böll in de bib

Dat laatste lezen we niet op het einde van het verhaal, maar in het begin, wat deel uitmaakt van de magistrale structuur en stijl van het boek. In 58 korte (soms zeer korte) hoofdstukken neemt Heinrich Böll de lezer bij de hand, en schrijft in reportagestijl, soms heel ernstig, dan weer ironisch, het verhaal overhoop — wat me enigszins doet denken aan het (veel recentere) Puhdistus (Zuivering) van Sofi Oksanen uit 2008. De lezer laat zich best niet afschrikken door de wat bizarre stijl en mededelingen van de eerste twee hoofstukken, en doet er goed aan de soms op elkaar lijkende Duitse namen goed te onthouden. Dit in acht genomen loopt het verhaal als een trein.

Ik heb het boek tweemaal herlezen, en merk nu pas dat ik ook een in Frankrijk uitgegeven pocket-versie heb: “Lire en Allemand”, een Duitse tekst met Duitse uitleg en (heel soms) Franse vertalingen van moeilijke woorden erbij. Dat moet me lukken. [Een enkele keer helpt een Duits woord met Franse vertaling me verder dan de Nederlandse: Staatsanwalt — procureur — advocaat-generaal.]
Onderwijl verbaas ik me (of niet?) geen Böll in de boekhandel te vinden, en nauwelijks in de bibliotheek. Toch blijven die boeken vijftig jaar na hun verschijnen even actueel en aangrijpend als toen.

 

Post scripta:

  • Zonder de kennis van de Nederlandse vertaling was ik in de Duitse tekst volledig verloren gelopen, maar met die kennis was het een echt leesplezier. Dit is geen kritiek op Jan Bernards vertaling, maar met die Duitse tekst van Böll voel je soms toch nog wat anders.
  • Hoofdstukje 4 begint met een subtiele woordspeling, die in de vertalingen verloren is gegaan. Elke lezer begrijpt dat Heinrich Böll met de Zeitung het Hamburgse dagblad Bildzeitung bedoelt. Kortweg Bild. [“De overeenkomsten zijn niet opzettelijk en evenmin toevallig, maar onvermijdelijk”, schrijft Böll als leeswaarschuwing.]
    Wanneer enkele dagen na de journalist van de Zeitung ook een collega-persfotograaf wordt vermoord — eerst denkt de politie aan Katharina Blum als dader, maar die heeft een alibi: ze zat in de cel — noemt Böll hem treffend Bildjournalist.
  • Ik merk wel enkele ongerijmdheden in het verhaal. Er is een kwestie van uren (hfdst. 14) en een van jaren en kilometers (hfdst. 24), die ik zowel in de Nederlandse vertaling (1974) als in een Engelse (1975) vond, maar in de Franse uitgave-met-Duitse tekst uit 1991 is gecorrigeerd. Een andere ongerijmdheid betreft de woning van hoofdinspecteur van de recherche Walter Moeding, waar Katharina Blum op zondagavond aanbelt om te verklaren dat zij de Zeitung-journalist heeft vermoord, terwijl niets in het verhaal erop wijst dat zij Moedings adres kent.
  • Die verlorene Ehre der Katharina Blum werd in 1975 door Volker Schlöndorff en Margarethe von Trotta verfilmd.

twee verhalen, één stad — Langres — en hoe je ze verlaat

Iedereen kent Langres: een kleine stad als een kroon op een lage berg die de heuvels op de grens van Champagne en Bourgogne beheerst. Denk aan Laon, Saint-Flour of, korter bij huis, aan Cassel. De torens zijn minder hoog of beeldbepalend, en de wallen zwaarder. Langres is tot de twintigste eeuw onneembaar geweest, een meesterstuk voor de koning van Frankrijk wanneer die met zijn buren ruzie had.

Langres heeft een station, sinds 1858, maar als je daar je trein verlaat en naar het stadje kijkt, voel je je als de legers die nooit tot boven zijn geraakt. Een vriendelijke automobilist die aan het station zijn dochters kwam halen — zijn er maar drie reizigers uit de trein gestapt, de twee jonge vrouwen en ik? — heeft mij naar boven gebracht. In Langres moest hij niet zijn, maar hij maakte graag een praatje met een Belg.

De elektrische tandradbaan die tot 1971 het station met het stadje verbond is erfgoed geworden. Een van de treinstellen werd gerestaureerd en op wat van de baan overblijft als bezienswaardigheid geplaatst.

Ik heb Langres bezocht, de verdedigingswallen, de Romeinse poort, de straatjes, de kathedraal en het museum met de mozaïeken — en heb er nog talrijke vriendelijke mensen ontmoet. En ik heb gezien wat overblijft van de tandradbaan die van 1887 tot 1971 het station beneden met de stad boven verbond: 132 meter hoogteverschil op een afstand van 1475. Ze was de oudste van Frankrijk, en werd tot 1935 met stoomlocomotieven en daarna elektrisch bediend. Zowat elk uur een trein in elke richting, van één uur ‘s morgens tot elf uur ‘s avonds, met een reistijd van tien minuten, perfect was dat. Vandaag rijden er bussen op onmogelijke uren. De dag na mijn bezoek ben ik dus te voet weer naar het station afgedaald. Fijn grint op het voetpad. Zelfs bergafwaarts was lastig.

 

Denis Diderot waakt over de stad die hij is ontvlucht.

lettre sur les aveugles

Langres herdenkt, naast zijn bisschoppen en militairen, poortwachters van de macht, twee van zijn burgers: Denis Diderot en Jeanne Mance. Beiden hebben ze het stadje verlaten en elders hun vleugels ontplooid. Diderot (1713-1784) is de meest bekende. Hij was een zeer veelzijdig auteur in talrijke genres (romans, verhalen, theater, essais, kritieken…), maar wordt toch vooral geroemd om de Encyclopédie waaraan hij samen met d’Alembert twintig jaar heeft gewerkt. Zijn vader, messenmaker — wat tot vandaag in die regio een belangrijke nijverheid is — bestemde hem voor het priesterambt of, als dat niet lukte, het ambacht. De erfenis van zijn oom, met een prebende of kerkelijke vergoeding als kanunnik, lag bijna voor hem klaar. Maar Diderot wilde dat niet, hij trok naar Parijs, studeerde er filosofie en theologie, waagde zich aan de letteren, ook en vooral in vertalingen uit het Engels — waaruit veel van zijn ideeën zijn gerijpt — en vond zijn weg in intellectuele kringen. Op 29-jarige leeftijd vroeg hij zijn vader of hij mocht huwen — meerderjarig was men toen pas op 30 — wat die weigerde, en hem in een klooster in Troyes opsloot. Waaruit hij wist te ontsnappen. Enkele jaren later, in 1749, werd hij nog eens opgesloten, maar toen was het in opdracht van de censuur, die zijn Lettre sur les aveugles à l’intention de ceux qui voient te materialistisch en daarom staatsgevaarlijk vond. Diderot beschreef en analyseerde de dingen zoals hij ze zag, veeleer dan zoals men zei dat ze waren. Hij kreeg ook vaak meer steun uit Stockholm, Berlijn (de Preußische Akademie der Wissenschaften) of Sint-Petersburg, dan uit eigen land. Om hem te helpen kocht Tsarina Catharina II zijn bibliotheek, maar belastte hem ze te bewaren en beheren, en vergoedde hem daarvoor. In 1773 en ’74 voerde ze in Sint-Petersburg — Diderots enige buitenlandse reis, die hem ook in Den Haag heeft gebracht — talrijke lange gesprekken met hem, waarvoor hij tientallen voorbereidende mémoires schreef. Diderot keerde slechts zelden naar zijn geboortestad terug, maar schreef wel, in 1770, een Voyage à Langres. Veeleer dan een brok nostalgie is het een accurate beschrijving van de beperkingen waaraan de mensen die er leven onderworpen zijn: de streek oogt charmant maar is het niet. Met name het pachtsysteem dat de eigenaars vaste inkomsten garandeert, de versnippering van de percelen en de slechte transportmogelijkheden zorgen voor veel hongersnood, armoede en onzekerheid. Diderot is in de schaduw van de Kerk, de koning en de krijgsmacht geboren, en werd door zijn vader, een ambachtsman, voorbestemd om in die wereld verder te gaan, maar hij heeft getoond en geschreven hoe je eraan ontsnapt.

 

Het geboortehuis van Jeanne Mance in de rue du Barbier d’Aucourt.

une femme de vertu et de résolution assez mâle

Honderd jaar eerder was ook Jeanne Mance (1606-1673) haar eigen weg gegaan, zij het in de Kerk, of in de marge ervan. Samen met Paul de Chomedey de Maisonneuve heeft ze in 1642 Montréal gesticht — toen nog Ville-Marie. Haar ouders en grootouders waren invloedrijke mensen uit de noblesse de robe, de ambtsadel, als procureurs du roi, maar toen haar vader en moeder op korte tijd stierven, moest ze samen met haar oudere zus in het levensonderhoud van de jongere broers en zussen voorzien — Jeanne was geboren als tweede van twaalf. Ze voelde niets voor huwelijk of klooster, en koos als leek voor de zorg, waar in Langres grote behoefte aan was. De pest en de dertigjarige oorlog maakten veel slachtoffers. Tegelijkertijd onderhield ze regelmatige contacten met zeer gelovige of zelfs devote mensen, die in la Nouvelle France het katholicisme wilden verspreiden en daar hun geld aan besteedden. Ze ontmoette, ook in haar zeer kerkelijke familie, priesters die in de snel groeiende overzeese provincie waren geweest en erover vertelden. Via contacten in Parijs kon Jeanne Mance op 9 mei 1641 inschepen in La Rochelle, in een convooi van twee schepen onder leiding van Paul de Chomedey de Maisonneuve. Voor het stichten van een hospitaal — en missiepost en kolonie en militair kamp — had men immers ook een vrouw gezocht die haar mannetje kon staan: “une fille ou femme de vertu assez héroïque et de résolution assez mâle pour venir dans ce pays prendre le soin de toutes les denrées et marchandises nécessaires à la subsistance de ce monde et pour servir en même temps d’hospitalière aux malades ou blessés”. De geestelijken konden preken en dopen en praten over God, en de soldaten vechten, maar er moest iemand zijn die ervoor zorgde dat er bijtijds wat op tafel stond, en de zieken en gekwetsten verzorgde. Het schip met Jeanne Mance arriveerde na een moeilijke overtocht van drie maanden in het stadje Québec, maar van het schip met Maisonneuve was lange tijd geen nieuws. Zij arriveerden pas eind september in Tadoussac, iets meer stroomafwaarts de rivier. Er ontstond discussie over de plek waar de missiepost moest worden gesticht —  de gouverneur vond het eiland Montréal, dat al eerder in kaart was gebracht, te ver en te gevaarlijk — maar Maisonneuve zette door, en in naam van de Franse koning werd de concessie toegekend. [In 1534 had Jacques Cartier uit Saint-Malo in opdracht van de Franse koning aan de monding van de Saint-Laurent een kruis geplant, en vanaf die dag beschouwde men in Parijs en later ook Québec dat het de koning en zijn gezanten toehoort grote of kleine stukken van het nieuwe land in concessie of in feodaal leenrecht te geven. Alles werd bij de gratie Gods in wetten en contracten gezet, maar de autochtone bewoners werden als rechtelozen in hun eigen land beschouwd.]

Heel de winter werd de expeditie voorbereid, die na het breken van het ijs op de Saint-Laurent kon vertrekken. Op 17 mei werd het eiland Montréal bereikt. De kolonisten bouwden een vesting, een kerk en een hospitaal, waarvoor de leek Jeanne Mance aan het hoofd van de hospitaalzusters stond. Irokezen werden gedoopt, en er werd oorlog met hen gevoerd. Jeanne Mance keerde meermaals naar Frankrijk terug, voor geldelijke steun, of om hospitaalzusters of soldaten te vinden, maar bleef uiteindelijk in Ville-Marie, waar ze in 1673 overleed. Op dat ogenblik telde de missiepost ongeveer vijfhonderd Franse inwoners — inboorlingen werden niet geteld —, vooral uit het westen van het land. De naam Ville-Marie zou langzaam verdwijnen, ten voordele van de oudere naam Montréal, de naam van de berg en het eiland waarop die ligt. Jaren-, nee eeuwenlang zou Maisonneuve als enige stichter van Montréal worden beschouwd, een eer die hij pas sinds 2012 mag delen met Jeanne Mance. Misschien heeft Langres, die de figuur in 1968 met een sculptuur van Jean Cardot in de bloemetjes heeft gezet — op een plein dat al in 1954 place Jeanne Mance werd gedoopt — daar wel toe bijgedragen. De afwezigheid in Langres van een zee of van een maritiem klimaat, zelfs van grote rivieren en boten, heeft Jeanne Mance er niet van weerhouden haar geluk aan de overkant van de oceaan te zoeken, in la Nouvelle France. Ze is niet uit de wereld van Kerk, koning en krijgsmacht gestapt, maar heeft er wel een heel eigen plaats en vrijheid verworven.

 Zie hier wat Langres nog meer te bieden heeft, bijvoorbeeld in het Musée d’Art et d’Histoire, dat de bezoeker terugvoert naar de Gallo-Romeinse geschiedenis van de stad.


het geheim van Paray-le-Monial

Ooit moet ik mooie foto’s hebben gezien van de romaanse basiliek van Paray-le-Monial, die in mijn hoofd zijn blijven hangen, en die me ertoe hebben verleid het kleine stadje (9200 inwoners) in mijn Franse treinreis op te nemen, ergens tussen Nevers en Chalon-sur-Saône. Samen met het ook atypische Le Creusot — totaal anders weliswaar: een oude, verloren gelegen industriestad van 21.000 mensen in een agglomeratie van 34.000 — bracht Paray-le-Monial me op weinig bereden sporen, waar de takken van de struiken tegen de vensters van de treinen zwepen. Ik bedoel: Nevers en Chalon-sur-Saône hebben op hun niveau (kleine préfecture en grote sous-préfecture) al wat je van een stad verwacht, terwijl Paray-le-Monial en Le Creusot beide op een dominante, wat paternalistische nijverheid zijn gebouwd. In Le Creusot is dat de metaalverwerkende industrie van Schneider en in Paray de Roomse kerk.

Al in de 11de eeuw besliste Hugo, abt van Cluny, in Paray een nieuwe kerk te bouwen aan de oever van de Bourbince, een verkleinde copie van “Cluny 3”, maar zonder de rijke versiering ervan. Enkele eeuwen later, in 1673, had notaris-dochter en kloosterzuster Marguerite-Marie Alacoque (sœur de la Visitation) de gelukkige idee verschijningen van Christus’ Heilig Hart te zien, waarvan haar biechtvader de boodschap noteerde: “Voilà ce Cœur qui a tant aimé les hommes”. Daarmee waren de zuster en haar biechtvader hun tijd ver vooruit, want andere beroemde verschijningen dateren uit de 19de en 20ste eeuw, en de cultus van het Heilig Hart zou pas na de Franse revolutie, of zelfs na het Eerste Vaticaans Concilie in 1869 een hoge vlucht nemen, als reactie op de ontkerkelijking. [Het katholicisme zoals wij dat hebben geleerd en ook beleefd, en dat ons als eeuwenoud werd voorgesteld, is door Pius IX, paus van 1846 tot 1878, in de steigers gezet, terwijl hij de wereldlijke macht van zijn Pauselijke Staten verloor: onfeilbaarheid, onbevlekte ontvangenis, verering van het heilig hart…]

Florida

Paray-le-Monial is dus een bedevaartsoord, maar is dat allicht vooral op de derde vrijdag na Pinksteren. Mij lijkt het meer op een katholiek Florida. De indrukken die ik had werden nadien door digitale media gestaafd: een rustig en ordentelijk stadje, dat niet om centen verlegen zit, met welvarende, weldenkende en wellevende mensen, en met een voorzieningenniveau (ook commercieel) waar menige grotere stad jaloers op kan zijn. Bijna de helft van de Parodiens is ouder dan 60, wat op departementaal niveau slechts een derde, en nationaal een flink kwart is. Al sinds 1989 wordt het bestuurd door een overtuigde katholiek (manifest tegen het homo-ouderschap, kerststallen in het gemeentehuis…) die zijn politieke loopbaan ooit als jeune giscardien begonnen is. Hij is er wel in geslaagd het openbaar domein in het oude centrum, de omgeving van de basiliek, het belfort en het stadhuis prachtig heraan te leggen — met meer smaak voor architectuur en stedenbouw dan de lokale bouwpromotoren en hun klanten hebben getoond — en ook het zeer merkwaardige Musée du Hiéron en het interieur van de basiliek te renoveren, waarna beide door de toenmalige minister van cultuur en partijgenoot Renaud Donnedieu de Vabres werden ingehuldigd (diens naam leest als een boek). Als er voor ouder wordende katholieken een paradijs op aarde bestaat, ligt het in Paray-le-Monial.

Arabische motieven in het noordportaal van de basiliek

De idee achter het Musée eucharistique du Hiéron, heb ik begrepen, is dat er over alle landen en tijden heen, één religie is, waarvan het katholicisme de meest volmaakte vorm en de sacrale kunst de bevoorrechte uitdrukking is. Het museum uit 1888, in 2005 flink vergroot, bevat een rijke en diverse collectie, en ontvangt ook tijdelijke tentoonstellingen van hedendaagse kunst — een bezoek meer dan waard. Het geheim van Paray-le-Monial zit echter in de Basilique du Sacré Cœur (tot 1875 gewoon église Notre-Dame genoemd). Ze oogt als een slimme romaanse bouwdoos, een waterval van grote en kleine volumes, drie flinke torens, een open narthex en een arabiserend noordportaal (Hugo van Cluny is in Castillië geweest). Het interieur is behoorlijk saai — veeleer dan enkel sober — maar wie binnen en buiten vergelijkt staat voor een raadsel, waarvan de oplossing althans mij nogal wat tijd, een beetje hulp, én gelukkige omstandigheden heeft gevergd. Als je vóór de westgevel met de twee torens staat, zie je hoe de hoge vieringtoren wél, maar de nok van het schip niét in de (schijnbare) as van de gevel zit (zie foto). Meermaals ben ik van buiten naar binnen gelopen, om niet te begrijpen hoe het zat, tot een informatiebord wat verder (zie foto) me enigszins op weg heeft geholpen. De basiliek uit de elfde eeuw werd ter vervanging van een oudere kerk gebouwd, waarbij de oriëntatie — zoals bij zoveel oude kerken — enigszins werd aangepast. [De dag voordien had ik in de kathedraal van Nevers gezien hoe er een knik zit tussen koor en schip.] De as waarrond de kerk van Paray werd gewenteld zit in het koor, iets voorbij de viering, maar de narthex en de twee torens, of op zijn minst hun basis, bleven op hun oude plaats. Niet de gevel van het schip, met zijn twee bescheiden vensters, maar de torens staan naast de as van de kerk. Toch is het pas de wijd open deur op zondagavond, waarlangs ik ongehinderd van binnen naar buiten kon, die voor opheldering heeft gezorgd.

De puntgevel van het schip (met de twee eenvoudige boogvensters boven elkaar) staat uit de as van de vieringtoren en van de twee torens (met narthex) vooraan.

mozaïeken

Een mooie verrassing is het Maison de la mosaïque contemporaine, dat zich ook in de trottoirs van Paray aankondigt, en behalve ateliers en sensibiliseringsacties ook (kleine) tentoonstellingen biedt. Van hedendaags mozaïek uiteraard, in een diversiteit van materialen, zoals glas, hout en leisteen, waarbij niet alleen de kleur maar ook de textuur wordt gebruikt. [Oudere, meer dan kamerbrede Gallo-Romeinse mozaïeken zag ik enkele dagen later in de musea van Besançon en Langres.] Nabij het station is er ook het Musée du carrelage céramique Paul Charnoz (de naam van de fabriek) maar voor de te beperkte bezoekuren had ik geen geluk.

Vindt onder deze straatstenen nog meer foto’s van Paray-le-Monial
en van de mozaïeken.

Toch was het pas ′s anderendaags, toen ik in het station de trein nam naar Le Creusot, dat ik Paray-le-Monial wat beter begreep. Toen zag ik dat er achter de spoorweg nog een heel stuk Paray ligt, dat omwille van de sporen, het Canal du Centre, de industriële sites en de rivier la Bourbince, vanuit het centrum nauwelijks te bereiken valt, en dat — van op afstand althans — een wat grauwere aanblik biedt. Misschien wonen daar de mensen die het paradijs van Paray draaiende houden, en de oude bewoners, pelgrims en toeristen de zorg geven waar ze om vragen.

 


la France en TER — het traject

Links het traject van 2019, dat ik met een TGV van Tours naar Lille heb afgerond, en rechts het traject van 2022. Montchanin, Dijon, Belfort en Chaumont zijn geen etappes, maar overstapstations, eventueel met een brasserie erbij. Dijon en Chaumont heb ik overigens al herhaaldelijk (en in zeer goed gezelschap) bezocht, en Montchanin is weinig meer dan een station. Blois (in 2019) en Tournus bezocht ik toen ik in Tours of in Chalon logeerde.

En dit is het (trein)verslag van 2019, in het Frans.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2022 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑