Christopher Richard Wynne Nevinson, Boesinghe Farm, 1916,
Agnes Etherington Art Centre, Kingston, ON (Gift of Simon and Caroline Davis, 2018)
‘Unspeakable Landscapes, Printmakers at War, 1914-1918’

The war had been over for six months, and now the first battalions were coming home.

Some of them had lived through half a week of the first gas attack, breathing through rags saturated with their own urine while they fought the Germans before Ypres. Some had existed in the cellars of Lens for weeks, gnawing their way underground through the town like rats, wall by wall; and each new cellar had meant grenades and the L-shaped rip of bayonets. Some had seen the top of Messines Ridge blossom like a fire-shot black flower into the sky, carrying with it the shredded limbs of a whole division of Germans mixed with thousands of tons of dirt. Some had gone up the slope of Vimy and fought all day with the Prussian Guard they had been told would be dead when they got there, and at the next dawn they had seen each other’s helmets encased with sheet-ice from rain that froze as it fell. Some had stood up to their necks in cold water stained with blood and human excrement while they waited for hours to crawl a few yards closer to Passchendaele. Some had been drunk on sacramental wine found when they had dived into a hole in the ground to escape bombardment, and so had discovered that they were in the crypt of a church, that the occupied ground was a village, that the village was the objective of a three months’ offensive. Some had crawled like snakes through the standing grain east of Amiens after the break-through of August 8, 1918. Some had seen friends loosen and fall around the coal piles of Mons on the last morning of the war, then had gone in past them to gut the last snipers of the war with their bayonets. Some had marched at attention across the Rhine bridges into the clean, untouched German towns. Some had won medals. Some had acquired trench feet, scars, clap, gas-burns, syphilis and hallucinations that came in the night. Some had learned a peculiar peace through an ultimate knowledge of themselves. And now, having done the whole duty of a soldier, they were coming back to the middle classes, to the farms and forests and the wooden railroad towns, to the gaunt stone cities like Toronto and the sprawling wind-swept ones like Winnipeg. They were coming home to a land still so near the frontier that in most of it everything was black or white, uncomplicated, where wickedness was barely intelligible unless it were sexual.

They were returning to what they thought was good because it had been familiar. When their ships drew in to Halifax, they smelled their country before it rose to them over the horizon, and their nostrils dilated to the odour of balsam blown out to sea from the evergreen forests that cover most of Nova Scotia like a shaggy hide. On the train through the Maritime Provinces they smelled the orange peel, Lysol, spittoon and coal smoke staleness of the day coaches, and they looked through the windows with their rough khaki collars open, sweating into the stale air the sharp, animal smell of massed soldiers. They saw, as if for the first time, how empty the country looked, how silent it was. They noticed the towns like collections of grey and brown wooden boxes scattered as if by a hand’s gesture in the clearings, dirt streets running through them and perhaps a short stretch of asphalt near the brick or sandstone post-office. They noticed the red brick or board railroadstations, nearly every one the same, in Truro, Springhill, Amherst, Sackville, Moncton, Newcastle, Cambellton and Matapedia. They saw the little Nova Scotia trout streams, each one shallow and freshly splashing over amber-coloured stones. They saw the Miramichi, wide and steel grey, curving flat calm out of the spruce forests. When they woke up the next day they saw the Saint Lawrence, smooth and opaque like a strait of the sea. Then the train rumbled over the bridge and ran through the factories into Bonaventure Station in Montreal.

Two Solitudes, Hugh MacLennan, Montreal, 1945

 

Vijf jaar lang hebben we de Eerste Wereldoorlog herdacht — vaak de Groote Oorlog genoemd, alsof zo’n naam hem vertrouwder en minder bloedig zou maken. Van begin 2014 of zelfs vroeger, tot vandaag.
Er zijn prachtige initiatieven geweest, die heel mooi wat vergeten was in herinnering hebben gebracht. Er zijn stapels boeken geweest, zoals Stefan Hertmans’ Oorlog en terpentijn uit 2013, waarvan de Engelse vertaling in Toronto en de Franse in Montréal tot vandaag in de rekken ligt.
En er zijn talloze militaire plechtigheden geweest. Doch die meer een roep leken om onveranderd opnieuw naar het front te gaan. Dat is ook wat vaak in steen gebeiteld staat: To the Glory and Honour for Those Who Gave Their Lives for the Empire. De roem veeleer dan spijt en rouw. Macht veeleer dan vrede.
Wat hebben we geleerd? Hebben we wat geleerd? Hebben we bij al dat herdenken ook voldoende nagedacht? Nee. Nooit meer oorlog is een loze kreet geworden, en de mensen die voor oorlog vluchten weigeren we te zien. Liefst kijken we de andere richting uit.

 

William Lee Hankey, the Flight from Belgium, 1914
Private Collection, Kingston
‘Unspeakable Landscapes, Printmakers at War, 1914-1918’
Agnes Etherington Art Centre, Kingston, ON, augustus-december 2018

Elf november op een zondag. Een dag die ook zonder officiële feestdag een vrije dag zou zijn.
Ik wil hopen dat er zo, in stilte bijna, na honderd jaar herdenken een einde mag komen aan de reeks, omdat we slimmer en vooral redelijker geworden zijn.
De laatste elf november.
Dat blijkt vooralsnog niet het geval. Herdenken is een remedie die niet werkt. Die onvolkomen werkt. Die enkel symptomen bestrijdt — want in onze naam en voor ons comfort wordt elders oorlog gevoerd.
Nog eens honderd jaar herdenken erbij? In de hoop dat het dán niet meer nodig zal zijn? Dat dan de Groote Oorlog even oud en vergeten als de Rozenoorlog zal zijn, waarvan niemand nog weet hoe en waarom en door wie hij ooit gestreden is, in die verre, domme tijd toen oorlogvoeren de normaalste zaak van de wereld werd geacht.

 

Kingston, Royal Military College of Canada

 

Zondag 4 november was er in het Rijselse conservatorium een klein herdenkingsconcert met gedichten van Wilfred Owen, de war poet die net honderd jaar geleden, op 4 november 1918, in het Noord-Franse Ors aan het front gesneuveld is, en met onbekend maar aangrijpend werk van een zestal vergeten Franse en Britse componisten die de oorlog wel — maar met veel schade — hebben overleefd: Roussel, Migot, Rivier, Durosoir, de la Presle, Moeran.
Je wordt stiller dan stil als je het hoort, en aan de gruwel denkt. Violen werden geweren, een orkest een konvooi. Mensen met talent om muziek te schrijven, om ze te spelen, om verhalen of gedichten te verzinnen, mensen met talent om taarten te bakken, trappen en kasten te maken, geiten of schapen te hoeden, of gewoon hun vrouw en hun kinderen lief te hebben, ze werden naar het front, het slijk, het bloed en de stront gestuurd om mekaar dood te schieten of aan de bajonet te rijgen. De witste zerken en het groenste gras, de mooiste verzen of muziek, ze brengen nooit terug wat toen kapot is gemaakt.

 

“I am the enemy you killed, my friend.
I knew you in this dark; for so you frowned
Yesterday through me as you jabbed and killed.
I parried; but my hands were loath and cold.
Let us sleep now…”

Strange meeting, uittreksel, Wilfred Owen, 1918