Sinds enkele jaren achtervolgt Delphine Boël (°1968) de voormalige koning Albert (°1934) met de vraag, nu de eis, dat hij haar als zijn dochter erkent. Albert is daar nooit op ingegaan, hij heeft zijn vaderschap erkend noch ontkend. De recentste fase in wat inmiddels een juridisch conflict is geworden, is de uitspraak van het Brusselse Hof van Beroep (mei 2019) waarbij Albert een dwangsom van 5000 € per dag wordt opgelegd, zo hij het tussenarrest van oktober 2018 niet respecteert, dat hem verplicht een DNA-staal af te staan. Dat DNA wordt dan bewaard, zodat het na een andere nog te nemen beslissing (bij Cassatie) meteen voor expertise beschikbaar is. Aan de hand van het DNA kan met een zéér hoge graad van waarschijnlijkheid worden vastgesteld of Albert al dan niet Delphine’s biologische vader is.
[Boeiend voor royalty-watchers wordt het pas echt wanneer Delphine nadien het DNA van haar kersverse halfbroers en -zus opvraagt, zoals ze aanvankelijk, in 2013, althans voor Filip en Astrid maar niet Laurent, en voor haar vader Jacques Boël had gedaan.]

Het is een merkwaardige, want tegenstroomse beslissing. De rechtspraak, of de wet waar die zich op baseert, gaat immers in tegen een brede maatschappelijke en juridische evolutie waarin op ouderschap een totaal andere kijk ontstaat.

Een kind kan drie, vier of meer moeders hebben: een eicel-moeder, een baar-moeder, een zoog-moeder en een of meer (hoe noem je die?) kweek-moeders (mama of moeke, dat is hun echte naam, ze zorgen voor het kind, van wie het ook is). Voor vaders ligt dat een beetje anders, maar ook dat kunnen er meerdere zijn. Sommige kinderen groeien op in een gezin met twee moeders of met twee vaders. Er zijn plus-moeders en plus-vaders, stief-moeders en stief-vaders. Er zijn adoptie-ouders, en er zijn kinderen die door een tante of oom of door grootouders worden grootgebracht. Zowel de maatschappelijke als de juridische evolutie bestaat erin de diversiteit van die gezinnen en het belang van de niet-biologische vaders en moeders te erkennen en te waarderen.

Parallel daarmee bestaat er een even sterke maatschappelijke en juridische evolutie waarmee mensen het recht wordt erkend hun genetisch erfgoed (jongetje/meisje) te overstijgen. Bijna dagelijks lees of hoor je verhalen van bekende of onbekende mannen dan wel vrouwen die beslissen voortaan als vrouwen, c.q. mannen, door het leven te gaan. Recente wetgeving heeft dergelijke keuze vergemakkelijkt, de drempel verlaagd, en in openbare gebouwen lees je soms dat de toiletten zowel voor mannen als vrouwen als voor biseksuelen en aseksuelen zijn bestemd (“iedereen, ongeacht gender, identiteit of expressie”, met een nieuw m-v-mv-symbooltje erbij). Misschien wordt binnen dit en tien jaar het geslacht zelfs uit de burgerlijke stand geschrapt.

Een kind, zijn identiteit en karakter, het is nog wat meer dan het wat toevallige resultaat van geslachtelijk verkeer, en de mens die uit dat kind groeit wordt door de jaren heen door een grotere en soms andere groep mensen gemaakt — en het maakt ook zichzelf. We leven weliswaar in gezinnen, en niet langer in grote families waarin iedereen een ouder voor de kinderen is, maar de samenstelling van die gezinnen en vaak ook hun evolutie is divers. De verscheidenheid in gezinsvormen wordt maatschappelijk aanvaard en juridisch begeleid.

Het boeiende aan die ontwikkelingen is dat ze ingaan tegen de populaire interpretatie van DNA-onderzoek. De erfelijke eigenschappen van DNA (voluit desoxyribonucleïnezuur) werden begin jaren ’40 ontdekt en nadien ook ontcijferd: ieder heeft een eigen en uniek DNA, dat uit stukken van de DNA’s van de biologische ouders (eicel en sperma) is samengesteld;  het DNA, of een groot of klein deel ervan, kan gelezen, of juister: uitgeschreven worden (want lezen veronderstelt begrijpen, en daar zijn we lang niet aan toe). Nogal snel ontstaat daaruit de populair-wetenschappelijke mening dat ieder tot zijn of haar DNA kan worden herleid — je bent wat je DNA van je maakt —, een kijk op de wereld en de mensen die je soms ook in kranten leest en in slogan-taal te horen is (“Samenwerken zit in ons DNA”, dixit de Provincie Vlaams-Brabant). Ondanks dat goedkope determinisme gaat de samenleving echter een andere richting uit.

Of Delphine Boël emotionele, financiële en/of identitaire beweegredenen heeft, voor haarzelf of voor haar kinderen, weet ik niet, daar gaat het niet om, maar de vraag rijst of een juridische zoektocht naar biologisch ouderschap, door rechtbanken ondersteund, te rijmen valt met wat van vaders en moeders vandaag wordt verwacht. En daarmee of DNA op een vraag naar vaderschap (of elders moederschap) een afdoend antwoord geeft.

 

[P.S. Deze tekst is uiteraard paradoxaal. We weten allemaal dat Albert zijn maatschappelijke positie aan aloude familiale structuren te danken heeft.]