Ik kijk graag naar de zwaluwen die dansen ’s avonds boven de stad. Het lijkt of ze een zalige tijd hebben : vliegen, draaien en duiken op een onzichtbare achtbaan, gewoon voor de pret. Maar hoe voelen ze zich? Hoe voelt een vogel, hoe voelt een zwaluw, voor wie de mooie, krachtige vleugels spieren zijn, zoals benen voor rennende mensen. Voelen ze krampen, hebben ze pijn, zijn ze vermoeid?
Niet voor de pret maar voor voedsel stijgen, ijlen, draaien en duiken zwaluwen aan hoge snelheid door de lucht. De jacht op insecten. De paradox — of is het de verklaring ? — is dat er hier nauwelijks insecten zijn. Weinig muggen, nauwelijks vliegen, alleen wespen zie je hier. Zwaluwen lusten die niet.

Heel hoog vliegt een straaljager geluidloos voorbij. Witte strepen in het blauwe zwerk. Even reis ik mee. Waarheen?

De zwaluw is een gedurfd concept. Tijdens zijn acrobatische, snelle, veeleisende jacht moet hij voldoende insecten — van die kleine dingetjes — vangen om zijn eigen motor draaiend te houden. Elke dag zowat zijn eigen gewicht. Niet alleen die jacht vraagt energie: ook het bouwen van nesten, het paaien en paren, het leggen en broeden van eitjes en het voeden van kuikentjes (waarvoor de ouders voedselballen van insecten bereiden). In de herfst trekken zwaluwen naar het zuiden, ik hoop voor hen dat ze dat al jagend doen, en er onderweg ook insecten zijn. [Het antwoord is nee: enkele grammetjes vet moeten volstaan voor een vlucht van duizenden kilometer.]

Ik reis op het internet. Ik surf niet, ik duik niet, ik zweef.

Zwaluwen hebben een brede bek. Ze hebben ogen met een dubbele focus (precieser: fovea), om vooruit én opzij scherp te zien. Ze hebben lange vleugels en staarten die hen toelaten zonder veel kinetisch energieverlies van richting te veranderen. Ze zijn aerodynamisch, en vooral: hun metabolisme is zeer efficiënt. De spijsvertering is snel, mede door de hoge lichaamstemperatuur en de snelle ademhaling, maar hun vlucht is spaarzaam in het verbruik. In rusttoestand daalt hun temperatuur. In extreme omstandigheden schakelen ze zich bij wijze uit: torpor.

Zouden mensen er in slagen een machientje te bouwen dat leeft van wat het al vliegend eet?

Antwerpen, juli 2026

extra: de wet van de schaal

In de wiskunde en de fysica bestaat er een wet die zo eenvoudig is en zo vanzelfsprekend dat het me steeds verbaast dat hij nauwelijks onderwezen wordt, nauwelijks een naam heeft, en dat wetenschappers in meerdere domeinen er lang naar hebben gezocht.
Die wet zegt dat als je van een voorwerp, of in de biologie een plant of een dier, de lineaire dimensie met twee vermenigvuldigt of door twee deelt, alle oppervlakken van dat voorwerp, van die plant of dat dier met een factor vier worden vermenigvuldigd of erdoor worden gedeeld, en alle volumes met of door een factor acht. [Ook in de informatica geldt die wet, wanneer het aantal mogelijke verbindingen exponentieel groeit of daalt.]

Eenvoudig voorbeeld: Stel je wil een Eiffeltoren bouwen, twee keer zo hoog. Dus 600 meter in plaats van 300. Je vermenigvuldigt alle maten met 2: de hoogten en breedten van de profielen, de dikte van het smeedijzer (puddelijzer) en de diameter van de klinknagels. Zo’n toren stort in onder zijn eigen gewicht. Dat gewicht is immers vermenigvuldigd met een factor 8, en de druk- of trekweerstand van de onderdelen met een factor 4.

In het dierenrijk heeft deze wet belangrijke effecten voor warmbloedige dieren: vogels en zoogdieren. Hun stofwisseling of metabolisme (*) is functie van hun volume en hun warmteverlies van hun oppervlak. Daarom moeten kleine dieren (veldmuizen, kolibries, … en dus ook zwaluwen) voortdurend eten. Bij vogels vereist hun snelle spijsvertering paradoxaal genoeg ook een hogere lichaamstemperatuur (die door hun pluimage wel wordt beschermd).
Die wet maakt ook dat er drempelwaarden zijn voor vogels en zoogdieren en plafondwaarden voor insecten. Die ademen immers via gaatjes in hun pantser. Laat dat laatste een geruststelling zijn: mensgrote muggen, zoals in Nero en de Kouwe kwibus, kunnen niet bestaan.
Dat vliegen op het plafond kunnen lopen en “schaatsenrijders” (Gerridae) op het water, dat mieren en kevers tot honderdmaal hun gewicht kunnen torsen en grashalmen niet breken maar buigen, het is ook de wet van de schaal die speelt.

 

(*) Voor het metabolisme van dieren zijn er weliswaar ook andere factoren die spelen, waarvan nog niet alle zijn verklaard. De energie die ze zelfs in rust verbruiken dient immers niet alleen om het warmteverlies (door huid en ademhaling) te dekken, maar ook voor het onderhoud van de spieren, de beenderen, de ingewanden, het vet… En spieren vergen meer energie dan vet, zelfs wanneer men ze niet gebruikt…