Jef Van Staeyen

Categorie: 2026

de draaischijf — Tom Lanoye

nee, geen draaischijf, maar de toren van de Bourla-schouwburg

Het is de ultieme parade tegen kritiek: de auteur, in casu Tom Lanoye, schuift zijn tekst in de schoenen van zijn hoofdpersonage, de theaterman — acteur, regisseur, intendant, directeur — Alex Desmedt, die hij nauwelijks zelf geschapen heeft. Als lezer sta je alleen met je frustraties. Want wat je goed vindt in het boek, is des auteurs werk. Alhoewel: veel lag op de schabben van het Letterenhuis, dossier Joris Diels, of in andere historische bronnen. En wat je minder goed vindt, waar je kritiek op hebt, zijn de woorden van een dode man onder de verse modder van zijn graf op het Schoonselhof. Een verbitterde oude man die bijna vijfhonderd dichtbedrukte pagina’s nodig heeft om zich te rechtvaardigen en om de eer op te eisen die hem niet wordt toegekend. Een eer, het moet gezegd, die zelfs zonder bedenkelijke oorlogsgeschiedenis theatermensen postuum zelden toekomt. Theater is de meest vluchtige van alle kunsten, ze verdampt terwijl je ze uitvoert. ‘Mijn werk heeft mij niet overleefd. Het stierf, iedere avond, zodra het voordoek viel.’ (hfdst I.5, pagina 86) Is het lot van de Alex Desmedt uit het boek niet dat van elke tonelist?

cliffhangers

De zoektocht naar volle zalen ten spijt heeft mijn werk altijd alleen maar ten dienste gestaan van mezelf. Op alle vlakken wilde ik alleen maar betere versies scheppen van mezelf, omdat ik de originele versie zo lamlendig, laf en onbetekenend vond,’ (hfdst. III.1, p.187)
Prachtig en boeiend — en leerrijk — is wat Lanoye schrijft over theater, en dat is heel veel. Het is niet voor niets zijn métier. Lanoye is een theatermonument. Hij schrijft en onderneemt heel veel. Heeft hij tijd om waar nodig te herschrijven, om stil te staan bij wat hij geschreven heeft? Dat is de vraag die ik me bij De draaischijf stel. Het boek lijkt op een eerste worp, waarin Lanoye alles zet, voor hij aan het schikken, herschikken, schrappen en herschrijven kan gaan. Maar dat niet doet.

Het verhaal overspant de jaren voor, tijdens en kort na de tweede wereldoorlog in Antwerpen, waarna het naar Den Haag verhuist en er met de studentenopstand en de cultureel-maatschappelijke alles-in-vraag-stelling van de jaren zestig wordt geconfronteerd, alvorens in het Antwerpse Hoboken samen met de hoofdpersoon langzaam uit te doven. De begraafplaats Schoonselhof, waar het verhaal eindigt en de vertelling begint, ligt in de voormalige gemeente, nu district Hoboken, waar Alex Desmedt in een klein bejaardenflatje woont. Op zijn oude dag heeft hij alle tijd en kansen de monumentale graven en het gewenste én verwenste erepark van de stedelijke begraafplaats alvast te verkennen. Het ontlokt hem krachtige reacties op wie er ligt. Meteen het boeiendste deel van het boek — waar we allicht veel meer Lanoye horen dan Desmedt. Het is een vroeg hoogtepunt, nog net vóór pagina honderd van de bijna vijfmaal zoveel.

Dat is een zwak punt: de kwaliteit van het boek daalt met het klimmen van de paginanummers: zit de structuur aanvankelijk nog slim in elkaar, dan volgen vanaf zowat een derde van de tekst vaak zogenaamde ‘cliffhangers’. Het boek telt vijf delen, elk met een handvol hoofdstukken, en elk van die hoofdstukken telt een aantal verhalen, als ik ze zo mag noemen. Ik heb ze niet geteld. Nagenoeg allemaal eindigen ze met een korte alinea, soms een besluit, maar vaak ook een deurtje naar wat volgt, als was het een feuilleton in de krant. ‘Dat was buiten mijn broer gerekend.’ (II.2, p.133) ‘Maar daar lag het kalf gebonden. De supermoderne machinerie bleek een catastrofe.’ (IV.4, p.297) ‘Wat ik ga vertellen, mag dit gebouw niet verlaten.’ (IV.4, p.315) ‘Dan komt er een vierde verhaal à charge op de proppen.’ (V.3, p.398) etc. etc. De herhaling van zo’n stijlfiguur gaat flink vervelen.

Oude God

Lanoye doorspekt zijn verhaal met talrijke Antwerpse gebeurtenissen uit de vooroorlogse, oorlogse en onmiddellijk na-oorlogse periode. Gebeurtenissen die voor het merendeel het gezamenlijk, enigszins scheefgetrokken historisch kader vormen waardoor de hedendaagse Antwerpenaars naar de geschiedenis van hun stad kijken — en die met weinig moeite op wikipedia te vinden zijn. [De kleinere elementen, de sfeer van die tijd, cafés, restaurants, menu’s, adressen, fietsbanden, radiodistributie… zullen meer opzoekingswerk hebben vereist.] Maar er zijn ook niet-Antwerpse lezers, die dat niet allemaal weten, en ik moet erkennen dat de Antwerpse Kristallnacht van paasmaandag 14 april 1941 (IV.2, p.242) me als specifiek gebeuren onbekend was, of onder andere gelijkaardige feiten was ondergesneeuwd.
De relatie van de historische feiten tot het verhaal is echter ongelijk, om niet te zeggen soms krakkemikkig. Héél sterk is het hoe Lanoye in een kolerige uithaal van Rik Desmedt (Alex zijn oudere broer, en geniale dirigent aan de Koninklijke Vlaamse Opera) de jodenhaat vertolkt, en daarmee woorden geeft aan wat toen, voor de oorlog, allicht onder brede lagen van de bevolking leefde (II.3, p.144), of hoe Alex zelf de plaag van de Joodse vluchtelingen in het station ervaart (II.1, p.112), of de volkswoede na de bevrijding ondergaat, en samen met andere echte of vermeende collaborateurs in de Zoölogie wordt opgesloten (IV.5, p.346), maar zwak is de manier waarop hij bij de bombardementen op de Erla-fabrieken in den Ouwe God betrokken wordt (IV.1, p.215) — in het boek heel administratief Mortsel Oude God genoemd — of getuige is van een van de grote razzia’s van april 1942 (IV.3, p.259, p.268). Andere gebeurtenissen worden op een bijna journalistieke wijze verteld (de vliegende bommen, hfdst V.2, p.375), en helemaal bij de haren getrokken wordt het bij de biecht van een ondervrager (Desmedt zit opgesloten in de Begijnenstraat en moet voor de krijgsraad verschijnen), die over de Vlaamsche Landsleiding vertelt (V.3, p.391). Allicht had Lanoye er beter aan gedaan zijn personage even het zwijgen op te leggen en zich direct tot de lezers te richten om hen het historisch kader in herinnering te brengen, dat Desmedt en vele van zijn tijdgenoten allicht deels was ontgaan — een korte stijl- en perspectiefwissel naar het voorbeeld van enkele korte stukken theaterscript met regie-aanwijzingen elders in de tekst (pp.145, 256, 453). Hij had een onderscheid kunnen maken tussen wat de mensen toen wisten, wat Desmedt kon weten in zijn graf (omstreeks 1990, vermoed ik) en wat historici nu weten. Over het Amerikaanse bombardement op den Erla bestaan andere inzichten dan wat Alex Desmedt beweert, en op twee andere punten — OK, veeleer details — lijkt het me dat de huidige kennis de toenmalige gedachten of woorden heeft besmet. In hoofdstuk I.2 (p.41) droomt de Stadtkommissar van de reconstructie van Rubens’ huis op de Wapper, ‘een lang, smal plein dat uitliep op de Meir’, een plein dat echter pas in 1977 is aangelegd, en in dat jaar ook Wapper genoemd, op wat tijdens de oorlog nog een huizenblok was tussen Rubensstraat en Wappersstraat (naar de schilder Gustaaf Wappers). [De reconstructie van het Rubenshuis in de Rubensstraat startte in 1937. Al vanaf 1880 had de stad gepoogd het gebouw te verwerven.] En er is de naam van de Bourla schouwburg, zoals hij voortdurend wordt genoemd. Het lijkt me weinig waarschijnlijk dat het gebouw van het Théâtre Royal Français, later van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, vóór de restauratiewerken van 1991 tot 1993 al Bourla werd genoemd. Het was nog geen monument, het was gewoon een ouderwets theater, dat weldra door een moderne Stadsschouwburg (met draaischijf!) vervangen ging worden. [In het boekwerk Antwerpen 1860-1960 dat de stad in 1960 publiceerde lees ik ‘1934. De K.N.S. vestigt zich in het “Théâtre Royal” aan de Comedieplaats.’  Overigens spreekt een gelijkaardig boek uit 1965 over ‘invoering van “de draaischijf”‘ (!) in 1965-1966, waarmee de uitwisseling van voorstellingen tussen de Brusselse KVS, het Gentse NTG en de KNS wordt bedoeld.] Het Centraal Station noemt Alex Desmedt daarentegen wel consequent de Middenstatie, de naam die het toen had. Al zegt hij ook, iets te vaak, onze spoorwegkathedraal. [De herhaling van dergelijke wat grootsprakerige kwalificaties past allicht beter in een theatertekst dan in een roman, en gaat irriteren: de oorlogsburgemeester als poelepetaat (denk aan poule pintade, parelhoen), de ingewandenlezer August Borms (waarom?), de brulboeien Staf De Clercq en Jef Van de Wiele…] Terloops: café Paon Royale (p.202) is een spelfout — tenzij het naar schabouwelijk Antwerps Frans verwijst. Allemaal details, het moet gezegd, in vergelijking tot het zebrapad dat Jeroen Olyslaegers in zijn Wil gesmokkeld heeft.

pleidooi

Bijna vijfhonderd pagina’s lang is De draaischijf de getuigenis van één man, een egocentrische man, die niet twijfelt aan zichzelf, of dat althans niet laat merken. ‘Alleen op de planken komen hij [de bewonderde acteur en nazi-coryfee Kurt Köpler] en ik tot leven. En daarom kan ons weinig worden aangerekend daarbuiten. Zeg maar: niets.’ (IV.4, p.345) Of heeft het retrospectieve karakter, een mémoire veertig jaar na de feiten, alle twijfels bij hem weggevaagd? De karakters missen diepgang, ze zijn plat — broer Rik is zowat een uitzondering. Ze evolueren ook nauwelijks, tenzij heel plots. Alex Desmedt zelf blijkt plots een hufter voor zijn team. Lea, zijn Joodse echtgenote (die zo mooi is en zo goed kan acteren, en zo geduldig is) slaat plots helemaal om, en Sonja, de brave maar bewonderende secretaresse blijkt een jaloerse bedgenoot. Ze evolueert, maar blijft evenzeer een gesloten boek. Andere personages hebben geen naam: onze kleedster — ze gaat nochtans jaren mee. De ik-persoon Alex blijkt blind voor wat er gebeurt, en Lanoye met hem. Ook hier weer die sfeer van een “eerste worp” van een tekst, die nog herwerkt moest worden.

Lanoye wordt vaak geprezen om zijn stijl. Terecht. Hij schrijft zoals mensen praten, zoals mensen praten hier. Daar zitten soms rijke uitdrukkingen bij. Toch zitten in De draaischijf ook beelden en uitdrukkingen waarvan de kracht me ontgaat. ‘De platitudes [van een lange toespraak van Seyss-Inquart bij de opening van het Deutsches Theater in den Niederlanden in Den Haag] zoemen talrijker in het rond dan moerasmuggen in een zomernacht.’ (IV.4, p.331) ‘Het [onuitgesproken verlangen weer samen op de planken te staan] hing onbestemd tussen ons in, als een zwerm fruitvliegen.’ (V.4, p.414)

Zeer teleurstellend is de passage waarin Alex terecht staat voor collaboratie, en zijn zaak na een onverwachte getuigenis totaal verloren lijkt, maar Lea opstaat en ongevraagd zijn verdediging opneemt (hoofdstuk V.3, pagina’s 403 en 404). ‘Lea vraagt het woord niet, ze neemt het.’ begint de tekst. Een pagina verder: ‘Taal was ons echte huwelijksbed.’ En tenslotte: ‘Het pleidooi van Lea komt erop neer dat …’
Met andere woorden: een theaterauteur (Tom Lanoye) laat een theaterauteur aan het woord (Alex Desmedt) die verhaalt wat een bedreven en gedreven actrice die alle klassiekers kent (Lea Liebermann) ter verdediging van haar geliefde voor de rechtbank verklaart — wellicht de belangrijkste woorden uit het boek, de belangrijkste uit haar leven — maar hij citeert haar niet. Hij zegt waar het op neer komt

draaischijf

In de noot van de auteur op pagina 476 verklaart Tom Lanoye het ontstaan van zijn boek. ‘Na de eerste lezing van onze Faust-bewerking (OustFaust) troonden ze me in het Koninklijk Theater van Den Haag mee naar de kelder omdat ik weigerde te geloven dat zich daar nog steeds het mechaniek bevond van het draaitoneel van het Deutsches Theater in den Niederlanden. Daar en toen werd het idee voor dit boek geboren.’ En zijn titel.
Toch is heel die draaischijf-historie uiteindelijk niet meer dan een anekdotisch element, waar het verhaal ook zonder kan. Om onduidelijke redenen wordt het Antwerps gezelschap onder leiding van zijn directeur Alex Desmedt naar Den Haag gevraagd, om een nagenoeg onzichtbare technische klus te klaren, die noch de Duitsers noch de Nederlanders wilden uitvoeren: het afstellen van de pas geplaatste draaischijf, die nog niet correct heeft gewerkt. Als bedankje krijgen ze twee kaartjes voor de plechtige openingsvoorstelling van het Deutsches Theater in den Niederlanden, en mogen ze Göring en Goebbels groeten. Het enige belangrijke resultaat in dat verhaal — waarbij Desmedt in het lang en het breed de immense voordelen van een draaitheater beschrijft, alsof hij er een aan zijn stad wil verkopen; paradoxale voordelen, want als regisseur heeft hij voor de modernisering van het theater de realistische decors naar de magazijnen verwezen — is de breuk met de technicus Jean. Uit jalousie, hij is verliefd op Lea. Een halve breuk, want blijkbaar houdt diezelfde Jean na de bevrijding en tijdens de epuratie Alex en Lea van op afstand een hand boven het hoofd. Uiteindelijk zijn dat feiten die in een verhaal ook in de Bourla of de Antwerpse opera hadden kunnen gebeuren.

‘Beknoptheid behoort niet tot de deugden van de Nederlandse Shakespeare [Vondel]. Tot die van de echte Shakespeare evenmin’  (IV.4, p.294) stelt Alex Desmedt. Maar dat geldt evenzeer voor zijn verhaal.
Ook hier, of vooral hier, had geschrapt kunnen worden, tenzij een heel-Nederlandse inhoud nodig werd geacht. Het boek had er zijn titel en zijn ontstaansgeschiedenis bij ingeschoten, maar wel aan kracht kunnen winnen. Uiteindelijk blijft er nóg genoeg Haags van de na-oorlogse periode, wanneer Alex in de KNS niet meer wordt geduld.
Ik sta versteld van al wat je op het internet kan vinden over Joris Diels en zijn echtgenote Ida Wasserman. Van de door Tom Lanoye in zijn verhaal vermelde toneelstukken in de Haagse periode vind je in de Theaterencyclopedie de data van de premières en de namen van de regisseurs, acteurs, etc. Zó dicht zit Lanoye bij de historische feiten. [Maar toen de Haagsche Comedie in maart 1950 Het huis van Bernarda Alba van Federico García Lorca bracht, in een regie van Joris Diels en met Ida Wasserman als moeder van Bernarda — niet als Bernarda zelf — liep dat wel beter af dan in het boek wordt verteld.] Er is tijdens de oorlog ook effectief een draaischijf geïnstalleerd voor het Deutsches Theater in den Niederlanden in Den Haag. Joodse vluchtelingen hebben er op de zolder verborgen gezeten. Göring en Goebbels zijn er geweest. Allemaal zoals Lanoye vertelt, maar of men beroep heeft gedaan op een team uit Antwerpen om de machinerie aan de praat te krijgen, de spots op te hangen en de kostuums klaar te leggen, zoals in zijn boek, is onduidelijk. Onwaarschijnlijk, zou ik zeggen.
Maar zelfs als het waar zou zijn, is die omweg in de roman het stuk teveel.

sterren ★★★★★

Kortom, over theater is De draaischijf een uitstekend boek, zelfs meer dan dat, over de oorlogsgeschiedenis van Antwerpen valt er wat te leren, maar als roman kan het aan ander werk van Lanoye niet tippen. Denk aan Sprakeloos. Of ook, als het om vlotlezende, avontuurlijke boeken gaat, aan De monstertrilogie, of Het derde huwelijk. Al die sterren in de recensies van de pers, waarom staan die er? Aan De draaischijf heb je meerdere dagen leesplezier; hebben al die recensenten héél het boek gelezen, en daarop hun oordeel gebouwd?  Of zich tot een selectie beperkt? Is Lanoye misschien te groot en te belangrijk om tegen hem in te gaan?

nieuwjaar 2026 ❧

trouvez ici la même page en français 🇫🇷

IJsselmeer    —     A6, Ketelbrug, september 2025

Graag had ik u verwend op enkele kleine nieuwtjes. Over een boom in de stad die zelf bepaald heeft waar hij groeit, over een comfortabele zitbank op een tramhalte die na wegenwerken werd teruggeplaatst, of over een elektriciteitskabine die het aanschijn heeft van een serre vol weelderige planten.

Het heeft niet mogen zijn. In oktober werd de boom geveld, de bank werd verwijderd in november, en wat op een serre leek is gevandaliseerd.

Ik laat het niet aan mijn hart komen. Er zijn nog andere bomen, nog andere banken en nog andere mooi versierde elektriciteitskabines in de stad — in andere straten weliswaar. En er valt nog zoveel te ontdekken.

Met deze foto’s uit 2025 wens ik u een mooi nieuw jaar.

 

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑