Noem het pedanterie van me, maar ik kan niet weerstaan aan de verleiding twee in het Nederlands vaak voorkomende Franse uitdrukkingen te verklaren, temeer daar een van beide soms verkeerd wordt gebruikt. Verkeerd, in zoverre men naar het Franse voorbeeld verwijst, want woorden en uitdrukkingen die reizen veranderen wel vaker van betekenis: een Franse maquereau (pooier) is een heel bijzonder soort makelaar. [Hij is ook een vis, of makreel, omwille van de strepen op zijn huid: macula radiata.]

La fine fleur

In het Nederlands lees je de uitdrukking fine fleur misschien vaker dan in het Frans, dat met dezelfde betekenis ook la crème de la crème (die boven drijft), le gratin (de met kaas bereide korst van een ovenschotel) en — uitzonderlijk — le dessus du panier gebruikt.
La fine fleur verwijst naar de toplaag, vooral van mensen. De toplaag in de kunsten, de letteren, de politiek, de zaken, de sport… wanneer die mensen samenkomen of gemeenschappelijke kenmerken hebben: fine fleur van Belgisch voetbal passeerde bij Veljkovic…, Brussel verwelkomt fine fleur van Europese schoenpoetsers…, hoe de fine fleur van het Belgische vrouwenbasket in Chicago belandde…, de fine fleur van de wijnproevers…, van de Franse intellectuelen…, van de economen…  geef ik als voorbeelden uit de pers voor de fine fleur van mijn lezers.

De fine fleur is geen bloem.
Of toch: het is bloem. De fine fleur is de allerfijnste en zuiverste bloem die bij het malen ontstaat: de fleur de farine waarmee het lekkerste gebak wordt bereid, in oud-Frans ook wel flor genoemd. Het Engels heeft die flour behouden, lange tijd als flower geschreven, en bezigt nog zelden het woord meal om over meel of bloem te praten. Ook in het Nederlands is bloem fijner en verfijnder dan meel, dat van hout kan zijn: zagemeel. Al in de dertiende eeuw werd het woord bloem zowel voor fijn meel als voor de bloem van een plant gebruikt.
Wie ergens de term fine fleur leest, moet dus niet aan rozen of orchideeën denken, aan lelietjes van dalen of welk bloemetje dan ook, maar aan de zware zakken die bij de bakker staan, waaruit de lekkerste taartjes worden bereid.

L’éminence grise

Bij het begrip éminence grise wordt in dit land al te vaak aan een invloedrijke, oude man met grijze haren gedacht: iemand die door zijn ouderdom wijs, en door zijn wijsheid zeer invloedrijk geworden is. Dat beeld klopt niet. Invloedrijk is wel nodig, een man hoeft niet — maar is in de huidige maatschappelijk context wel het frequentst — en oud en met grijze haren is onzin. De eerste keer dat ik in Frankrijk een éminence grise werd genoemd, was ik geen veertig. Dat eminence was wat overdreven en ironisch in het gebied, de grensoverschrijdende samenwerking, waar ik een beetje invloedrijk werd geacht, maar ik was lang niet oud en grijs.
De eerste man die ooit éminence grise werd genoemd was le père Joseph, voluit François Leclerc du Tremblay (1577-1638). Hij was raadgever van Armand Jean du Plessis de Richelieu, beter bekend als cardinal de Richelieu (1585-1642), die van 1624 tot zijn overlijden minister van de Franse koning Louis XIII was. Als kardinaal was Richelieu in fel rood gekleed, en de kapucijn père Joseph droeg een grauwe monnikspij. Het grijs van de éminence is het grauw van die pij.
Een éminence grise is een invloedrijk persoon die geen formele titel draagt. Het komt vaker voor bij wat oudere mensen als fin de carrière — omwille van de ervaring en hun carnet d’adresses, hun entregent —, maar het hoeft niet. Als ik een Belgisch voorbeeld mag geven — op een wat puissanter niveau dan mijn veertigjarige zelf — denk ik aan Noël Slangen, die in 1999 als 34-jarige de toen 46-jarige premier Guy Verhofstadt adviseerde, en wiens invloed veel verder reikte dan zijn officiële titel als lid van de Beleidsraad en communicatie-adviseur. Ook Dominic Cummings was — als 48-jarige — een éminence grise van de 55-jarige Boris Johnson. Of de 40-jarige Henry Kissinger voor Nixon, tot hij minister werd. En Jeanne-Antoinette Poisson, madame de Pompadour, die ook toen ze geen maîtresse-en-titre van Louis XV meer was, als 30-jarige vrouw veel invloed behield op diens beleid, met name op het vlak van kunst, literatuur en architectuur.
[Ze moet een heel bedreven vrouw zijn geweest, die Pompadour, die erin slaagde bij iedereen een wit voetje te halen, zelfs bij de koningin, iets dat haar even illustere voorgangster Agnès Sorel — nu opnieuw te bewonderen in het KMSKA — niet is gelukt.]
Deze grauwe eminenties zijn allemaal jonge, of toch veeleer jonge mensen — geen van hen was een grijsaard — met de 48-jarige Cummings als ouderdomsdeken. De paradox is dat sommigen (Cummings, Slangen, Pompadour…) kleurrijke figuren waren of zijn. De echte, door de wol geverfde grauwe eminenties zijn discreet, en blijven ons voor altijd onbekend. Wat geeft dat ze, ten onrechte, slechts zelden in de fine fleur worden opgemerkt.

taal”besmetting”

Het is best mogelijk dat het al bestaande woord maquereau (makreel) heeft meegespeeld om van een makelaar als pooier in boeventaal een maquereau te maken, net zoals het Nederlandse, vooral Vlaamse kruim (voor het beste, voor de fine fleur, zoals in het kruim van de Vlaamse muziek) allicht onder invloed van het Franse crème de la crème is ontstaan. Door klankverwantschap ontstaan nieuwe betekenissen voor bestaande woorden. Soms komt dat heel goed uit, zoals wanneer het kruim met de beste bloem is bereid. Overigens heeft een toplaag niet altijd goede connotaties. Denk aan het schuim, waarmee het uitschot, het geboefte wordt bedoeld. Het kruim is beter dan het schuim.

 

P.S.: Voor mensen die, al is het in overdrachtelijke zin, in grauwe monnikspijen zijn gehuld, is de uitdrukking door de wol geverfd misschien wat ongepast.