Met deze merkwaardige zin — het had ook “jou kan je niet vertrouwen” kunnen zijn — begin ik deze tekst over de betekenissen van het Nederlandse “je”. Aanleiding was de lectuur van de Nederlandse vertaling van Robert Walsers “Geschwister Tanner” (“De Tanners”). De Zwitserse auteur Robert Walser (niet te verwarren met de Duitser Martin Walser) leefde van 1878 tot 1956. Hij schreef “Geschwister Tanner” in 1906, Machteld Bokhove verzorgde de vertaling in 2020, en bij de lectuur ervan was ik soms onzeker wat ik las.

dat overkomt je

Ik vind het niet uit, maar lees het in de dikke Van Dale van 1976 en het Chronologisch woordenboek uit 2001: het voornaamwoord “je” werd voor het eerst gesignaleerd in 1617 — “gij” al in de tiende eeuw — en heeft meerdere functies.

  1. “Je” is — uiteraard en vooral — de niet beklemtoonde tweede persoon enkelvoud. Waar met een klemtoon “jij” of “jou” zou staan, als onderwerp, lijdend of meewerkend voorwerp, of na een voorzetsel.
  2. Als wederkerend en als bezittelijk voornaamwoord kan “je” ook de tweede persoon enkelvoud én meervoud zijn. Veel eenvoudiger dan “jullie”. Voorbeeld: “Jullie kunnen je wassen in de douchecellen en je kleren in de lockers opbergen.” 
  3. “Je” kan de eerste persoon zijn, al valt dat niet zo op. Voorbeeld: “Er zijn nogal wat kosten aan mijn verwarmingsketel, en dan vraag je je af…”.
  4. Maar “je” is ook — en misschien meer en meer — een onbepaald voornaamwoord. Spreektaal, zegt — of zei — Van Dale. Waar in meer formele vorm “men” zou staan. En “zich”, of “zijn”, of nog wat anders.
    Voorbeeld: “Als je naar Antwerpen rijdt, weet je nooit hoe lang je in de file staat. Eens aangekomen, zoek je je rot om je auto te parkeren.” Meer formeel is dat “als men”, “weet men”, “hoe lang men”, “zoekt men zich” en “zijn auto”.
    Zowel deze als de vorige “je” wordt nooit beklemtoond tot “jij” of “jou”.

Het lijkt er op dat al die “je”-vormen aan een opmars bezig zijn. De “je” als tweede persoon werd pas na de Tweede wereldoorlog dominant (ten opzichte van “u”). In Nederland meer dan in Vlaanderen. De “je” als eerste persoon ontstond in diezelfde periode, en ook de “men”-functie, die weliswaar al uit de achttiende eeuw dateert, komt sindsdien frequenter voor. Ze biedt grammaticaal meer mogelijkheden dan “men”, dat altijd en alleen onderwerp is. Voorbeelden: “Dat overkomt je…”, “Dan wordt je auto…”

Merkwaardig is dat de tweede persoon in het Nederlands, in tegenstelling tot de eerste en de derde, die met “ik”, “wij”, “hij” en “zij” al meer dan duizend jaar onveranderd zijn, al veel woorden — en vervoegingen — gebruikt en soms versleten heeft: “du”, “gij”, “gijlieden”, “UEdele”, “u”, “jij” en “jullie”, waarbij wat eerst een meervoudsvorm was nadien voor het enkelvoud wordt gebruikt (“gij” was het meervoud van “du”) en vervoegingen in de derde persoon worden geïmporteerd (“u heeft” en “jullie hebben”  in plaats van “gij hebt”), allicht uit behoefte aan hoffelijkheid. Er is dus permeabiliteit tussen de Nederlandse persoonlijke voornaamwoorden, hun functies en hun vervoegingen. Of die vergelijkbaar is met de recente kaping van het voornaamwoord “hun”“hun heeft”, “hun is” … — is een andere vraag.

“Je” kan ook voor problemen zorgen. In een artikel op 18 oktober 2023 in De Standaard over mensen die in voorbereiding van hun nakend overlijden hun spullen sorteren, schreef Lieve Van de Velde: Het idee dat je nabestaanden na hun dood hun dierbaarste bezit en grootste rommel moeten sorteren, maakt sommige mensen zo ongemakkelijk dat ze zelf al opruimen.” Je nabestaanden die na hun dood hun rommel opruimen…? Mijn idee: driemaal “hun” of — beter — driemaal “je”.

Toch mag het een wonder heten dat nederlandssprekenden (zowel moedertaal-sprekers als anderstaligen) meestal hun weg weten met al die vormen van “je”. Iets dat je meer vanuit de praktijk (het horen en spreken) dan vanuit een stel regeltjes leert. De vier functies van “je” zijn daarom meer des- dan prescriptief. Ze beschrijven hoe we spreken, en schrijven niet voor.

Walser

In Walsers boek staan lange, onwaarschijnlijke monologen. Onwaarschijnlijk, wanneer iemand pagina’s lang in een vertrouwelijk gesprek niet onderbroken wordt, en daarbij dingen zegt die je niet voor mogelijk“Je zult voor de meeste mensen een oninteressante verschijning zijn, saai voor de meisjes, onbeduidend voor vrouwen, absoluut onverzekerd en onwilskrachtig voor mannen”, zegt Hedwig midden een lange monoloog tot haar broer Simon (p. 168). houdt. Maar het is literatuur.

In die monologen gebruikte Walser in 1906 vaak het onbepaald voornaamwoord “man” (“men”), dat Machteld Bokhove in 2020 heel vaak, op een zeldzame uitzondering na, door “je” vertaalt. Mij komt voor dat dat een onderdeel is van een ruimere stijlverschuiving, die de auteur naar een meer hedendaags taalgebruik moet brengen. Met de vraag of Walser dan Walser nog is.

Naar aanleiding van de verschijning van een eerder Walser-boek, “De bediende” (Der Gehülfe) in 2021, ook door Machteld Bokhove vertaald, schreef in De Standaard: “Joseph [de bediende] biedt evenveel weerstand als asse waarin men blaast. Hierin lijkt hij wel op Walsers proza, dat zichzelf voortdurend ondermijnt. Verheven zinswendingen worden onder de voet gelopen door basale tussenwerpsels, metaforen gaan met hem op de loop, en zoals Joseph alleen met een zekere verbazing kan vaststellen hoe diep de kloof is tussen wat hij wenst te doen en wat hij werkelijk doet, zo lijken ook Walsers zinnen soms enigszins verbaasd over de toon die zij aanslaan en de zijpaden die zij inslaan.”

citaten

Wat die zinnen betreft, volgen hier enkele citaten uit hoofdstuk 10, in Walsers Duits (D), en in vertaling (NL). Hedwig Tanner spreekt daarin pagina’s lang tot haar broer Simon, die haar nauwelijks onderbreekt.

  • D: Und doch bin ich froh; denn einmal muß man sich aussprechen. Wie du gestern mir nur so geduldig zuhören konntest, Simon! So beinahe andächtig! Und doch bin ich auch darüber froh. Am Abend ist man nicht wie am Morgen, nein, so ganz anders, so verschieden im Ausdruck und im Empfinden. (p.162)
    NL: En toch ben ik blij; want je moet je een keer uitspreken. Hoe kon je mij nou gisteren zo geduldig aanhoren, Simon! Zo aangedaan bijna! En toch ben ik daar blij mee. ‘s Avonds ben je niet als ‘s ochtends, nee, dan ben je totaal anders, zo verschillend in expressie en in gevoel. (p.165)
    Het “men moet zich uitspreken” wordt “je moet je uitspreken”, en “‘s avonds is men anders” wordt “‘s avonds ben je anders”. Het is niet duidelijk over welke “je” het hier gaat. Simon misschien?
  • D: Was man von dir verlangt, das tust du. Du willst alles, was man will. Ich glaube, man könnte von dir viel Ungebührliches verlangen, ehe du es einem übel nähmest. (p.163)
    NL: Wat iemand van je vraagt, dat doe je. Je wilt alles wat er van je gewild wordt. Ik denk dat je van jou veel onredelijks zou kunnen vragen voordat je het iemand kwalijk neemt. (p.166)
  • D: Man muß dich immer erst kennen lernen, ehe man dir glaubt. (p.164)
    NL: Je moet jou eerst leren kennen voordat je jou gelooft. (p.167)
  • D: In einer größeren Gesellschaft von Menschen, wo es doch darauf ankommt, daß man sich zeigt und beliebt macht durch hervorragendes Sprechen, wirst du immer stumm bleiben, weil es dich nicht reizt, den Mund noch aufzutun, wo schon so viele durcheinanderschwatzen. (p.165)
    NL: In een grotere groep mensen waar het er toch op aankomt dat je jezelf laat zien en geliefd maakt door briljant te spreken, zul jij altijd stil blijven omdat jij er geen zin in hebt je mond open te doen als er al zo veel mensen door elkaar heen kletsen. (p.168)
  • etc.

Uit het voorbeeld hierna blijkt hoe in het Nederlands met “je” iets meer mogelijk is dan met “men” (of in het Duits met “man”).

  • D: Man glaubt so Vieles, wenn man unerfahren ist, und die Erfahrungen machen einen wieder an anderes glauben. (p.153)
    NL: Je gelooft zoveel als je onervaren bent, en de ervaringen laten je weer iets anders geloven. (p.156)
    Voor het “laten je geloven” — waarin “je” een lijdend voorwerp is — bestaat geen equivalent met “men” — dat altijd een onderwerp is —, wat in de Duitse tekst met “einen” wordt opgevangen.

In een ander gesprek (hoofdstuk 11), lezen we:

  • D: Ich weiß auch, daß man gefällt, wenn man seine Pflicht erfüllt. (p.176)
    NL: Ik weet ook dat je mensen behaagt als je je plicht vervult. (p.178)

En, als uitsmijter, met “u”, dit gesprek, waarin de directrice van een Kuuroord voor het Volk zich over Simon ontfermt (hoofdstuk 18):

  • D: Man weiß nicht, wie man mit Ihnen dran ist. (p.307)
    NL: Je weet niet, waar je met u aan toe bent. (p.304)

Uit deze voorbeelden (en andere) moge blijken dat in deze vertaling, met het gebruik van het onbepaald voornaamwoord “je”, de juiste betekenis wel eens verloren gaat, en “verheven zinswendingen” worden afgevlakt.

drie boeken

Drie boeken van Robert Walser heb ik onlangs gelezen: “De bediende” (“Der Gehülfe”), “De wandeling” (“Der Spaziergang”), en nu “De Tanners” (“Geschwister Tanner”). In alle drie herken ik de thematiek van een man die nergens aardt, maar verlangt dat iemand zich over hem erbarmt — wat Walser zelf uiteindelijk is geschied, door zijn opname in een psychiatrisch hospitaal in 1929. Het werk van Walser is sterk autobiografisch: hij was de bijna jongste van acht — zijn broers en zussen (Geschwister) inspireerden talrijke personnages —, en verloor zijn moeder toen hij vier was.
“De bediende” is een prachtig boek, waarin ik de door Matthias Somers beschreven kwaliteiten herken. De vorm, met “proza dat zichzelf voortdurend ondermijnt”, stemt mooi overeen met het verhaal. Die congruentie van vorm en inhoud heb ik in de twee andere boeken minder ervaren. “De Tanners” en “De wandeling” bevatten wel prachtige stukken, zoals natuur- of stads- of dorpsbeschrijvingen, en verrassende gedachtenkronkels, waarvoor het verhaal, voor zover dat er is, als kapstok dient. Misschien verwachtte Walser soms niet meer dan opportuniteiten om zijn beschrijvingen en gedachten aan elkaar te reigen.

Brouwers

Ook Jeroen Brouwers heeft (in 1979) verhalen van Robert Walser vertaald.

verkavelingsvlaams

En toch nog dit. In een eerdere bijdrage, in mei 2010, hier opgenomen in 2014, opperde ik de hypothese dat de Vlaamse onzekerheid met (gesproken) Standaardnederlands, en de voorkeur voor Verkavelingsvlaams, haar oorsprong — of althans een deel ervan — vindt in de vervoeging van de tweede persoon. In gesproken taal is de tweede persoon de belangrijkste — je spreekt altijd tot iemand, en je taal, je woordkeuze, bepaalt en herbepaalt de relatie tot die persoon — en het is net de vervoeging van die tweede persoon die voor Vlamingen zo moeilijk is. Er bestaat geen continuüm tussen de dagelijkse, gesproken taal (met gij, u, gijlie, en alle mogelijke varianten… (golle en olle…)) en de Nederlandse standaardtaal. Waardoor men gaat aarzelen, “fouten maakt”, of uiteindelijk terugvalt op Verkavelingsvlaams. Een wat consequenter gebruik van “je” als bezittelijk of wederkerend voornaamwoord in de meervoudsvorm (zie hierboven, punt 2) zou een kleine bijdrage kunnen leveren aan een vlotter taalgebruik, en omslachtige of kromme formuleringen vermijden: “jullie je voorbereiden” in plaats van “jullie jullie voorbereiden”, “jullie u voorbereiden”, “jullie zich voorbereiden” … en dat soort dingen.