voorlopige editie

1. Métropole Européenne de Lille (MEL),
Établissement Public de Coopération Intercommunale (EPCI)

De Métropole Européenne de Lille (MEL) is een Établissement Public de Coopération Intercommunale (EPCI). Ze verenigt 95 gemeenten met een totale oppervlakte van 672 km2 en telt ongeveer 1 200 000 inwoners. [Ter vergelijking: het Brussels Hoofdstedelijk gewest telt ongeveer 1 255 000 inwoners op 161 km2.] De Métropole Européenne de Lille (MEL) is de opvolger van de in 1967 bij wet opgerichte Communauté urbaine de Lille (CUDL), toen 89 gemeenten op 600 km2, die van 1996 tot 2014 de naam Lille Métropole Communauté Urbaine (LMCU) aannam.

Enkele van de steden en gemeenten zijn Lille (Rijsel), Roubaix, Tourcoing, Villeneuve d’Ascq, Wattrelos, Armentières, Comines (Komen), Halluin, Seclin…

Doorheen de jaren nam de Franse overheid talrijke initiatieven om de (inter)gemeentelijke versnippering te bestrijden: kleine intercommunales (Syndicats Intercommunaux à Vocation Unique, SIVU, of Syndicats Intercommunaux à Vocation Multiple, SIVOM, Communautés de communes, e.a.) werden gedwongen te fuseren en nieuwe, sterkere structuren werden gecreëerd. De wet MAPTAM van januari 2014 (Loi de modernisation de l’action publique territoriale et d’affirmation des métropoles) creëerde o.a. de métropoles. Per 1 januari 2015 werd de Communauté urbaine vervangen door de Métropole Européenne de Lille — niet te verwarren met de Eurometropool Lille-Kortrijk-Tournai (zie verder) —, die meteen ook ruimere bevoegdheden kreeg, voorheen uitgeoefend door de gemeenten, het departement, de regio of de Staat. [Eén voorbeeld maar: de routes nationales, die in opeenvolgende golven door de Staat aan het departement waren overgedragen, werden allemaal, samen met de oorspronkelijke routes départementales, omgevormd tot routes métropolitaines — voor zover ze op haar grondgebied liggen, uiteraard.] In 2017 en 2020 werden nog twee kleine Communautés de Communes bij de Métropole Européenne de Lille gevoegd.

[Er bestaat ook een administratief en statistisch niveau arrondissement de Lille, met 124 gemeenten op 800 km2 en ongeveer 1 265 000 inwoners.]

De MEL heeft talrijke eigen bevoegdheden (ruimtelijke planning, wegenis en openbaar vervoer, waterwinning, -distributie en -zuivering, afvalcollecte en -verwerking, huisvesting, waterbeheer en natuurontwikkeling, economische ontwikkeling, toerisme, ondersteuning van cultuur, sport, hoger onderwijs…) die ze veelal in overleg met de gemeenten uitvoert. [Enkele merkwaardige uitzonderingen zijn: bouwvergunningen en parkeerbeleid…, die gemeentelijk zijn.]

De MEL heeft een raad van 188 leden, le Conseil métropolitain. De kleinste gemeenten hebben één vertegenwoordiger, de grotere meer, en de grootste (Lille) heeft er 33, wat maakt dat de kleine gemeenten oververtegenwoordigd zijn. Bij de zesjaarlijkse gemeenteraadsverkiezingen deponeren de kiezers één stembiljet in de stembus, waarop zowel een lijst kandidaat-gemeenteraadsleden als een lijst kandidaat-metropoolraadsleden staan. De kandidaat-metropoolraadsleden zijn ook kandidaat-gemeenteraadslid. [Vergeet hier even het Belgische systeem met bolletjes en potloden — of computers. Als er bv. zes “partijen” zijn, krijg je als kiezer zes bulletins, waarvan je er één zonder annotatie in een kleine enveloppe en dan in de stembus steekt. Het manueel tellen gaat zeer snel.] Het Franse kiessysteem in twee stembeurten, met fusie van lijsten tussen die twee beurten, geeft in elke gemeente een premie aan de winnende lijst. Die krijgt alvast de helft van de zetels, waarna de andere helft proportioneel wordt verdeeld. Concreet betekent dit ook dat in de grotere gemeenten (vanaf 10 000 inwoners) ook de gemeentelijke oppositie in de metropoolraad zetelt. De raadsleden stemmen vaker in functie van de groep waartoe ze behoren dan in functie van hun gemeenten.
Na onderhandelingen kiest de metropoolraad zijn voorzitter, die een rist vice-voorzitters aanstelt. De raad vergadert vier tot zes keer per jaar, waarbij telkens debatten worden gevoerd en een lange lijst beslissingen worden genomen: les délibérations. De eigen bevoegdheden van de voorzitter (of président) en zijn bureau zijn beperkt, en betreffen vooral de organisatie van de raad en van de administratie. De macht van de voorzitter is gelinkt aan zijn capaciteit om in overleg met de gemeenten en met de politieke groepen meerderheden te smeden. Ze wordt beperkt door de directe toegang die de sterkste vice-voorzitters hebben tot de administratie, tot de raadsleden en tot de gemeenten (of tot de hogere overheden).

De MEL heeft een budget van ongeveer 2,5 miljard euro per jaar (cijfer 2025).

  • 38% voor transport en mobiliteit (metro, tram, bus, deelmobiliteit)
  • 20% voor afvalverwerking, water, klimaat, ecologische transitie, energie, landbouw, natuur, kleine waterlopen…
  • 12% overdracht aan gemeenten,
  • 9% voor ruimtelijke ordening en inrichting, stedenbouw, huisvesting, stedenbeleid, grondbeleid…
  • 7% voor wegenis en openbaar domein,
  • 5% voor cultuur, sport, toerisme, jeugd, promotie…
  • 3% voor economische ontwikkeling, werkgelegenheid, bedrijventerreinen, innovatie…

  • waarvan ongeveer 1 miljard naar investeringen gaat.

Aan de ontvangstenzijde zie ik:

  • ongeveer 1 miljard belastinginkomsten,
  • ongeveer 410 miljoen vervangende inkomsten voor afschaffing van belasting op bedrijven (taxe professionnelle),
  • ongeveer 190 miljoen belasting voor huisvuil,
  • ongeveer 320 miljoen bijdragen van de bedrijven voor de mobiliteit (versement mobilité),
  • en kleinere bedragen van verblijfsbelasting (taxe de séjour), grote winkeloppervlakken (> 400 m2): 14 miljoen, elektriciteitsverbruik, kleine waterlopen…

[Deze bedragen kunnen verschillen naargelang de geraadpleegde bronnen en documenten. Het zijn grootte-ordes. Overigens zijn ze niet altijd vergelijkbaar: voor afval worden belastingen geïnd (taxe d’enlèvement des ordures ménagères), waarmee een gratis dienst wordt uitgevoerd; voor water en openbaar vervoer betalen de verbruikers, en zorgt de MEL voor een (flinke) bijdrage aan de concessiehouders, daarin al dan niet geholpen door de opbrengst van een specifieke belasting (versement mobilité).]

2. talrijke kleine gemeenten

Behoudens enkele uitzonderingen zijn de Franse gemeenten, waaronder dus ook die van de MEL, vergelijkbaar met de Belgische gemeenten van vóór de fusiebeweging van 1977. Met andere woorden : het zijn de parochies die tijdens de Franse Revolutie communes werden. De belangrijkste uitzonderingen zijn Villeneuve d’Ascq, de nieuwe gemeente die in 1970 werd gesticht door de fusie van Annappes, Ascq en Flers (er werd een nieuwe stad gebouwd, en de bestaande gemeenten vreesden een fusie met Lille), en de gedwongen of onderhandelde fusies met Lille : Wazemmes, Esquermes, Moulins en Fives in 1858, Hellemmes in 1977 en Lomme in 2000.
[De gemeenten Annappes, Ascq en Flers waren in 1970 alles behalve klein : in 1970 telden ze samen ongeveer 25 000 inwoners; Villeneuve d’Ascq telt er nu 62 000.]
De kleinste gemeente van de MEL is Warneton (het Franse deel van het grensstadje op de Leie Waasten-Warneton) met 233 inwoners. In oppervlak is het Lannoy, met slechts 18 hectare. De grootste gemeente is Lille (of Rijsel: à l’isle = ter ijsel) : ongeveer 240 000 inwoners op 35 km2. Waarbij dient opgemerkt dat de vroegere gemeenten Hellemmes en Lomme, die om electorale redenen bij Lille werden gevoegd, als communes associées een eigen deelgemeenteraad hebben, een eigen Maire délégué en een eigen administratie.
[Electorale motieven hebben niet altijd het gewenste effect, want toen in 1966 de Préfet de grenzen van de toekomstige Communauté urbaine de Lille tekende, zette hij daar flink wat landelijke gemeenten bij, opdat de CUDL een rechtse voorzitter zou hebben. Het werd uiteindelijk Augustin Laurent, de socialistische burgemeester van Lille, die er ook voor koos de CUDL in Lille te vestigen.]

Voorbeeld : Voor het stedenbouwkundig project Rives de la Haute Deûle (38 ha in Lille en Lomme) heeft de MEL (of haar voorloper) een Zône d’aménagement concerté (ZAC) gecreëerd (een door de wet omkaderde stedenbouwkundige uitvoeringsgerichte procedure met een ruimtelijk, een programmatorisch en een financieel luik), waarvan de uitvoering via een concessie aan de maatschappij van gemengd kapitaal Soreli werd uitbesteed. Het kapitaal van de société d’aménagement d’économie mixte (SAEM) Soreli is in handen van de stad Lille (31,5%), de metropool MEL (21,4%) en negen andere organismen, met privé en/of openbaar kapitaal. De zwaargewichten in Soreli zijn verkozenen van Lille en Lomme, en alle beslissingen in het project worden besproken met de stedenbouwkundige diensten van Lille én/of van Lomme.

3. geografie (afbeeldingen 1 en 2)

De Métropole Européenne de Lille heeft 86 km grens met België (Vlaanderen en Wallonië). De betrokken Belgische gemeenten zijn Comines-Warneton (Komen-Waasten), Wervik, Menen, Mouscron (Moeskroen), Estaimpuis (een zeldzame keer Steenput genoemd) en Tournai (Doornik). Comines-Warneton en Mouscron zijn zgn. faciliteitengemeenten. 
De staatsgrens loopt deels op de Leie (de Grensleie), deels door de stad en deels door de velden.
De Deûle, een zijrivier van de Leie, is de belangrijkste rivier. De stad Lille ligt op de rechteroever van de Deûle. De Deûle en de Leie zijn meermaals gekanaliseerd (grosso modo vanaf de 13de eeuw), en lijken in niets op de slingerende, moerassige rivieren die ze ooit waren. Omwille van de kanalisering ligt de nationale grens niet altijd op de Leie zelf. Andere rivieren zijn de Marque (een bijrivier van de Deûle, deels gekanaliseerd: la Marque Urbaine) en de Espierres (of Spiere, een bijrivier van de Schelde, volledig gekanaliseerd, en lange tijd ook een open riool).
De bodem bestaat grotendeels uit zeer vruchtbare leem. Zowat de helft van het grondgebied van de MEL is landbouwgrond. Er zijn nauwelijks bossen. In de ondergrond zitten waterhoudende lagen waaruit drinkwater gewonnen wordt : de ondiepe, nauwelijks beschermde kalksteenlagen bezuiden Lille (waarin destijds ook ondergrondse kalksteenwinning geschiedde: la pierre de Lezennes dat men in de oude gevels van Lille ziet) en de zeer diepe (100 tot 150 meter), grensoverschrijdende “steenkoolhoudende” kalksteenlagen (calcaire carbonifère) in het noord-oosten.

De nauwelijks bedekte waterhoudende lagen ten zuiden van Lille zijn het voorwerp van talrijke beschermende maatregelen, met een sterke invloed op verdere bebouwingsmogelijkheden: les villes gardiennes de l’eau (afbeelding 3). “Verdere bebouwingsmogelijkheden”, want in het verleden leidde de gunstige ligging tot de aanleg van de spoorweg en de autoweg A1 naar Parijs, van (een deel van) de luchthaven Lesquin, van grote bedrijventerreinen, woongebieden en hospitalen. Het Parc de la Deûle is het indirecte gevolg van een aantal (vroege) beschermende maatregelen, zoals de aankoop van vervuilde gronden;
De waterwinning uit de calcaire carbonifère is belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de textielindustrie in Roubaix en Tourcoing, die niet op een natuurlijke waterweg en -bron ligt. Vandaag komt ongeveer 20% van het drinkwater van de Métropole européenne de Lille uit die diepe, a priori goed beschermde kalksteenlaag, die vanuit de neerslag in de Denderstreek wordt gevoed. Ook Vlaanderen (in Spiere) en Wallonië winnen er water. Overexploitatie leidde tot een snelle daling van het waterpeil (soms tot 1 meter per jaar) en tot aanzienlijke karstische verzakkingen in de omgeving van Doornik (waarbij de Schelde leegliep en Scheldewater in het beschermde waterlichaam terechtkwam, wat tot vervuiling leidde). Franse, Vlaamse en Waalse overheden hebben in de loop van de jaren 1990 een rist akkoorden gesloten en projecten uitgevoerd omtrent oppervlaktewater en waterwinning : bouw van gezamenlijke waterzuiveringsstations, vernieuwing van bestaande zuiveringsstations, waterwinning uit de steengroeven van het Doornikse en uit het kanaal Bossuit-Kortrijk…

Er zijn zowel opvallend vlakke gebieden (de brede Leievlakte rond Armentières, op een “hoogte” van ongeveer 11 meter) als lichte heuvelruggen en een cuesta. De noord-oostelijke hoek (le Ferrain, ijzerhoudend, zoals de naam het zegt) heeft meer reliëf, met la Montagne de Wervicq als hoogste punt: 57 meter. [Het hoogste punt van het arrondissement, 107 meter, ligt in Mons-en Pévèle, tien kilometer bezuiden Lille, enigszins bekend om de slag bij Pevelenberg van 1304.]

Zowel het spoorwegnet als het autowegennet vertoont een stervormig patroon rond Lille. Vanuit Lille vertrekken zelfs drie grensoverschrijdende spoorlijnen naar België (Kortrijk, Doornik en LGV naar Brussel) en één naar Engeland. Drie vroegere grensoverschrijdende spoorweglijnen zijn sinds lang opgebroken (Comines-Komen; Halluin-Menen, Wattrelos-Herseaux). Het regionaal spoorwegnet is heel sterk op forensen gericht: de verbindingen zijn niet klokvast, en er is weinig avondverkeer. De gekanaliseerde Deûle verbindt Lille met Gent en Antwerpen en met het Canal à Grand Gabarit van Duinkerke naar Valenciennes. Autowegen lopen naar Duinkerke (A25), Kortrijk (A22), Doornik (A27), Valenciennes (A23) en Parijs (A1). Ondanks een aantal gedeeltelijke ringwegen concentreert een groot deel van het verkeer zich ter hoogte van Ronchin net ten zuiden van de stad Lille.

4. geschiedenis

4.1 la capitale des Flandres

Lille noemt zich graag Capitale des Flandres, en het Vlaanderen waartoe Lille behoort is sterk verwant met Belgisch Vlaanderen. [Begrijp : de provincies Oost- en West-Vlaanderen.] Het is dezelfde bodem, hetzelfde landschap (een boom-arm Bloot Vlaanderen), (afbeelding 4) met een vergelijkbare nederzettingsstructuur, met een vergelijkbare verspreide bebouwing, een dicht wegennet, alomtegenwoordige intensieve landbouw, kleine huisnijverheid en weinig heerlijkheden (kleine of grote domeinen tot eer en pret van een adellijke familie of een rijke burger). Het is hetzelfde graafschap Vlaanderen dat tot 1529 (la Paix des Dames) leenroerig was aan de Franse koning.
Lille, gelegen in la Flandre wallonne, la Flandre romane of la Flandre gallicane, is altijd een belangrijke stad in dat graafschap geweest. In 1386 vestigde Filips de Stoute (le Hardi), hertog van Bourgondië en Graaf van Vlaanderen er de Rekenkamer, wat in de daarop volgende eeuwen een belangrijk gegeven zou blijken : wie Lille bezit heeft ook de archieven. Van de Bourgondische aanwezigheid blijft vandaag nauwelijks nog wat over : een half gebouw, het Palais Rihour, en de naam van een straat.

4.2 Louis XIV

De Franse koningen bleven azen op de lage landen, en vonden in het erf- en huwelijksrecht daar wel juridische argumenten voor. In 1667 veroverde het Franse leger, in opdracht van Louis XIV (geboren in 1638 en koning van 1643 tot 1715) en onder leiding van Sébastien Le Prestre de Vauban, de stad Lille op het Leger van Vlaanderen (in feite van de zuidelijke Nederlanden). Deze verovering (en talrijke andere: Kortrijk, Doornik…) werd het jaar nadien bekrachtigd in het Verdrag van Aken, maar er zouden nog meerdere oorlogen en verdragen volgen, tot in 1713 in het Verdrag van Utrecht een grens werd vastgelegd die grosso modo overeenstemt met de huidige Frans-Belgische grens. Wel werd er nog decennia lang onderhandeld om aan de hand van terreinbezoeken en juridische documenten het precieze tracé te bepalen, en om enclaves en exclaves uit te wisselen. [Zo werd bijvoorbeeld het grondgebied van Menen in 1769 en 1779 flink vergroot : ondermeer wat vandaag De Barakken is werd toen van het Franse Halluin bij het Oostenrijkse Menen gevoegd.] Uiteindelijk werd die grens in het Verdrag van Kortrijk van 1820 vastgelegd, al kan tot vandaag geen landmeter exact zeggen waar ze ligt. Van 1795 tot 1814 was de grens overigens afgeschaft, wat van 1940 tot 1944 in zekere zin ook is gebeurd, toen Noord-Frankrijk vanuit Brussel werd bestuurd.

De Franse koning Louis XIV moet een heel snuggere kerel zijn geweest, en/of goed omringd, want hij nam een aantal maatregelen waarmee hij zijn tijd vooruit was. Hij streefde naar territoriale continuïteit in een compact en verdedigbaar land, naar een sterke en veerkrachtige economie waarin de provincies in elkaars noden konden voorzien, en naar steun van de lokale notabelen. Meerdere van die initiatieven hebben effecten die tot vandaag leesbaar zijn, ook in Lille.

4.3 Vauban en de citadel

Zich inspirerend op Italiaanse voorbeelden bouwde Vauban in opdracht van Louis XIV een dubbele gordel van versterkte steden (waarvan sommige bij latere verdragen aan de vijand moesten worden afgestaan…), le Pré Carré, met de citadel van Lille in de moerassen ten noorden van de stad als koninginnenstuk, la Reine des Citadelles (1667-1673). De plans-reliefs op 1/600 van vijftien van die steden, maquettes die in de jaren en decennia nadien werden gebouwd om tijdens veldtochten mee te nemen, kan men bewonderen in het Palais des Beaux-Arts van Lille. Tot vandaag is Lille militair een zeer belangrijke stad, met meerdere kazernes en, in de citadel zelf, het hoofdkwartier van het Corps de réaction rapide – France (CG-CRR-Fr), een door Frankrijk aangestuurd internationaal leger met militairen uit veertien landen dat opdrachten uitvoert voor Frankrijk, voor de NAVO en voor de Europese Unie. Ook voor militairen is een locatie in een grote stad met talrijke faciliteiten immers aantrekkelijker dan in een dorp omringd door bossen en velden, en de uitstekende bereikbaarheid en de nabijheid van de NAVO in Brussel en de SHAPE in Mons zijn belangrijke troeven. [Het zal de Vlamingen verwonderen dat in het wapenschild van dit Corps, naast een globe, een zwaard, een vuist, bliksems en vuurmonden, ook een Vlaamse leeuw zit verwerkt, zwart op geel en een beetje rood.]

4.4 Colbert

Als minister van financiën, handel, marine, koloniën en kunst opende Jean-Baptiste Colbert in opdracht van Louis XIV de grenzen voor hoogopgeleide ambachtslieden en voor grondstoffen waaraan het Frankrijk ontbrak, en sloot ze voor (afgewerkte) producten die het land zelf kon maken. In zekere zin ligt het beleid van Colbert aan de basis van de Franse luxe-industrie. Hij maakte van Frankrijk ook een zeevaartland, maar zijn rol in de organisatie van de slavernij is omstreden. In dezelfde periode bouwde Frankrijk een net van kanalen dat de afhankelijkheid t.o.v. de vijandige buitenlanden moest beperken, en door inter-provinciaal transport grote hongersnoden moest helpen voorkomen. Van Colbert is ook de volgende instructie bekend, die hij kort na de verovering van Lille verzond aan de koninklijke intendant in de stad: “Il convient de porter les marchands des pays conquis à prendre la route de France pour l’envoi de toutes leurs marchandises et pour leur passage, notamment en Espagne, Italie et Allemagne… Par ce moyen vous portez les esprits à se détacher des Flamands et des Hollandais et à se lier en même temps avec les Français par union et correspondance de commerce.” [Breek alle banden met de Spaanse Nederlanden en richt uw blik op het zuiden. Soms lijkt de wereld van vandaag sterk op die van gisteren.]

Het hoeft geen betoog dat deze beleidslijn tot vandaag impact heeft op de economische relaties en op de ruimtelijke ordening, met name de aanleg van verkeersinfrastructuur. Onderzoek op Europees niveau heeft aangetoond dat bij gelijke bevolkingsdichtheid grensregio’s een hogere infrastructuurdichtheid hebben dan niet-grensregio’s, maar dat die infrastructuren de grens vaker volgen dan overschrijden.
Een meer anekdotisch effect van Colbert’s beleid is… de kleur van mimolette-kaas. Colbert verbood de invoer van Hollandse kaas, maar om aan de hoge vraag vanuit de bevolking (en vanuit het leger) te voldoen mochten Noord-Fransen zelf gelijkaardige kazen maken die, om ze van Hollandse te onderscheiden, met anatto oranje werden gekleurd. [De naam mimolette is echter recent, en de huidige vorm, uit Holland… is een commerciële interpretatie van de veel rustiekere boule de Lille. Veruit de beroemdste kaas uit Noord-Frankrijk is echter de Maroilles, le plus fin des fromages forts, uit de streek ten zuiden van Maubeuge. Door verdere en langere bewerking van een Maroilles met zout water wordt een Vieux-Lille kaas bereid, met een scherpere wat ammoniakale geur.]

4.5 de lokale notabelen behagen

De Franse koning wist ook de lokale machthebbers aan zich te binden. Tussen de oude stad en de nieuwe citadel liet hij vanaf 1670 een nieuwe wijk met rechte straten en brede panden bouwen, ontworpen door Simon Vollant, ook architect van de citadel. [In le Vieux-Lille zie je haarscherp het verschil tussen de oudere Vlaamse en de latere Franse stad.] Voor belangrijke burgers en edellieden uit de ruime omgeving verrezen er statige hôtels particuliers, tussen cour en jardin, en belangrijke ambten werden aan belangrijke inwoners toegekend. Met de steun van de bovenlaag was het geen wonder dat bij latere conflicten de bevolking van Lille zonder aarzelen het Franse bewind verkoos.
[Deze administratieve en culturele “verfransing” van de stad, die ook in de architectuur te lezen valt, was echter geen talig fenomeen. Ook vóór de verovering door Louis XIV was Frans (of Picardisch) de voertaal in Lille.]

4.6 koninklijk-keizerlijk — de stadjes op de Grensleie

De in 1713 bepaalde Frans-Belgische, of veeleer Frans-Oostenrijkse of koninklijk-keizerlijke grens zou slechts een eeuw later betekenis krijgen. Het grensstadje Comines-Komen op de Leie geeft daarvan een mooie illustratie. [Ook Waasten-Warneton en Wervik kenden een gelijkaardige geschiedenis. Ze waren, op hun manier königlich-kaiserlich.] Men mag de Leie niet zien als de brede rivier die ze vandaag is. Ze kronkelde in meerdere armen door het lage land, en door Comines. Vanaf 1713 was Comines een deels Franse, deels Oostenrijkse stad (met een stadhuis en belfort op de Franse oever) die echter door één burgemeester en één schepencollege “grensoverschrijdend” werd bestuurd en één penningmeester had, waarbij naargelang de plek verschillende rechtsregels werden toegepast — er waren overigens ook verschillen tussen buiten en binnen de “muren”. In december 1789, enkele maanden na de Revolutie (juli 1789), verplichtte de volksvertegenwoordiging in Parijs de Franse burgers van Comines alle betrekkingen met de “Oostenrijkers” te verbreken, en een afzonderlijk, zuiver Frans stadsbestuur op te richten. Enkele jaren later, na het uitbreken van de Frans-Oostenrijkse oorlog, steeg snel de wederzijdse vijandigheid, met schermutselingen en grensoverschrijdende plundertochten. Anekdotisch is dat Franse plunderaars op de terugweg van hun rooftochten soms eerst nog een “pot bier” bleven pakken aan Oostenrijkse kant, én dat de burgers van Comines die een vrijheidsboom wilden planten, die boom zijn gaan kopen aan Oostenrijkse kant. [Tot vandaag trekken Noord-Fransen graag naar België om de herbergen te bezoeken of om planten en bomen aan te schaffen.] 
Van 1795 tot 1814 werd de rijksgrens een binnenlandse departementsgrens : na de annexatie door Frankrijk werd West-Vlaanderen het département de la Lys en Henegouwen het département de Jemmapes — let op afwijkende schrijfwijze.

4.7 vernielde monumenten in Lille

De revolutionaire periode en de Frans-Oostenrijkse oorlog heeft het stadslandschap van Lille mee bepaald. Twee belangrijke kerken, Saint-Pierre en Saint-Étienne werden tijdens de Oostenrijkse beschietingen van 1792 zwaar beschadigd, en vervolgens ook verder afgebroken. Ook door de brand van 1916 in het Palais Rihour (een accidentele brand, geen oorlogsfeit, in wat het paleis van de hertogen van Bourgondië was geweest en sinds 1664 als stadhuis werd gebruikt), en nog enkele andere vernielingen, biedt Lille het merkwaardige beeld van een oude stad met grote aantallen gelijkaardige oude huizen (weliswaar het resultaat van zware restauraties) maar met nauwelijks monumentale gebouwen. Het verschil met een stad als Gent kan niet groter zijn.

4.8 een préfecture, een metropool — Lille wordt een hoofdstad

Na enig politiek getouwtrek werd de stad Lille in 1803 Préfecture van het in 1789 gecreëerde departement Nord, waarvan Douai (30 km bezuiden Lille) aanvankelijk de hoofdstad was — allicht heeft het heldhaftige verzet van de bevolking tegen het Oostenrijkse leger daartoe bijgedragen (“Lille a bien mérité de la Patrie” verklaarde de Convention nationale in 1792 unaniem), in een regio die overigens niet erg revolutie-gezind was. De daarop volgende eeuwen zou Lille ervoor ijveren meer en meer hoofd- en grootstedelijke functies naar zich toe te trekken.
Alhoewel de universiteit sinds 1559 in Douai gevestigd was, werden in de loop van de negentiende eeuw talrijke opleidingen in Lille opgericht, of naar daar overgebracht, met als bekendste de Faculté des sciences (1854) waarvan Louis Pasteur deken is geweest. In 1875 werd ook een katholieke universiteit opgericht. In 1913 kreeg Lille een bisdom (met Cambrai-Kamerijk als aartsbisdom, een verhouding die in 2008 werd omgekeerd), waarvoor van 1856 tot 1999 een neogotische kathedraal werd gebouwd: Notre-Dame de la Treille. Lille werd ook de hoofdstad van een regio (eerst Nord-Pas de Calais, daarna het grotere Hauts de France), en zo ook van alle politieke, administratieve, economische en culturele functies die daarmee samen gaan. Douai, waar in 1713 le Parlement de Flandres (een gerechtshof) was ondergebracht (door Louis XIV in 1668 in Doornik gesticht en in 1709 naar Cambrai overgebracht), is wel de juridische hoofdstad gebleven. [In 17de-18de eeuw telde Frankrijk twaalf parlementen, die in feite provinciale gerechtshoven waren. Het Parlement de Flandres heette aanvankelijk Parlement de Tournai.] De voorlopige kroon op het werk was de TGV “nord-européen” — een wat aanmatigende term voor een trein van Parijs naar Amsterdam en Londen. Kort samengevat zijn dat twee eeuwen evolutie van een provinciestad met wat industriële en militaire functies naar een all-round metropool — waarbij ik in het midden laat in hoeverre die evolutie is geslaagd.

4.9 industriële revolutie en snelle demografische groei

In het begin van de negentiende eeuw telde wat vandaag de Métropole Européenne de Lille is : een stad Lille van ongeveer 55 000 inwoners (vergelijkbaar met Antwerpen of Gent), plus enkele grote industrie-dorpen of stadjes (Tourcoing, Roubaix, Armentières) van 8 tot 10 000 inwoners, en een dicht netwerk van kleinere stadjes en dorpen, de meeste op 2 à 3 km van elkaar. Omdat in het Ancien Régime Lille meerdere privileges had om hoogwaardige stoffen te weven, moesten de grote dorpen Tourcoing en Roubaix zich lange tijd tot goedkopere, ruwere en soms clandestiene producten beperken. Door de snelle evolutie van de productiewijzen, vooral in Engeland, en door de Franse Revolutie verdwenen die privileges op het eind van de 18de eeuw. Uit de ambachtelijke textiel-nijverheid met huisarbeiders (vaak landbouwers) ontstond in korte tijd een sterke, gemechaniseerde textielindustrie die de kleine ambachtelijke nijverheid uit de markt prijsde.

Het is goed aan de huidige economische en politieke conflicten te denken, omtrent rekencapaciteit, computerchips en zeldzame aardmetalen, om te begrijpen wat eind 18de begin 19de eeuw is gebeurd in de textiel-strijd tussen Engeland, Noord-Frankrijk en België. De uitvoer van grondstoffen voor de textielindustrie werd verboden, en op de invoer van afgewerkte producten werden taksen gezet. Industriële spionage kwam vaak voor. [Lieven Bauwens’ in 1800 via Hamburg naar Gent gesmokkelde Mule Jenny (1800) was geen uitzondering.] Verbeurd verklaarde kerkelijke goederen (gebouwen, renten, kerkschatten) vormden een nieuw, beschikbaar kapitaal. Terwijl het platteland (onder meer in West- en Oost-Vlaanderen) verpauperde, kenden Roubaix, Tourcoing en Lille — en Gent — een snelle groei.

Hierna zal blijken dat de groei vooral door migratie uit België werd gevoed.
Enkele cijfers over de bevolkingsgroei in de 19de eeuw (1800-1900, behalve voor Kortrijk, 1830-1900) :

  • Roubaix: maal vijftien in één eeuw, van ongeveer 8 000 tot 125 000.
  • Tourcoing: maal zeven, van iets meer dan 11 000 tot bijna 80 000.
  • Lille: maal vier, van ongeveer 55 000 tot 210 000.
  • Croix, een randgemeente van Roubaix: maal dertien, van 1200 tot 16 000.
  • La Madeleine, een randgemeente van Lille: maal twintig, van 600 tot 12 400.
  • Kortrijk, minder dan een verdubbeling (in zeventig jaar), van 19 000 tot 33 000.

In Croix en La Madeleine geschiedt de groei vooral na 1865, wanneer hun respectieve centrumsteden nagenoeg “vol zijn”, en ze de overloop opvangen.

4.10 de grens als paradox: een trein, een kanaal, en massale migratie uit België

De impact van een grens is soms paradoxaal. Ze kan zowel een rem als een motor zijn. Drie belangrijke evenementen uit de eerste helft van de 19de eeuw dienen vermeld.

1. Al in 1843 kreeg Lille een spoorwegverbinding met Moeskroen en Kortrijk, via Roubaix en Tourcoing, en daarmee ook met Brussel. [Pas drie jaar later, in 1846 was er ook een verbinding met Parijs — het Belgische vorstenpaar met Franse (schoon)ouders was fan.]

2. Van 1826 tot 1877 werd een kanaal van de Deûle naar de Schelde gegraven, via Tourcoing en Roubaix. Dat ging niet zonder problemen. Aan de westkant werd “makkelijk” de Marque (een kleine zijrivier van de Deûle) gekanaliseerd, en aan de oostkant kwam er het Canal de l’Espierre. Via dat kanaal (en de Schelde, en het Canal d’Antoing) kon de Borinage worden bereikt, en kon steenkool worden aangevoerd. De uitvoering van het centrale sluitstuk van het kanaal stuitte echter op financiële en technische problemen. Door een lage heuvelrug ten zuiden van Roubaix zou een tunnel worden gegraven, maar de bodem stortte in — een probleem dat later ook het kanaal van Ieper naar de Leie in Komen heeft gefnuikt. Uiteindelijk werd na jaren van stilstand een noordelijk tracé met een omweg gekozen, en in 1877 voltooid: het Canal de Roubaix. Het oude tracé, deels uitgevoerd en daarna gedempt, is goed leesbaar in het stratenplan van Roubaix, en op de terreinen waar de werken zijn gestaakt omdat de bodem onzeker was, werd van 1869 tot 1905 het prachtige Parc Barbieux aangelegd, waar in 1911 de Exposition Internationale du Nord de la France werd gehouden. Roubaix had toen net een nieuw, indrukwekkend stadhuis gebouwd (1907-1911, architect Victor Laloux, ook ontwerper van de Gare d’Orsay in Parijs) en stond op de top van zijn industriële macht en roem. [Maar ik loop vooruit op de feiten.]

3. Veel belangrijker nog was de hongersnood die in de jaren 1840 Vlaanderen teisterde. De bevolking was er sterk gestegen, de akkers werden steeds kleiner, de huisnijverheid leverde niets meer op, en de aardappeloogsten mislukten door de waterschimmel Phytophthora infestans. Tienduizenden Vlamingen verlieten het land en trokken naar de steden, de mijnen (Borinage) en de fabrieken. Lille, Roubaix, Tourcoing en de Franse grensstadjes kenden een explosieve demografische en stedelijke groei. Samen met de werk en woonst zoekende armoezaaiers, kwamen ook industriëlen, handelaars en bouwbedrijfjes. Grond werd gekocht, straten werden getrokken, fabrieken, herenhuizen en kleine, individuele arbeiderswoningen werden gebouwd. Die stonden langs de straten zelf (in zogenaamde forts) of, vaker nog, in hun binnengebieden, in courées (te vergelijken met beluiken). Het is een (merkwaardige) eigenschap van de private, speculatieve volkswoningbouw in Roubaix, in Lille, etc.: kleine landeigenaars realiseerden kleine projecten zonder collectieve woonvormen (geen kazernes). Twee bouwlagen, één gevel, elk zijn voordeur, een individueel (kolen)hok over de deur in de smalle steeg, en een collectief toilet.

De geograaf Firmin Lentacker heeft in 1974 steekproeven uitgevoerd in de bevolkingsregisters van een aantal gemeenten, teneinde het aandeel eerste-generatie Belgische migranten te kennen. Ziehier enkele cijfers voor de periode 1861-1870: (afbeelding 5)

  • Halluin (grenst aan Menen): 70%
  • Roubaix: 50%
  • Fives en Wazemmes (twee vroegere gemeenten, nu wijken van Lille): 35%
  • Tourcoing: 30%

[De bekendste van alle Belgische migranten in Frankrijk is ongetwijfeld Pierre De Geyter, geboren in Gent in 1848 en als kind met zijn ouders naar Lille verhuisd. Hij werd arbeider in de machinebouw in Fives, maar was ook actief in het muziekleven. In 1888 componeerde hij, op bestelling, de muziek voor de Internationale, een strijdlied dat in opeenvolgende stappen helemaal internationaal zou worden.]

Nadien zijn die hoge getallen geleidelijk gedaald, zowel door de veroudering (vervanging van overleden ouderen door baby’s) als door de terugkeer van een deel van de migranten naar België. Ver zijn die niet gegaan, want ze hebben vooral Moeskroen en Menen (met de wijk De Barakken) bevolkt. Naar verluidt heeft de dienstplicht, die na de Franse nederlaag van 1870 werd ingevoerd, een deel van deze mensen aangespoord het land weer te verlaten. In 1889 kwam er ook een wet die het makkelijker maakte de Franse nationaliteit te verwerven. Toch woonden er volgens Lentacker’s onderzoek tot 1940 in de agglomeratie Lille-Roubaix-Tourcoing méér inwijkelingen uit België dan uit andere Franse streken. [Enkel mensen die in het arrondissement Lille geboren zijn werden in die analyse niet als inwijkeling beschouwd.] (afbeelding 6)

4.11 hoe Belgisch is Roubaix en zijn de Noord-Franse steden ?

De massale inwijking van Belgische werk-zoekers heeft het maatschappelijk leven tijdelijk ver-vlaamst. Reglementen en dreigementen vanwege de fabrieksbazen aan de arbeiders werden in twee talen opgesteld, en de vraag mag gesteld worden in hoeverre sommige plaatselijke gebruiken al voordien bestonden, dan wel door de migranten zijn meegebracht of beïnvloed: traditionele spelen (jeu de bourle of trabol, wipschieten), vinkenzetting, stang-poppentheaters…

Maar dat zijn kleine, soms tijdelijke fenomenen in vergelijking tot drie meer structurele effecten. Vooraleer daarover te spreken is het belangrijk een wat ruimer perspectief te nemen. Er zijn immers drie vormen van Belgisch-Franse migratie (of arbeidsmigratie) geweest. Behalve de reeds vermelde permanente migratie, vooral van de jaren 1840, waren er:

– De dagelijkse arbeidsmigratie (of pendel) vanuit West-Vlaanderen naar de Noord-Franse industrie. Die pendel, met maxima van enkele tienduizenden in het Interbellum, heeft grosso modo tot de jaren 1960 geduurd. Ze betrof niet alleen de industrie. Ook huispersoneel trok dagelijks de grens over. [Duidelijke cijfers bestaan niet. Sommige zijn meer een element van een politiek pleidooi, andere betreffen grotere geografische gebieden. Maar de 46 800 West-Vlaamse grensarbeiders in 1930 zullen toch vooral in Lille, Roubaix, Tourcoing, Armentières, etc. hebben gewerkt. De nu Henegouwse gemeenten van het arrondissement Mouscron-Comines behoorden toen, en tot in 1963, tot de provincie West-Vlaanderen.]

– De seizoensarbeid, waaraan het monument langs de E17-autoweg in Aalbeke herinnert. De zogenaamde Fransmannen — ik vermoed dat ze aan Franse kant een andere naam kregen, de Flahutes misschien, toen niet echt een vriendelijke term — trokken veel verder dan Lille, naar Picardië en Île de France. Sommigen zijn daar gebleven.

Overigens heeft de Noord-Franse industrie ook beroep gedaan op jonge vrouwen uit de mijnstreek, die dagelijks met bussen werden aangevoerd, en later, toen de Vlaamse grensarbeiders zeldzaam werden omdat ze — “werk in eigen streek” — in eigen streek beter en beter betaald werk vonden, op Noord-Afrikaanse arbeiders.

Maar daarmee loop ik nogmaals vooruit op de geschiedenis. Drie structurele, blijvende effecten van de Belgische, Vlaamse immigratie zijn :

(1) De agglomeratie Lille, en dus ook de metropool Lille is een kind van de grens. De demografische, industriële en economische groei is het resultaat van de locatie vlakbij, of vlak over de grens. Ondanks de eigen dynamieken hadden Lille, Roubaix en Tourcoing en de grensstadjes nooit een zo sterke groei gekend indien de in 1713 vastgelegde nationale grens meer naar het noorden of naar het zuiden had gelegen, of niet had bestaan. Kortrijk of Doornik, of Douai als Noord-Franse metropool, het had kunnen zijn. Of Lille als middelgrote stad in Zuid-West-België.

(2) De grens heeft het stratenplan van de metropool getekend, althans in het grensgebied. De Vlaamse arbeiders die in de Noord-Franse fabrieken gingen werken besteedden hun geld aan de Belgische kant van de grens, in Komen, in Menen (de Barakken) en in Moeskroen (Risquons-Tout, Mont-à-Leux…). Daaruit zijn de typische grens-winkelstraten ontstaan, die tot vandaag enigszins populair zijn bij de Noord-Franse grensbevolking. Tot de bouw van autoweg E17 (toen E3, in 1972) of zelfs tot de afschaffing van de grensposten (1993) waren die grensstraten ook belangrijke verkeersassen voor grensoverschrijdend vervoer. [Zowel aan de Leiebrug in Komen als in Risquons-Tout was er tot 1993 zwaar grensverkeer, waarbij de straat vol vrachtwagens stond.]

[Merkwaardig genoeg — of net niet ? — leidde de invoering van nationale ruimtelijke plannings-wetgeving in de jaren 1960 (België : 1962 ; Frankrijk : 1967) tot begrensde ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij projecten a.h.w. met de rug naar de grens werden gebouwd. Met andere woorden : zonder nationale planningsdiscipline waren de ruimtelijke ontwikkelingen grensoverschrijdend, maar mét nationale plannings-disciplines werden de buren genegeerd. Ironisch genoeg is dat ook de tijd waarin de Europese unie (toen nog de Europese Economische Gemeenschap EEG, met zes) gestalte kreeg. Terwijl de nationale grenzen langzaam gingen vervagen, werden ze lokaal versterkt.]

(3) De grens en de migratie hebben de sociaal-economische en politieke cultuur van de metropool mee bepaald. Toen de arbeiders in de Noord-Franse fabrieken in 1880 het werk neerlegden en een lange staking begonnen, kwamen Gentse vakbondsleiders van Vooruit (o.a. Édouard Anseele en Edmond van Beveren) naar de wijk Mont-à-Leux in Moeskroen, vlakbij de grens, om de stakers toe te spreken. Ze leerden hun “Franse” collega’s hoe ze ziekenkassen, stakingskassen en coöperatieven hadden opgericht, en zo enige maatschappelijke zekerheid hadden gecreëerd en sterker stonden in hun conflicten met de werkgevers : het Gentse model. Daarmee werkten ze voort op veel eerdere initiatieven. Al in 1857, toen ze zelf in staking waren — de Gentse textielarbeiders waren vaak in staking — waren Gentse vakbondsmensen naar Roubaix gekomen om bij hun collega’s steun te zoeken. Het eerste Congres van de Internationale in Brussel in 1868 gaf een sterke stimulans, en vanaf 1871 bestonden er regelmatige Frans-Belgische contacten. Het feit dat de arbeiders hun zondag graag in België doorbrachten en de gemeenschappelijke Vlaamse taal vergemakkelijkten de samenwerking en de doorstroming van ideeën, wat door de Franse préfecture met argusogen werd gevolgd.
Deze reformistische aanpak zou later bijdragen aan het succes van de socialistische partij bij de nationale en lokale verkiezingen in Roubaix, Lille en andere Noord-Franse steden. In 1892 veroverde de Parti Ouvrier de macht in het gemeentehuis van Roubaix, en in 1894 werd Jules Guesde, een intellectueel uit Parijs met internationale contacten, verkozen tot Député van Roubaix. Guesde was marxist én legalist. 
Niet veel later zou men ook aan werkgevers-zijde, geïnspireerd door de pauselijke encycliek Rerum Novarum van 1891, aansturen op een overleg- eerder dan een conflictmodel in de behandeling van sociale problematieken. De macht in Roubaix zou meermaals kantelen van een gematigd, reformistisch socialisme naar een gematigd centrisme. En vaak zou in de daarop volgende eeuw Noord-Frankrijk de toon zetten in sociale vernieuwingen, met als beste voorbeeld de werkgevers-bijdrage (1% van de loonmassa) voor de financiering van sociale huurwoningen en betaalbare koopwoningen, die in 1943 in Roubaix (op initiatief van Albert Prouvost, baas van La Lainière de Roubaix) op vrijwillige basis werd gestart, in 1953 in Frankrijk werd veralgemeend (verplicht), maar nadien, in de 21ste eeuw, geleidelijk werd “genationaliseerd” en gebanaliseerd. Heden beheert Action Logement op nationaal niveau patronale bijdragen ten gunste van huisvesting voor een bedrag van ongeveer 3 miljard euro per jaar. Tot vandaag is de Noord-Franse politieke cultuur nauw verwant met de Belgische, wat zich onder meer toont in de bestuursmeerderheden die in de Métropole Européenne en op stedelijk niveau worden gevormd.

Sindsdien, sinds de massale Belgische immigratie in de negentiende eeuw, en de grensarbeid in de twintigste, zijn nog talrijke andere migratie-golven over Roubaix en de metropool gegaan. De bespreking van hun impact valt buiten het bestek van deze tekst, en buiten de deskundigheid van de auteur ervan.

4.12 stedelijke ontwikkeling in de 19de eeuw

Lille, Roubaix en Tourcoing en de stadjes en dorpen errond kenden in de tweede helft van de 19de eeuw uiteraard ook een zeer sterke stedelijke ontwikkeling. Roubaix werd la ville aux mille cheminées (daarmee Mulhouse, Roanne, Elbeuf (bij Rouen)… de loef afstekend). Roubaix heeft een open plan, zonder duidelijke grenzen, met enkele grotere lanen (waaronder een gedempt kanaal) in een ster rond het centrum, en Tourcoing heeft een meer radio-concentrische structuur. Kenmerkend voor Lille is de aanwezigheid van oude stadswallen, die omstreeks 1859 aan de oostzijde doorbroken en door nieuwe vervangen werden. Het stedelijk oppervlak werd toen vijfmaal groter, en in de nieuwe stadsdelen, waarin ook de dorpen Wazemmes, Esquermes en Moulins lagen, werd rond een vijfhoekige structuur van brede lanen een typisch 19de eeuws stratenplan gelegd: rechte straten, veel scherpe hoeken, enkele plantsoenen, perspectieven op monumenten (kerken, theaters, universiteitsgebouwen, station…). Net als Brussel kreeg Lille een hartvormig plan (zij het veel groter). Toch moet onderstreept worden (wat te weinig gebeurt) dat niet alleen in Lille, maar ook in Roubaix en Tourcoing het stratenpatroon aan een aantal kwaliteitseisen beantwoordt : regelmatige rooilijnen, regelmatige straatbreedtes en gevelhoogtes, overzichtelijke kruispunten en geen of nauwelijks doodlopende straten, dit alles ondanks (of mits?) de eenvoud van de huizen en de aanwezigheid van beluiken (of courées) en fabrieken. [Recentere wijken in de agglomeratie halen vaak niet dat elementaire kwaliteitsniveau.]
Roubaix is echter zeer dicht bebouwd, en versteend. In 1912 woonde ongeveer de helft van de bevolking in beluiken: er waren 1324 beluiken met 13 820 huisjes. Behalve in enkele lanen met bomen en enkele zeldzame (soms heel mooie) parken in de betere buurten was (is) er geen groen. Er waren (zijn) ook nauwelijks tuinen : de binnengebieden zijn vaak dichtgebouwd, nu ook met veranda’s, keukens, badkamers. De huizen zelf zijn echt heel klein.

Roubaix en Tourcoing tooiden zich ook met imposante gebouwen, die de trots van de stad uitdrukten : stations (en stationsboulevards), postkantoren, handelskamers, Banque de France en (voor Roubaix reeds vermeld) stadhuizen. Het dorp Roubaix kreeg voor zijn indrukwekkende stadhuis ook een stadhuisplein (waarop de dorpskerk van het dorpse verleden getuigt). Tot de indrukwekkendste gebouwen behoorden ook de fabrieken, meerdere verdiepingen hoog, met belforten en kantelen. [Het belangrijkste voorbeeld is Motte-Bossut, l’usine monstre, waarvan het huidige volume uit het einde van de 19de eeuw dateert, en waar nu ondermeer Les Archives du Monde du Travail gevestigd zijn.]

De locatie van het station van Lille vormt een verhaal op zich : zou het ten westen of ten oosten van de stad komen, buiten de wallen? Uiteindelijk is het de spoorweg naar Kortrijk (en Brussel) die de beslissing heeft geforceerd : de oostkant. Na lange tegenstand vanuit militaire hoek werd de spoorweg dóór de stadswallen gevoerd, en werd het station op de rand van de stad gebouwd. Het kreeg een boulevard met perspectief op het theater (nu rue Faidherbe), een theater dat in 1903 door een brand werd vernield. [Waarna een nieuw theater, de opera, op een licht gewijzigde site werd gebouwd.] Het station Lille-Flandres — de naam dateert van 1993, toen het TGV-station Lille-Europe werd voltooid — is overigens (deels) het oude Gare du Nord van Parijs. In 1846 gebouwd werd het in 1867 steen per steen naar Lille vervoerd en daar herbouwd. Wel kreeg het een extra verdieping, een gevelspits met klok die naar een ander gebouw uit Lille verwijst (la Grande Garde op de Grote Markt) en twee paviljoenen aan de zijkanten (hun minder sobere architectuur is duidelijk laat-19de-eeuws). [Zou de vormelijke gelijkenis met het Archiginnasio van de universiteit van Bologna enkel toevallig zijn?]

4.13 bloei en verval in de 20ste eeuw

De periode van 1906 tot 1909 kan beschouwd worden als de geboorte van de metropool — of op zijn minst van de agglomeratie of het stedennet — Lille-Roubaix-Tourcoing. In 1906 besliste de departementale raad (Conseil général genoemd) een 50 meter brede boulevard aan te leggen die in een Y-vormig plan (een stemvork, bijna) Lille met Roubaix en Tourcoing verbindt. De Belgische industrieel Empain bouwde er, via de Électrique Lille-Roubaix-Tourcoing (ELRT) een tramlijn van 17 km, door de inwoners tot vandaag de Mongy genoemd, naar de ingenieur die het project ontwierp. Gedurende enige decennia, van de jaren ’60 tot 1985, was dit tramnet één van de slechts drie overblijvende in Frankrijk (samen met Saint-Étienne en Marseille). Overigens zijn er ook meerdere lokale trammaatschappijen geweest die talrijke straten in Lille, Roubaix, Tourcoing, Armentières en daarbuiten bedienden.

Op de vooravond van de Eerste wereldoorlog stonden de Noord-Franse textielsteden en -stadjes op het toppunt van hun macht. [Denk aan de genoemde Exposition Internationale du Nord de la France.] Textiel is echter nooit de enige industrie geweest. Er was (is) ook een belangrijke staalverwerkende nijverheid (stoomlocomotieven, bruggen en later ook tunnelboren in Fives, later Fives-Cail-Babcock), voedingsnijverheid, chemische nijverheid (een spin-off van de voedingsnijverheid) en alle industrieën die bij een grote stad horen (drukkerijen…).

Om Lille is in de maanden augustus, september en oktober 1914 met wisselende kansen gevochten. De stad werd aanvankelijk niet verdedigd (ville ouverte), daarna wel, en tenslotte door het Duitse leger veroverd en tot oktober 1918 bezet. Gedurende vier jaar zou het front een twintigtal kilometer ten westen van de stad liggen en even ten oosten van Armentières over de Leie gaan. De grootste materiële schade van de beschietingen was er in de Leiestadjes Armentières en Comines (waarvan de stadscentra, stadhuizen en belforten in historiserende stijl zouden worden heropgebouwd, maar minder radicaal dan in Ieper) en in de stationsbuurt van Lille. Het stationsplein en de stationsstraat van Lille (place de la Gare en rue Faidherbe) bieden overigens een zeer boeiende combinatie van Parijse “Haussmann”-architectuur, neo-Vlaamse Renaissance wederopbouw-architectuur van na WO1, én vaag regionalistische wederopbouwarchitectuur na WO2.

Als je in een van de Noord-Franse textielsteden of hun buitenwijken een rijhuis wil kopen, is de kans groot dat de makelaar je spreekt over “une mille neuf cent trente”, een huis uit de jaren ’30 van de 20ste eeuw. Een ongeveer vijf meter breed huis, baksteen, twee bouwlagen en een mansarde-kap met Vlaamse dakpannen boven de kroonlijst. Twee kamers diep en een hamervormig plan. Allicht heeft een van de vorige eigenaars het sanitair en de verwarming al gemoderniseerd, maar zitten er nog enkele originele, zeer geapprecieerde stijlelementen in. [Als je minder middelen hebt, wordt je misschien een eenvoudigere arbeiderswoning voorgesteld.]
Dat is paradoxaal, omdat “de jaren dertig” in de geschiedenis van de metropool toch maar een klein deel vormt, én omdat die periode bekend staat om de zware economische crisis. Maar misschien is de voorraad “1930” ook het gevolg van het feit dat er nadien (WO 2 en de jaren erna) weinig financiële middelen waren om ze te vernielen. [Vanaf de jaren ’70 werden die huizen de facto beschermd door de lage dichtheden (coefficient d’occupation des sols, of COS) die in het Plan d’occupation des sols, of POS werden ingeschreven.]
Van het interbellum kan ik weinig meer melden dan dat de agglomeratie zich flink aandikte, dat de militaire omwalling van Lille en de forten in 1919 werden gedeclasseerd, en dat enkele boeiende sociale woningbouwprojecten werden uitgevoerd : le Nouveau Roubaix (584 appartementen en 191 huizen), les 400 maisons in Lille, la Cité Délivrance (835 woningen plus collectieve voorzieningen) voor de cheminots naast het gelijknamige rangeerstation in Lomme. [Net als in andere steden werd de gedeclasseerde omwalling in de daaropvolgende eeuw of langer een speelterrein voor ringwegen, sportterreinen, sociale woningcomplexen, openbare voorzieningen (expo-hallen), etc. Sommige stukken zijn in nauwelijks meer dan een eeuw al aan hun derde invulling toe, nadat de twee vorige zijn afgebroken.]

In feite kan je het in het stedelijk landschap van de metropool duidelijk zien : tot de jaren ’50 en ’60 zie je soms prachtige private woningen en wooncomplexen, ook in Roubaix. Maar van de jaren ’70 en ’80 zie je alleen sociale woningcomplexen, vaak van lage kwaliteit (inplanting, architectuur, bouwkwaliteit). Dat heeft deels te maken met de bouw van de nieuwe stad Villeneuve d’Ascq, die een groot aandeel van bouw-inspanning naar zich getrokken heeft, maar ook en vooral met de economische achteruitgang. [En met de verminderde aandacht voor de kwaliteit van de volkswoningbouw, allicht.]

Die economische achteruitgang viel niet meteen op. Het interbellum en de eerste decennia na de Tweede wereldoorlog waren ook de periode waarin een deel van het textielkapitaal in de distributiesector werd geïnvesteerd. In 1922 begon La Redoute met de postorderverkoop Vente par correspondance (VPC) van wol. In 1932 werd Les Trois Suisses opgericht (de fabriek stond naast een café in Tourcoing dat door de heer Suys en zijn drie dochters werd gerund, zegt de overlevering), Vert Baudet en Saint-Maclou dateren van 1963. [Vert Baudet, maar ook Blanchemaille, Brunpain, Noirbonnet, Rougeporte, Neuville… in de Noord-Franse grammatica staat het adjectief vaak vooraan]. Twee jaar eerder, in 1961 had Gérard Mulliez, telg van de Phildar-familie (breiwol – fil d’art) zijn eerste supermarkt Auchan in de wijk Les Hauts Champs (Roubaix, Hem) geopend.[Talrijke bedrijven zijn vernoemd naar de wijk of de straat waar hun eerste of belangrijkste atelier gevestigd was. La Redoute startte in de rue de La Redoute, Saint-Maclou is de patroonheilige van Wattrelos…] De familiale groep Mulliez zou uitgroeien tot een conglomeraat van zelf opgerichte of overgekochte distributiebedrijven (Decathlon, Norauto, Flunch, Kiabi, Leroy-Merlin…).
In 1957 was La Lainière de Roubaix een fabriek met 7800 werknemers op de grens van Roubaix en Wattrelos, voldoende toonaangevend om bezoek te krijgen van de Engelse koningin Elisabeth II in 1957 en van de Sovjet-Russische leider Chroesjtsjov in 1960. In 1973 was het bedrijf uitgegroeid tot een holding (textiel, kleding, media), die vanaf 1977 in zwaar weer zou komen, waarbij in de jaren ’80 meerdere zware ontslaggolven zouden volgen. De fabriek sloot in 2000, er waren nog 200 werknemers. In 2004 werden de boeken neergelegd.
Deze geschiedenis mag illustratief zijn voor de moeizame omvorming en langzame dood van veel textielfabrieken en -imperia. Meerdere textielbedrijven raakten ook verzeild in speculatieve aankoop- en verkoop-operaties waarbij ze werden verhandeld niet omwille van industriële maar van financiële strategieën. Een voorbeeld is de noodlijdende groep Boussac, in 1978 verworven door Agache-Willot en in 1981 verkocht aan een jonge makelaar (Bernard Arnault, geboren en getogen in Roubaix) die met (relatief) beperkte eigen financiële middelen maar met steun van de zakenbank Lazard tussen 1982 en ’85 staatssubsidies van 999,9 miljoen francs wist te bekomen op basis van de belofte 12 000 van 16 000 jobs te behouden. Wat hij uiteindelijk niet deed. Hij ontmantelde de groep om de parels te bewaren : vooral Christian Dior Couture en het Parijse grootwarenhuis Au Bon Marché, de eerste stappen naar het luxe-imperium LVMH.

De Métropole Européenne de Lille is niet de enige textielstad van de regio, Calais en Caudry zijn dat ook (voor kant), maar het industrieel profiel van Noord-Frankrijk is voor de rest vooral zware industrie : steenkool en staal. Ook die industrie heeft een zeer zware crisis doorstaan. In 1990 werd in Oignies (halverwege Lille en Douai) de laatste steenkool van Nord-Pas de Calais naar boven gehaald (vergelijk : Heerlen in 1974; Farciennes, de laatste Waalse mijn, in 1984; Zolder in 1992). De staalindustrie, die vanaf de jaren 1960, net als elders in Europa in moeilijkheden kwam, werd van het binnenland (Valenciennes, Denain, Maubeuge, maar ook Lotharingen) naar de kuststreek (Duinkerke) overgebracht (vergelijk : Zelzate). De nationale (en later ook regionale) overheid is wel vaker en dirigistisch opgetreden in de (grootschalige) zware industrie, onder meer door de steun aan en begeleiding van projecten in de automobielsector (Douai, Valenciennes…) (vergelijk : Ford Genk).

Tijdens de Tweede wereldoorlog werd Lille door het Duitse leger bezet van 31 mei 1940 tot 4 september 1944. [Na de bevrijding zouden de geallieerden zeer snel door België oprukken, om halt te houden aan het Albertkanaal.] Samen met de departementen Nord en Pas de Calais werd Lille tijdens de Duitse bezetting vanuit Brussel militair bestuurd. De materiële schade van de oorlog was eerder beperkt : weliswaar zware Britse bombardementen op het rangeerstation Lomme-Délivrance in april 1944, waarbij sommige bommen meerdere kilometers buiten het station zware schade aanrichtten. Steden als Maubeuge, Béthune en Duinkerke werden echter veel zwaarder getroffen. Duinkerke zou overigens zowel in 1940 als in 1945 een belangrijke rol spelen : de slag om Duinkerke met de Britse evacuatie is bekend; minder geweten is dat de stad pas op 9 mei 1945 zou worden bevrijd (de dag na de Duitse overgave in Berlijn). Een dramatisch oorlogsfeit is ook het bloedbad van Ascq op 1 april 1944, toen in een Duitse vergeldingsactie (na een aanslag op een militair konvooi in het station van Ascq) 86 burgers werden vermoord (en anderen mishandeld). Ter herinnering aan deze feiten is de nieuwe stad Lille-Est, die eerst Villeneuve-en-Flandre zou heten, Villeneuve d’Ascq gedoopt.

5. de na-oorlogse periode, tot vandaag

Van de na-oorlogse periode, inmiddels 80 jaar, kan op politiek en administratief vlak heel veel worden gezegd — of is me bekend. Misschien dat een chronologisch overzicht, ook met bekend geachte dingen, hier nuttig is.

  • 1947 : De geograaf Jean-François Gravier publiceert “Paris et le désert français” dat gedurende meerdere decennia de motivatie vormt voor de Franse Politique d’Aménagement du Territoire met nationale plannen die door het nationale ambtelijke apparaat in regionale acties worden vertaald.
  • 1954 : Start van de eerste opération de résorption de l’habitat insalubre (RHI) van Roubaix in de rue des Longues Haies (bekend van de roman “Quand les sirènes se taisent” van Maxence Van der Meersch). In 1958 wordt voor de verworven gronden, ook in aanliggende straten, de Zône d’aménagement concerté (ZAC) Édouard Anseele gecreëerd : bouw van sociale woningen in torens en strips, een school en een winkelcentrum Roubaix 2000… dat in 1994 zal sluiten om plaats te ruimen voor een Factory Outlet Center Mac Arthur Glen.
  • 1954 : autoweg Lille-Arras (in 1967 voltooid tot Parijs).
  • 1956 : Voor haar regionaal beleid creëert de Franse staat een aantal régions, waaronder Nord-Pas de Calais.
  • 1959 : Start van een Opération de rénovation urbaine (allicht ook met RHI en ZAC-procedures) in de oudste wijk van Lille, die vanaf de 13de eeuw werd bebouwd, en even oud was als wat nu als le Vieux-Lille bekend staat (zie verder: 1967, secteur sauvegardé) : 19 hectare, 745 gebouwen met 2257 woningen en enkele honderden bedrijfslokalen worden afgebroken om plaats te maken voor nieuwe straten en moderne woongebouwen. Eerder was daar ook het nieuwe stadhuis met belfort gebouwd (1924-1932, architect Émile Dubuisson).
  • 1961 : Beslissing een nieuwe universiteit Cité scientifique buiten de stad te bouwen, binnen het gebied dat later de nieuwe stad Villeneuve d’Ascq zal worden. [Vanaf de jaren 1990 zal de universiteit, met behoud van haar twee campussen in Villeneuve d’Ascq, deels terugkeren naar stedelijke omgevingen, en meteen ook naar Roubaix en Tourcoing.]
  • 1962-1968 : Meer dan 24 000 Portugezen, Noord-Afrikanen, Italianen, Spanjaarden installeren zich in (vooral het noorden van) de metropool. Zij vervangen de tanende grensarbeid uit België. [De metropool heeft ook een belangrijke bevolking van Poolse origine, maar dat zijn vooral nakomelingen van de Poolse arbeiders of families die in het interbellum naar de mijnstreek trokken.]
  • 1963 : De Délégation à l’aménagement du territoire et à l’action régionale (DATAR) identificeert acht métropoles d’équilibre, waaronder Lille-Roubaix-Tourcoing. Als men bedenkt dat een van die acht Lyon-Saint-Étienne-Grenoble was (dus véél uitgestrekter), is het vreemd dat de Noord-Franse metropool het zonder Lens, Douai en Béthune moet stellen. De vraag naar de verhouding tussen Lille en het mijnbekken zal zich in de volgende decennia regelmatig stellen, zonder terdege te worden beantwoord.
  • 1964-1974 : Zône d’urbanisation prioritaire (ZUP) du Nouveau Mons in de randgemeente Mons-en-Barœul. In ongeveer een decennia worden 5700 woningen gebouwd in wat feitelijk een nieuwe stad is naar het model van de Parijse banlieues, maar zo niet wordt genoemd. In zeven jaar tijd (1968-1975) verdubbelt de gemeentelijke bevolking van 14 000 tot 28 000.
  • 1966 : De Franse staat creëert vijf OREAM (Organismes d’études d’aménagement des Aires Métropolitaines), waarvan een voor Lille-Roubaix-Tourcoing. Al snel wordt beslist de hele regio Nord-Pas de Calais (dus mét het mijnbekken) als onderzoeksterrein te nemen.
  • 1966 : De wet van 31 december creëert vier Communautés urbaines : Lille, Lyon, Bordeaux en Straatsburg.
  • 1967 : De Franse staat creëert in een deel van de (zwaar vervallen) oude stad van Lille (le Vieux Lille) een secteur sauvegardé (58 hectare). Fiscale gunstmaatregelen en reglementaire voorschriften stimuleren het herstel, dat rijmt met toeristisch succes en gentrificatie van de woningen en het winkelaanbod. [Dit is het noordelijk deel van de oude stad; het zuidelijk deel was met de grond gelijk gemaakt. Zie 1959.]
  • 1967 :  De Handels- en nijverheidskamers van Lille, Roubaix en Tourcoing (Chambres de commerce et d’industrie) fuseren tot de CCI Lille-Roubaix-Tourcoing. [Franse handels- en nijverheidskamers hebben een openbaar statuut en fiscale inkomsten.] Als compensatie voor de locatie in Lille wordt op de grens van Roubaix en Tourcoing een modern kantoorgebouw gebouwd, het Centre Mercure. Enkele decennia later wordt het gebouw het vertrekpunt van een groot stadsvernieuwingsproject (in feite : stads-heropbouwproject op verlaten bedrijfsgronden) : l’Union (ongeveer 80 hectare).
  • 1967 : Loi d’orientation foncière, De stedenbouwwet creëert onder meer de strategische Schémas directeurs d’aménagement et d’urbanisme (SDAU), de bodembestemmende Plans d’occupation des sols (POS) en de uitvoeringsgerichte Zônes d’aménagement concerté (ZAC) ter vervanging van de Zônes à urbaniser en priorité (ZUP) die de Franse staat vanaf 1959 de mogelijkheid hadden gegeven grote nieuwbouwwijken te realiseren — nog steeds bekend als ZUP. Aanvankelijk zijn de ZAC net als ZUP afwijkende procedures (dérogatoires). Vanaf 1976 zijn ze onderworpen aan het SDAU en het POS.
  • 1968 : Oprichting van het Parc naturel régional Scarpe-Escaut, het eerste regionaal natuurpark van Frankrijk, 485 km2 tussen Lille en Valenciennes (nu onderdeel van het grensoverschrijdende Parc naturel européen Plaines Scarpe-Escaut). De regio Nord-Pas de Calais zal later drie regionale parken tellen.
  • 1969 : De Franse staat creëert het Établissement public d’aménagement de Lille-Est (EPALE) voor de bouw van een nieuwe stad die later Villeneuve d’Ascq zal worden. Het werkgebied bedraagt 3500 hectare. Na vorming van een nieuwe (fusie)gemeente en voltooiing van de projecten wordt l’EPALE opgeheven in 1983. De Communauté urbaine slaagt erin samen met het personeel een aanzienlijke voorraad nog niet bebouwde gronden over te nemen.
  • 1969 : Stichting van ORSUCOMN : Organisme Régional pour la Suppression des Courées de la Métropole Nord.
  • 1969 (of 1970) : Eerste Schéma directeur d’aménagement et d’urbanisme (SDAU) de la métropole, goedgekeurd in 1973. Dit schema is gebaseerd op zeer optimistische of ambitieuse vooruitzichten op economisch en demografisch vlak (twee miljoen inwoners in het jaar 2000), en tekent een stedelijke ontwikkelingsas van zuidwest naar noordoost. Dertig jaar lang zal het schema een te groot hemd zijn voor plannen en projecten.
  • 1971: OREAM-Nord publiceert “Aménagement d’une région urbaine, le Nord-Pas de Calais”. De (in beleidsmiddens) breed gedragen strategie beklemtoont de verwantschap met België (Vlaanderen en Wallonië).
  • 1972 : De Franse regering creëert Établissements Publics Régionaux (EPR). Eén van die EPR is Nord-Pas de Calais. Een EPR beschikt over een beperkt budget om voorzieningen van regionaal belang te financieren. In de raad van het EPR zetelen volksvertegenwoordigers en een gelijkaardig aantal leden vertegenwoordigers van de Departementen en van de belangrijkste steden.
  • 1972 : autowegen naar Duinkerke, Gent (“E3”) en Doornik (“autoroute de Wallonie”). Een volwaardige verbinding tussen de autowegen naar Gent en naar Parijs ontstaat pas in 1999. Ze loopt door de stad, enkele honderden woningen worden gesloopt.
  • 1975 : Eerste bodembestemmingsplan van de Communauté urbaine de Lille: het Plan d’occupation des Sols (POS). Het intergemeentelijk karakter is ambivalent : het is één POS voor 86 gemeenten, door de Communauté urbaine opgesteld en (onder controle van de Staat) goedgekeurd, maar dat plan wordt wel per gemeente “afgedrukt” en vaak ook per gemeente onderhandeld. Zelfs de ambtenaren van de Communauté urbaine spreken over “le POS de (la commune de)”.
  • 1976 : Op basis van het OREAM-Nord rapport publiceert het EPR Nord-Pas de Calais zijn Plan régional. Het is als vloeken in de kerk van een Franse regio die de desindustrialisatie en de nakende verpaupering bekampt. “Culturele ontwikkeling is geen luxe, het is niet wat na economische ontwikkeling komt, en evenmin het ultieme stadium van sociale rechtvaardigheid” staat in het plan. Niet alleen cultuur, maar ook landschap en natuur, toerisme, wetenschappelijk onderzoek en hoger onderwijs, internationale relaties en bereikbaarheid (per spoor) moeten de ambities zijn. Ze zullen het nationale beleid in de regio en het regionale en stedelijke beleid decennialang inspireren.
  • 1976 : Oprichting van het Orchestre national de Lille.
  • 1978 : Na jaren van conflict tussen overheden en bewoners wordt in Roubaix de wijk Alma-Gare gebouwd. Dit ijkpunt in de stedelijke geschiedenis van Europa zal slecht verouderen en wordt, na meerdere gedeeltelijke aanpassingen in het kader van het Nouveau programme de rénovation urbaine (NPRU) in de jaren 2020 grondig verbouwd.
  • 1979 : De industrieel en kunstliefhebber Jean Masurel schenkt zijn kunstcollectie, en die van Roger Dutilleul, die hij geërfd heeft, aan de Communauté urbaine de Lille met de voorwaarde dat een museum voor moderne kunst wordt gebouwd (wat in feite niet haar bevoegdheid was). In 1983 opent in Villeneuve d’Ascq het Musée d’art moderne dat later nog andere collecties zal erven (bv. art brut) en worden vergroot tot het huidige Lille Métropole Musée d’Art moderne, d’Art contemporain et d’Art brut (LaM).
  • 1981 : La Filature in de wijk Moulins is het eerste significante project in de metropool waarbij een traditioneel verlaten fabrieksgebouw (een château de l’industrie: baksteen en gietijzer, gestapelde ateliers, een belfort) een andere functie krijgt, in dit geval woningen, winkels, een theater. Een ontelbaar aantal andere fabrieksgebouwen zal volgen.
    De wetten van 1982, 1983 en 1986 hervormen de Établissements Publics Régionaux (EPR) tot volwaardige regionale overheden met eigen (uitvoerende) bevoegdheden, eigen middelen en een eigen administratie.
  • 1982 : Les lois de décentralisation. De regering Mauroy, met Gaston Defferre (burgemeester van Marseille) als minister van binnenlandse zaken, organiseert belangrijke uitvoerende bevoegdheidsoverdrachten van de Staat naar de regio’s (zie hoger), de departementen en de gemeenten. Met name op het vlak van de ruimtelijke ordening en stedenbouw krijgen de gemeenten veel ruimere bevoegdheden. In de daarop volgende jaren worden de nationale administraties beperkt, maar worden aan de geëmancipeerde lagere overheden ook nieuwe eisen en voorwaarden gesteld.
  • 1982 : Motte-Bossut, één van de belangrijkste textielbedrijven van Roubaix, gesticht in 1843, legt de boeken neer. Van 1985 tot 1993 wordt la filature monstre in het centrum van de stad omgebouwd tot o.m. het Centre des archives du monde du travail.
  • 1983 : Ingebruikname, tussen Villeneuve d’Ascq en Lille, van de VAL, de eerste volautomatische metro ter wereld, naar een ontwerp van professor Robert Gabillard.
  • 1986 : Ondertekening, in het stadhuis van Lille, van het Frans-Brits akkoord voor de bouw van de Kanaaltunnel.1989 : Pierre Mauroy, burgemeester van Lille, voormalig Eerste minister (1981-1984), voormalig voorzitter van de Regionale raad Nord-Pas de Calais (1974-1981), volksvertegenwoordig, voorzitter (premier secrétaire) van de Parti socialiste, wordt verkozen tot voorzitter van de raad van de Communauté urbaine de Lille, wat hij tot begin 2008 blijft. Mede door zijn invloed in politieke, economische en culturele middens in de metropool, de regio en daarbuiten heeft hij alle kaarten in handen om zijn project voor de metropool uit te voeren. Rond het toekomstige internationale station Lille Europe start hij het project Euralille (eerst een zakenwijk, later veel meer). [In 1990 wordt een ad hoc Société d’aménagement d’économie mixte Euralille opgericht. Rem Koolhaas was al in 1988 als stedenbouwkundig ontwerper aangesteld.] Hij creëert een Agence de développement et d’urbanisme, dat met een nieuw Schéma directeur een nieuwe ontwikkelingsstrategie zal opstellen. Hij initieert grensoverschrijdende en internationale samenwerking. Hij creëert een Syndicat mixte de l’espace naturel dat met name het Parc de la Deûle gaat realiseren.
  • 1990 : De werkloosheidsgraad in het arrondissement Lille bedraagt ongeveer 13%. In 1975 bedroeg die nog 3,8%. [In 2025 is hij gedaald tot 8,5%. Jaar in, jaar uit is de werkloosheidsgraad 1 tot 2% hoger dan het nationale gemiddelde.]
  • 1991 : Oprichting van de Grensoverschrijdende Permanente Konferentie van Intercommunales (GPKI, na de spellingshervorming GPCI, beter bekend als COPIT). De Conférence permanente intercommunale transfrontalière is een overlegplatform tussen de intercommunales rond Lille, Doornik, Moeskroen, Kortrijk en Ieper (later ook Roeselare). Het overlegplatform zal geleidelijk evolueren tot een vereniging en zal van 1998 tot 2001 werken aan een grensoverschrijdende strategie voor de metropool: het project Grootstad (GRensoverschrijdend Ontwikkelings- en Ordeningsschema, via Terra, Schéma Transfrontalier d’Aménagement et de Développement — Terra was een Europees programma voor innovatieve projecten).
  • 1993 : Opening van de Europese binnengrenzen.
  • 1993 : TGV Lille-Parijs in één uur.
  • 1994 : Opening van het nieuwe station Lille-Europe, van het koopcentrum Euralille en van de Kanaaltunnel.
  • 1995-1997 : Lille is één van de tien kandidaat-gaststeden voor de Olympische zomerspelen van 2004, maar haalt de shortlist van vijf steden niet. In een Franse voorronde had Lille de kandidatuur van Lyon verslagen, wat in Lille als een groot succes wordt gezien.
  • 1997 : Opening van de internationale post-graduate school voor audiovisuele en digitale kunst Le Fresnoy in Tourcoing. Bernard Tschumi (bekend van het Parc de la Villette in Parijs) ontwierp de school, vertrekkend van een oude dancing en feestzaal. In de omgeving van de kunstschool heeft de MEL een competentiecluster Plaine images, nu Euracreative ontwikkeld.
  • 1997 : Heropening, na vernieuwing en uitbreiding, van het museum Palais des Beaux-Arts in Lille. Tot de meesterwerken behoort onder meer een Kruisafneming van Rubens. Aan de overbrenging van vijftien plans-reliefs van versterkte steden is veel politiek getouwtrek voorafgegaan.
  • 1997 : Het Syndicat mixte du Schéma directeur (een structuur ad hoc, met onder andere Lille Métropole) keurt het nieuwe Schéma directeur goed, waaraan sinds 1991 is gewerkt en dat het schema van 1973 moet vervangen. Stadsvernieuwing (onder het vaandel la ville renouvelée) en beperking van het ruimtegebruik zijn de belangrijkste streefdoelen, waarvoor een ruimteboekhouding wordt opgezet. [Met la ville renouvelée wil de metropool zich inspireren op la ville nouvelle, echter zonder aansturing vanuit de Staat.] De reconversie van vervuilde friches industrielles (brownfields) is een van de belangrijkste hefbomen. Het nieuwe schema bevat ook een Frans-Belgische grote ring, waaronder een “barreau Sud” die de autowegen naar Duinkerke, naar Parijs en naar Doornik met elkaar verbindt en door de waterwinningsgronden ten zuiden van Lille gaat. Via overleg op diverse niveaus wordt ook geijverd voor de voltooiing van de autoweg tussen Doornik en Kortrijk en voor een gelijkwaardige verbinding van Kortrijk (of Menen) naar Komen-Comines en Armentières (op Belgisch grondgebied de destijds beroemde N58).
  • 2000 : De administratieve rechtbank vernietigt het in 1997 goedgekeurde Schéma directeur, nadat Nord-Nature, een federatie van natuurbeschermingsverenigingen daarop had aangedrongen. De zuidelijke ringweg door de waterwinningsgebieden, die in het schema als essentieel wordt omgeschreven om de bereikbaarheid te verzekeren, motiveert de beslissing. De volledige procedure wordt hernomen, zonder zuidelijke ringweg, om op de valreep in december 2002 te worden voltooid. [In zekere zin was het Schéma directeur van 1997 het slachtoffer van zijn argumentatie. Zonder die argumentatie had de rechtbank zich immers kunnen beperken tot het schrappen van de zuidelijke ringweg.] [Een amendement op de nieuwe wet stedenbouw Solidarité et renouvellement urbain (SRU) van december 2000 creëerde de mogelijkheid om lopende procedures voor het opmaken van een Schéma directeur voort te zetten tot 31 december 2002.]
  • 2000 : Goedkeuring van de Loi relative à la solidarité et au renouvellement urbains, die de wetgeving inzake huisvesting en ruimtelijke ordening grondig wijzigt met het oog op de bestrijding van de sociale segregatie. De bestaande planningsinstrumenten en hun procedures worden door nieuwe vervangen, en bevatten voortaan een politiek projet (projet d’aménagement et de développement durable, PADD) en het inmiddels bekende artikel 55 stelt minimumnormen voor het aandeel sociale woningen in de gemeente. De wet reikt ook beleidsinstrumenten aan om dat aandeel te realiseren.
  • 2001 : Opening van La Piscine, musée d’art et d’industrie André Diligent in Roubaix. Architect Jean-Paul Philippon, bekend van het Musée d’Orsay in Parijs, ontwierp de verbouwing en uitbreiding van het art-déco zwembad, in 1927 ontworpen door Albert Baert.
  • 2002 : Johan Museeuw wint de honderdste editie van Paris-Roubaix. Het is zijn derde overwinning. Tom Boonen is derde. [In latere edities zal Boonen, naast Roger De Vlaeminck, met vier overwinningen recordhouder worden.] Het Belgisch en vooral Vlaams publiek is elk jaar zeer talrijk aanwezig langs de Noord-Franse kasseistroken van l’Enfer du Nord. [Het is pas vanaf de jaren ’60, toen overal de wegen geasfalteerd werden, dat de organisatoren specifiek op zoek gingen naar kasseistroken en dat de koers om haar moeilijkheidsgraad bekendheid verwierf.] Sommigen begrijpen niet dat een regio zichzelf promoot met kasseien, zweet, slijk en regen. Het département Nord onderhoudt de kasseien. De regio Hauts de France ijvert in 2025 voor de klassering als historisch monument van een vijftigtal kasseistroken en van de velodroom van Roubaix.
  • 2004 : Lille is capitale européenne de la culture — culturele hoofdstad van Europa (let op de omwisseling van de adjectieven). Heel de metropool, ook grensoverschrijdend, en de regio worden meegetrokken in het avontuur.
  • 2004 : In uitvoering van de wet SRU (Solidarité et renouvellement urbains, 2000) keurt de raad van Lille Métropole Communauté urbaine het Plan local d’urbanisme goed dat het Plan d’occupation des sols vervangt. In de wandelgangen wordt dit eerste PLU het PLU 2004 genoemd. In 2019 en 2024 volgen een PLU2 en een PLU3.
  • 2004 : De Franse regering beslist dat het tweede Louvre in Lens zal worden gebouwd (er waren zes kandidaten). De regio Nord-Pas de Calais wordt (met steun van departement en agglomeratie Lens-Liévin) de trekker van het project. Het museum wordt in 2012 geopend. Enkele jaren later wordt in Liévin, in de directe omgeving, ook een besloten dépot gebouwd, dat de Parijse kelders moet vervangen en de kunstwerken tegen overstromingen beschermen.
  • 2007 : De Handels- en nijverheidskamers van Lille Métropole, Armentières-Hazebrouck, Douai en Saint-Omer fuseren tot de CCI Grand Lille. De initiatiefnemers zijn er niet in geslaagd de handelskamer van Lens en Arras (CCI de l’Artois) mee in de boot te nemen.
  • 2007 : oprichting van de Eurometropool Lille-Kortrijk-Tournai, een Europese groepering voor Territoriale samenwerking (EGTS-GECT); deze publieke structuur verenigt: de Franse en de Belgische staat, het Vlaamse en het Waalse gewest en de Communauté française de Belgique, de provincies Henegouwen en West-Vlaanderen, de regio Nord-Pas de Calais (nu Hauts-de-France), het departement Nord, Lille Métropole Communauté urbaine (nu Métropole européenne de Lille), en de intercommunales IDETA, IEG, Leiedal en wvi (in naam van de gemeenten). De vereniging GPCI wordt opgeheven. [Sinds 2001 bestaat er ook een ruimere overlegstructuur Aire métropolitain de Lille (AML) die behalve het werkgebied van de Eurometropool ook de intercommunales omvat rond Valenciennes, Douai, Cambrai, Maubeuge, Lens, Béthune en Arras (samen 3,8 miljoen inwoners), en in 2007 de vorm van een vereniging krijgt. De meest evidente partner, Duinkerke, ontbreekt in het rijtje. Het is niet duidelijk welke activiteiten de vereniging AML vandaag nog ontwikkelt.]
  • 2008 : Met meer dan twintig miljoen toeschouwers wordt de film “Bienvenue chez les Ch’tis” van Dany Boon in Frankrijk de meest bekeken Franse film aller tijden. Zou zelfspot de hoogste vorm van herwonnen trots zijn? In België zijn er meer dan een miljoen toeschouwers.
  • 2008 :  Het Syndicat mixte du Schéma de cohérence territoriale (SCOT, de opvolger van het Schéma directeur) start de opmaak van een SCOT. De werkzaamheden willen niet vlotten en omdat een van de betrokken intercommunales (de Communauté de communes du Pays de Pévèle) in 2014 met vier andere intercommunales wordt samengevoegd (en dus de perimeter wordt verruimd) moet heel de procedure in 2014 worden herstart. Het SCOT wordt in 2017 goedgekeurd. De beperking van de consumptie van landbouwgrond is het belangrijkste aandachtspunt. Daartoe (en om redenen van mobiliteit, kwaliteit, etc.) wordt de dichtheid van de bouwprojecten gestuurd, naar het voorbeeld van het ville intense beleid dat de metropool vanaf 2009 heeft opgezet. Daarmee is de omkering van de stedenbouwkundige kwaliteitseisen compleet, van maximumwaarden (in het POS) naar minimumwaarden in SCOT en PLU als het om bebouwingsdichtheid gaat.
  • 2012 : Het Noord-Franse mijnbekken (Bassin minier Nord-Pas de Calais) wordt door de Unesco erkend als werelderfgoed : 109 sites met 353 elementen en 28000 woningen op 4000 hectare.
  • 2012 : Ingebruikneming van het stade Pierre Mauroy, meer dan 50 000 zitplaatsen, moduleerbaar, schuifdak en mobiel speelterrein. Bouwheer en eigenaar (tot 2043) Eiffage. Architecten Pierre Ferret, en Valode et Pistre.
  • 2015 : In uitvoering van de wet MAPTAM (Loi de modernisation de l’action publique territoriale et d’affirmation des métropoles) wordt de Communauté urbaine omgevormd tot Métropole Européenne de Lille, met ruimere bevoegdheden.
  • 2016 : De regio’s Nord-Pas de Calais en Picardië worden samengevoegd tot één regio met Lille als hoofdstad, die enige tijd later de merkwaardige naam Hauts-de-France zal aannemen. Ook politiek is er een volledige omslag : de socialisten verliezen hun meerderheid ten gunste van rechts. Door een speling van de kiesregels verdwijnen ze zelfs uit de regionale raad : om het Rassemblement national de toegang tot de macht te beletten trekken ze zich terug bij de tweede ronde van de verkiezingen. Pas in 2021 komen ze, samen met andere linkse partijen, in beperkt aantal (28 op 170) in de regionale raad terug.
  • 2017 : Integratie van vijf gemeenten in de MEL
  • 2019 : Goedkeuring van het PLU2 (Plan local d’urbanisme, tweede uitgave) door de raad van de Métropole européenne de Lille. Deze stap is radicaler dan die van het laatste POS naar het eerste PLU.
  • 2020 : Integratie van vijf gemeenten in de MEL.
  • 2022 : De Métropole européenne de Lille blijft een zwakke demografische groei hebben. Met (gecorrigeerde) constante perimeter stijgt de bevolking van 1 010 098 in 1968 tot 1 194 040 in 2022. hetzij een toename van 18% in 54 jaar, te vergelijken met 32% voor Frankrijk. De metropool heeft een natuurlijk overschot en een negatief migratie-saldo. De metropool trekt jongeren aan (studenten), maar verliest beroepsactieven en hun kinderen, en ook bejaarden. Ze heeft nog altijd minder gediplomeerden dan vergelijkbare metropolen. Vooral in Roubaix en Tourcoing is de scholingsgraad laag.
  • 2024 : Goedkeuring van het PLU3 (Plan local d’urbanisme, derde uitgave) door de raad van de Métropole européenne de Lille. Meteen wordt gestart met (beperkte) wijzigingsprocedures: PLU 3.1 (goedgekeurd in oktober 2025). In feite leeft de metropool in een permanente ruimtelijke planning. Behalve de ruimtelijke plannen (SCOT en PLU) zijn er ook mobiliteitsplannen, huisvestingsprogramma’s (Programme local de l’habitat), klimaatplannen, schéma directeur des infrastructures de transport, etc.

 

 

6. cijfers

6.1 inwoners

  • 1 200 000 inwoners
  • zwakke bevolkingsgroei, + 0,26% per jaar, ondanks positief natuurlijk saldo (0,7%), want negatief migratie-saldo, – 0,5% per jaar, vooral 30-plussers
  • veroudering, maar MEL blijft een relatief jonge metropool (42% jonger dan 30 jaar)
  • momenteel veeleer stabiel in Roubaix en Tourcoing, dalend in Lille en Villeneuve d’Ascq
  • gezinsverdunning, van 2,31 naar 2,25 personen/gezin in 5 jaar; (bij constante bevolking geeft dat +0,5 % gezinnen per jaar); deze gezinsverdunning zal nog doorzetten
  • totale toename gezinnen 0,8% per jaar

6.2 oppervlakte en bodemgebruik

  • 67 500 ha (afbeelding 7)
    • 45,9 % landbouw
      • ong. 37 % akkers
      • ong. 9 % weiden
    • 3,7 % (semi-)natuurlijk
    • 50,4% “artificialisé”
      • 10 % infrastructuren (10%)
      • 40,4 % verstedelijkt ; verdubbeld sinds 1950
        • plus 331 ha/jaar tussen 1971 en 1983
        • plus 150 ha/jaar tussen 2008 en 2015 (afbeelding 8)
  • 25 % verhard (waterdicht) : gebouwen, wegen
  • 1747 inwoners / km2 (afbeelding 9)
    • gecorrigeerd verstedelijkt gebied : 3 500 inwoners / km2
    • Roubaix 7 400 inwoners / km2
    • plaatselijk, op buurtniveau, dichtheden van 15 000 tot 30 000 inw/km2
  • binnen het verstedelijkt gebied (la tache urbaine) is nog 1914 ha reglementair bebouwbaar (gisement foncier)
    • vooral Lille, Tourcoing, Villeneuve d’Ascq, Wattrelos, Roubaix: 1200 ha friches (brownfields)

6.3 werkgelegenheid en inkomen

  • 528 000 banen
  • in 102 000 “bedrijven ” (in feite établissements, dat is niet hetzelfde als ondernemingen)
  • 73% eenpersoonsbedrijven
  • vooral kleine bedrijven : van bedrijven met werknemers heeft 73% 1 tot 9 werknemers
  • ongeveer 2/3 van bedrijven en van werknemers zijn actief in presentiële economie (= locale consumptie)
  • 9,1% werkloosheid (= 1,3 punt meer dan nationaal); 111 000 werkzoekenden
  • werkzaamheidsgraad = 59,6 % (hebben een baan; t.o.v. referentiebevolking 15-64 jaar) (let op : de werkzoekenden zitten niet in dat cijfer; en het leeftijdsvenster is breed); 5 punten lager dan nationaal cijfer
  • mediaan inkomen enigszins lager dan het Franse gemiddelde, en 10% lager dan in Lyon, Bordeaux, Nantes
  • 19 % van de gezinnen onder de armoededrempel (14% op nationaal niveau ) [armoedegrens is: minder dan 60 % van mediaan inkomen) (afbeelding 10)

6.4 woningen

  • 560 000 woningen
  • 29 % van de woningen is ouder dan 1946
  • 52 % eengezinshuizen en 47 % appartementen (groot aanbod eengezinshuizen is specifiek aan MEL)
  • ongeveer 22 % sociale (of zeer sociale) huurwoningen (afbeelding 11)
    • 60 % van de sociale woningen ligt in 7 gemeenten (Lille, Roubaix, Tourcoing, Hem, Wattrelos, Mons-en-Barœul, Villeneuve d’Ascq)
  • privé-park: ongeveer evenveel huurders als bewoners-eigenaars
    • bijna de helft van de privé huurwoningen ligt in stad Lille (veel alleenstaanden, studenten)
  • relatief hoge huren (in vergelijking tot de inkomens), vooral in stad Lille
  • 39 500 leegstaande woningen, waarvan 8 500 structureel leegstaand (sinds meer dan twee jaar), en zelfs 2 500 sinds meer dan 5 jaar (allerlei redenen)
  • 40 000 privé-woningen zijn “potentiellement indigne” (mogelijk onwaardig)
    behoefte aan 6 200 nieuwe woningen per jaar (waarvan 1/3 vervanging en 2/3 gevolg van demografische ontwikkelingen )
  • jaarlijks worden ongeveer 2 000 sociale huurwoningen geproduceerd ; dit aantal zal verhoogd moeten worden om te beantwoorden aan de afbraak van sociale huurwoningen in de projecten van het Nouveau Programme de Rénovation Urbaine (NPRU)
  • de wet Solidarité et Renouvellement Urbain (SRU) eist in gemeenten van meer dan 3 500 inwoners, in functie van een aantal criteria, 20 of 25% sociale woningen; 28 gemeenten voldoen niet
  • twee derde van de woningzoekers hebben recht op een sociale of een zeer sociale woning
  • in 2020 : 58 000 aanvragen voor sociale woning (waarvan 33 500 nog geen sociale woning hebben)
  • ook 40 % van eigenaars-bewoners hebben een inkomen dat lager is dan een referentie-plafond voor een sociale woning

6.5 modal split (in aantallen, niet in km, alle verplaatsingen, weekdag);

  • bron: enquête ménages-déplacements 2016, waarbij gezinnen naar álle verplaatsingen van álle leden van het gezin van de dag voordien worden gevraagd, conform een op nationaal niveau gestandaardiseerde procedure (volgende enquête: 2026)
    • autobestuurder 44%
    • autopassagier 14%
    • openbaar vervoer 11%
    • fiets 1%
    • te voet 29%
    • andere 1%
      zie ook (afbeelding 12) autobezit

 

7. Code de l’urbanisme

De Franse stedenbouwwetgeving is gecodificeerd : alle wetten en wetswijzigingen worden ingebracht in een Code de l’urbanisme.
Moeilijkheid is wel:

  • dat er een wettelijk en reglementair deel zijn, die naar elkaar verwijzen. [Het wettelijk deel L is de bevoegdheid van het parlement, het reglementair deel R, dat steunt op deel L, en het verder uitwerkt, is de bevoegdheid van de regering.]
  • dat er naast de Code l’urbanisme, ook een Code de la construction et de l’habitation, een Code de l’environnement, een Code des communes, etc. bestaan.

Loi Solidarité et renouvellement urbains (loi SRU)
Schéma de cohérence territoriale (SCOT) en Plan Local d’Urbanisme (PLU)

December is in Frankrijk de maand van de wetten op de stedenbouw en de intergemeentelijke samenwerking, zo lijkt het wel. De wet van 31 december 1966 creëerde de Communautés urbaines, waaronder die van Lille. De wet van 30 december 1967 organiseerde de stedenbouw en de ruimtelijke ordening (Loi d’orientation foncière) en de wet van 13 december 2000 (Loi Solidarité et renouvellement urbains) reorganiseerde die. [In 2013 was men te laat… want de wet MAPTAM is van 27 januari 2014.]

Net zoals in België in 1962 (Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw), stroomlijnde Frankrijk in 1967 de stedenbouwkundige rechten en procedures — wat niet betekent dat er voorheen geen wetten, plannen en procedures bestonden. De wet creëerde, of reorganiseerde het Schéma directeur d’aménagement et d’urbanisme (SDAU), het bodembestemmende Plan d’occupation des sols (POS), het Coefficient d’occupation des sols (COS, een maximum dichtheid), de Taxe Locale d’équipement (TLE) en de Zône d’aménagement concerté (ZAC). Het POS was veelal gemeentelijk, maar de CUDL besliste meteen een intergemeentelijk plan op te maken, weliswaar met gecontextualiseerde richtlijnen, en het SDAU intergemeentelijk, in functie van ruimtelijke dynamieken. Het is overigens nooit de bedoeling geweest heel Frankrijk met dergelijke plannen te bedekken.

De wet van van december 2000 (loi SRU) verving het SDAU (inmiddels SD geworden) door het Schéma de cohérence territoriale (SCOT), en het POS door het Plan local d’urbanisme (PLU), inmiddels vaak intercommunaal geworden (PLUi). Het SCOT en het PLU zijn politieker dan hun voorlopers SD en POS : ze bevatten een Projet d’aménagement et de développement durable (PADD). Belangrijk is ook dat het SCOT de hiërarchie tot talrijke andere plannen en programma’s bepaalt, zowel van hoger als van lager niveau, omtrent klimaat en klimaatadaptatie, mobiliteit, huisvesting, etc.
De wet heeft ook het Plan d’aménagement de Zône (PAZ) afgeschaft, dat voor de Zônes d’aménagement concerté werd gebruikt. De mogelijke inhoud van een PAZ moet in het PLU worden verwerkt. Franse plannen zijn wel veel levender dan hun Vlaamse soortgenoten ; ze worden voortdurend volgens strikte procedures herwerkt.

Veruit het belangrijkste element van de loi SRU is haar artikel 55.
Dit artikel verplicht gemeenten van meer dan 3 500 inwoners (1 500 in Île de France), begrepen in een agglomeratie (50 000 inwoners of meer, waaronder minstens een gemeente van 15 000 inwoners of meer), minstens 20 % sociale huurwoningen te hebben, later verhoogd tot 25 %. Als stok achter de deur is er een boetesysteem voorzien, dat kan ingezet worden als de opvolging door de nationale overheid geen of onvoldoende resultaten oplevert. In de MEL waren er 28 gemeenten die niet beantwoordden aan de verplichting ; 18 daarvan zijn gunstig geëvolueerd (hebben voor sommige zelfs hun doelstelling overschreden) ; 10 gemeenten produceren echter te weinig sociale woningen.

8. Zône d’aménagement concerté (ZAC)

Aanvankelijk (1968) was een Zône d’aménagement concerté (ZAC), net als haar voorganger de Zône à urbaniser en priorité (ZUP) een uitzonderingsprocedure waarmee de Staat, ongehinderd door ruimtelijke plannen, niet-bebouwde gronden kon (laten) inrichten en bebouwen.
De gewijzigde context en wetgeving hebben deze uitzonderingspositie verzwakt. Het zijn veelal lokale besturen (gemeenten en Établissements publics de coopération intercommunale, EPCI) die het initiatief nemen een deel van hun grondgebied (vaker bebouwd dan niet) herin te richten, volgens een project dat in overeenstemming is met het SCOT en het PLU, of waarvoor het PLU eventueel gewijzigd wordt (conform de daarvoor geldende procedures). Die besturen kunnen eigenaar van de gronden zijn, ze kunnen ze aankopen, ze kunnen eventueel onteigenen, maar dat hoeft niet. Een eerste fase is de goedkeuring, na overleg met de bevolking, van een dossier de création, met onder meer de perimeter, het programma, de verantwoording ervan, en de eventuele invoering van een specifieke taxe d’aménagement. In een volgende fase, het dossier de réalisation, wordt een en ander veel verder uitgewerkt, en wordt een begroting opgesteld, die ook als basis dient voor de concessie (concession d’aménagement) die nadien wordt uitbesteed — tenzij de overheid alles in regie zelf uitvoert. Heel vaak, maar niet noodzakelijk, is de concessiehouder een openbaar of semi-openbaar bedrijf (société publique locale of société d’économie mixte). [Het kan ook een privé-bedrijf zijn, dat al dan niet een deel van de gronden bezit.] Openbare voorzieningen, in of buiten de ZAC, bijvoorbeeld de uitbreiding van een school, kunnen via de begroting van de ZAC financieel ondersteund worden, maar daar staan limieten op. Niet alleen juridisch ; in de praktijk (en vooral bij stadsvernieuwing) bestaat de uitdaging er veeleer in voldoende inkomsten te genereren om de begroting in evenwicht te brengen (bv. door vergoeding van de gerealiseerde wegenis en openbare ruimte, die aan de gemeente wordt overgedragen). Er bestaan ook meerdere mogelijkheden om te bepalen wie welke financiële risico’s draagt (de concessie-gevende overheid, of de concessiehouder). Jaarlijks wordt een financieel en inhoudelijk rapport opgemaakt, en ter goedkeuring voorgelegd. De concessie is vaak van kortere duur dan de ZAC, bijvoorbeeld vijf jaar, verlengbaar, terwijl een ZAC tien, twintig jaar kan duren. Een ZAC is een redelijk soepel instrument, dat het mogelijk maakt te reageren op nieuwe uitdagingen en mogelijkheden.

9. La politique de la ville

De politique de la ville omvat een geheel van acties van de Franse Staat met als doel een aantal achtergestelde (“sensible” of “prioritaire” genoemde) stedelijke buurten of wijken op te waarderen en de sociale ongelijkheid tussen buurten terug te dringen. [De invalshoek is dus minder de ongelijkheid tussen mensen, of tussen regio’s, dan tussen buurten of wijken in eenzelfde agglomeratie.]
Een eerste golf van initiatieven werd opgezet in het begin van de jaren ’80 in antwoord op de stedelijke rellen in onder meer Vénissieux (les Minguettes) en Vaulx-en-Velin (Lyon; juli-oktober 1981 — allicht niet geheel toevallig in de buitenwijken van een van de rijkste steden van het land). Het gaat om een geheel van wetgevende, reglementaire en operationele maatregelen op het vlak van sociaal beleid en van stedenbouw, in samenwerking met de lokale overheden en hun partners (huisvestingsmaatschappijen, bedrijven, verenigingen), veelal vastgezet in een contractueel verband. Het beleid beoogt een geïntegreerde aanpak van de problemen op schaal van de behandelde wijken (en zeldzamer op schaal van de agglomeraties) door stedelijke, economische en sociale initiatieven op elkaar af te stemmen.

Vanaf 1984 werd het stedenbeleid geïntegreerd in de nationale plannen en hun uitwerking op regionaal niveau: de Contrats de Plan État-Région. [Door de decentralisatie-wetten van 1983 waren de regio’s politiek “volwassen” geworden.] In totaal 148 overeenkomsten (conventions) werden afgesloten voor 170 buurten. [De erkenning als prioritaire buurt beschouwden sommigen als een tweesnijdend zwaard. Sommige kranten schrokken er immers niet voor terug een overzicht van de buurten te publiceren om hun lezers angst in te boezemen.] Ook in 1991, 1994 en 1999 werden nieuwe generaties overeenkomsten afgesloten (de Grands projets urbains GPU en de Grands projets de ville GPV). Onderwijl werd het stedenbeleid ook politiek en institutioneel verankerd: Conseil National du développement social des quartiers (1988), Ministère de la Ville (1990), Pacte de relance pour la ville (1996), Loi relative à la solidarité et au renouvellement urbains (SRU, 2000). Dit ongeacht de politieke kleur van de regeringen.

In 2003 creëert de wet Loi d’orientation et de programmation pour la ville et la rénovation urbaine het Agence nationale pour la rénovation urbaine (ANRU) en het Programme national de rénovation urbaine (PNRU), dat zich vertaalt in een grote reeks lokale programma’s en projecten. Dit is grosso modo het regime waarin momenteel gewerkt wordt. Na het eerste PNRU (2004-2021) kwam er het nieuwe NPNRU (2014).
[In de praktijk worden termen als PRU en NPRU op verschillende schaalniveaus gebruikt, en verglijdt programme soms tot projet. Gezien de vele jaren die voorbijgaan van aankondiging via voorbereiding en contractualisering tot uitvoering en voltooiing in bovendien zeer uiteenlopende omgevingen, zijn de vermelde datums onzeker.]

Van in het begin was la politique de la ville bedacht als antwoord op de specifieke problemen van de grootschalige stadsuitbreidingswijken, die vaak op slecht gelegen (want slecht bereikbare) plekken grote hoeveelheden woningen in torens en strips bevatten. Al in 1973 had Brigitte Gros, burgemeester van Meulan (35 km ten westen van Parijs), het boek “Les Paradisiennes, la vie des femmes dans la cité” geschreven. [De nieuwe wijk van Meulan heette Le Paradis.] Een eerder boek “Quatre heures de transports par jour” (1970) lag aan de basis van de film “Elle court, elle court la banlieue” (1973). Was de problematiek in het begin van de jaren 70 nog vooral ruimtelijk (gebrek aan transport en voorzieningen in wijken met niet altijd goed afgewerkte woningen en verwaarloosde buitenruimten), dan werd die in de jaren nadien ook sociaal en economisch, met de sterk toenemende werkloosheid en sociaal-culturele achterstelling en segregatie. Ook de (on)veiligheid kwam meer en meer aan bod.
De situatie in de metropool Lille is echter atypisch ten opzichte van dit plaatje: (1) achtergestelde wijken zijn er in vele gevallen oude, vervallen wijken met kleine huizen en (grote) vaak verlaten fabrieken en met complexe eigendomsstructuren; (2) er zijn weliswaar ruimtelijke barrières (spoorwegen, autowegen, fabriekscomplexen), maar die zijn zelden zo sterk als in de stadsuitbreidingswijken in andere agglomeraties. Het instrumentarium waar de Franse Staat mee werkt is in essentie gericht op grootschalige nieuwbouwwijken (les grands ensembles), wat nogal eens problemen geeft als men het wil toepassen in oude wijken, waar veranderingen noodzakelijkerwijs langzamer verlopen en veel meer actoren nodig zijn. Denk aan de talloze private eigenaars. Ook de opportuniteiten van die oude wijken worden niet altijd erkend.

10. Het Nouveau Programme National de Renouvellement Urbain (NPNRU) in de MEL

In 2019 en 2020 heeft de raad van de MEL het NPNRU voor de metropool goedgekeurd: diverse actoren zullen samen 2,4 miljard euro investeren in in totaal 14 sites in de metropool:

  • Lille-Concorde, 3700 inwoners,
  • Lille-Sud, 2200 inwoners,
  • Tourcoing-La Bourgogne, 7000 inwoners,
  • Loos-Les Oliveaux, 7000 inwoners,
  • Mons-Le Nouveau Mons, 9200 inwoners,
  • Hem-Lionderie Trois Baudets, 3300 inwoners,
  • Wattignies-Blanc Riez, 4400 inwoners,
  • Wattrelos-Les Villas, 500 inwoners,
  • Lille-Quartiers Anciens (Wazemmes, Moulins), 24900 inwoners,
  • Lille-Bois Blancs, 1600 inwoners,
  • Roubaix-quartiers de l’Alma, 6800 inwoners,
  • Roubaix, quartier de l’Épeule, 7300 inwoners,
  • Roubaix, quartier du Pile, 6800 inwoners,
  • Roubaix, les Trois Ponts, 3100 inwoners.

De grote verschillen in aantallen inwoners hebben deels te maken met het verschil tussen oude wijken, waar een groot aantal “kleinere” projecten worden uitgevoerd, en zogenaamde grands ensembles. Maar ook in de oude wijken gaat er veel aandacht naar de renovatie (of afbraak) van “relatief recente” realisaties.

In totaal:

  • afbraak van 4138 sociale huurwoningen,
  • bouw van 4184 woningen (diversificatie van woningaanbod en van de bevolkingssamenstelling),
  • verbetering van 4012 woningen,
  • residentialisering van 4975 woningen (résidentialisation heeft vooral aandacht voor de kwaliteit van de gemeenschappelijke buitenruimten, die vaak geprivatiseerd en vergroend worden),
  • aanpak oude huizen (Lille en Roubaix),
  • bouw of renovatie van 32 buurtvoorzieningen,
  • bedrijfs- en dienstenruimtes,
  • vernieuwing openbare ruimte,
  • herhuisvesting van ongeveer 6000 gezinnen (omwille van afbraak of grondige vernieuwing van hun woningen).

Ongeveer 42% wordt gefinancierd door de sociale huisvestingsmaatschappijen, 20% door het Agence nationale de rénovation urbaine (ANRU), 17% door de MEL, 8% door de gemeenten, 3% door de regio en 10% door andere partners.
De bouwkosten voor vervangende sociale woningen in andere wijken en gemeenten zijn niet meegerekend.

Voorbeeld: le Nouveau Mons
Le Nouveau Mons is een grand ensemble, gebouwd in de periode 1964-1974 volgens de procedure van de Zone d’urbanisation prioritaire (ZUP) naar een stedenbouwkundig plan van architect Henri Chomette. Op een landelijke site naast een randstedelijk dorp (Mons-en-Barœul) werden ongeveer 6000 woningen en een aantal voorzieningen gebouwd. In de nabijheid kwam er ook een bedrijvenpark. De gemeentelijke bevolking (die al vóór de ZUP aan de hand van kleinere projecten was beginnen groeien) verdrievoudigde in dertig jaar tijd. Le Nouveau Mons is echter een atypische ZUP, omdat ze centraal in de agglomeratie ligt en daardoor ook goed ontsloten is (vanaf 1995 ook met de metro), in de nabijheid van meerdere werkgelegenheidsgebieden ligt (Pilaterie, Villeneuve d’Ascq…), en zelf het centrum van de gemeente (nu 22.000 inwoners) geworden is.
Het NPRU van le Nouveau Mons is de tweede, voltooiende fase van een eerste PRU dat in 2004 werd opgestart. Dit NPRU (of PRU 2) betreft:

  • afbraak van 358 woningen,
  • verbetering van 593 woningen in 11 woongebouwen (résidences),
  • residentialisering van 266 woningen in 4 woongebouwen,
  • diversificatie van het woonaanbod met 397 nieuwe woningen,
  • aanpak van het (grote) mede-eigenaarsgebouw “Europe” (560 mede-eigenaars),
  • bouw van meerdere voorzieningen voor kinderen, en voor sport (Dojo),
  • bedrijfslokalen (4000 m2),
  • vernieuwing van winkelruimte,
  • 12,5 ha openbare ruimte.

Budget: 150 miljoen euro (alle bouwheren samen)
De bouwkosten voor vervangende sociale woningen in andere wijken en gemeenten zijn niet meegerekend.

11. PNRQAD Programme national de requalification des quartiers anciens dégradés
en
PMRQAD Programme métropolitain de requalification des quartiers anciens dégradés

Het Nationaal Programma voor de Herwaardering van Vervallen Oude Buurten richt zich op vervallen oude buurten met een grote dichtheid aan onwaardige woningen en vaak precaire leefomstandigheden.

Het spruit voort uit de wet van 25 maart 2009 « Mobilisation pour le logement et lutte contre l’exclusion » (Activering voor de huisvesting en strijd tegen de maatschappelijke uitsluiting), en heeft als doel :

  • het wegwerken van de onwaardige woningen,
  • beschikbare woningen weer op de markt zetten,
  • de energetische renovatie van bestaande woningen vergemakkelijken,
  • de sociale diversiteit bestendigen.

Het is een globaal en voluntaristisch herwaarderingsbeleid, dat zich richt op stedelijke, maatschappelijke en omgevingsproblematieken, en dat bestaat uit :

  • essentiële hefboom-acties voor de ergst vervallen gebouwen: openbare verwerving van de gebouwen, zodat de behandelde terreinen terug beschikbaar worden en private initiatieven op die terreinen en in de omgeving kunnen worden opgezet: verwerving, herhuisvesting van de bewoners, aanpak van de gebouwen (van kleine ingrepen tot afbraak), uitgave van de bouwgronden voor sociale woningen, voor openbare voorzieningen of voor private woningbouw…
  • steunmaatregelen voor privé-eigenaars voor de verbetering van hun woningen via een “opération programmée d’amélioration de l’habitat de renouvellement urbain (OPAH-RU)” : zelfstandig wonen voor bejaarden, gezondmaking van woningen, energiebesparing…
  • initiatieven ter ondersteuning van winkels en bedrijven,
  • herinrichting van openbare ruimte en buurtvoorzieningen,
  • sterke technische en administratieve ondersteuning : voorbereiding van de projecten, projectleiding door de overheid, opvolging van de OPAH-RU…

Het Agence nationale pour la rénovation urbaine (ANRU) en het Agence nationale de l’habitat (ANAH) zijn gelast met de uitvoering van het programma, dat op departementaal niveau wordt opgevolgd door de Direction départementale des territoires et de la mer (DDTM) (een gedeconcentreerde dienst van de nationale overheid).

In 2009 werd op nationaal niveau een oproep gelanceerd om 25 projecten te selecteren. In het departement Nord werden twee projecten gekozen: in de metropool Lille en in Valenciennes. Het Programme métropolitain de requalification des quartiers anciens dégradés (PMRQAD) van de MEL betreft de volgende buurten:

  • l’Octroi in Armentières/Houplines,
  • Simons in Lille,
  • Bayard in Tourcoing,
  • le Pile in Roubaix,
  • Crétinier in Wattrelos

Met als inhoud:

  • Afbraak van 293 woningen,
  • Ingrijpende herinrichting van 181 bestaande woningen om er 144 woningen van te maken (47 sociale huurwoningen, 24 sociale koopwoningen, 73 private woningen),
  • Nieuwbouw van 121 sociale huurwoningen, 55 sociale koopwoningen en 46 private woningen.
  • Vernieuwing van 436 woningen.

De MEL heeft een concession d’aménagement uitgegeven aan La fabrique des quartiers voor een duur van 15 jaar.

12. RHI, Résorption de l’habitat insalubre
Deze programma’s beogen de aankoop en de afbraak van grote hoeveelheden woningen in slechte staat, en de herhuisvesting van hun bewoners.

13. OPAH, Opération programmée d’amélioration de l’habitat
Dit zijn meerjarenprogramma’s waarbij binnen een perimeter premies worden toegekend voor de verbetering van private eigendoms- of huurwoningen, vaak gebonden aan inkomensvoorwaarden en technische vereisten. In stedelijke omgevingen gebeurt dit op buurtniveau, in landelijke voor meerdere dorpen tegelijkertijd (wat de zichtbaarheid of het effet d’entrainement beperkt). Een daartoe aangesteld bureau begeleidt de eigenaars en de bewoners (soms ook huurders) in hun projecten (technisch en administratief). Een OPAH gaat vaak gepaard met andere projecten.