Jef Van Staeyen

Tag: Antwerpen (Pagina 16 van 16)

talen en namen in de Groenenhoek

een grenssteentje tussen Berchem en Borgerhout

 

Dit is een derde Antwerpse tekst : talen en namen in de Groenenhoek (pdf).

In deze tekst wandel ik door mijn nieuwe buurt. Ik groet Diana, ontmoet Lodewijk van Bercken en Herman Van den Reeck, struikel over de Karels, vindt bus 33 en verdwaal tussen Bikschote en Ramskapelle. In de Diksmuidelaan is er veel beweging, al zie je dat niet meteen. Maar eerst tram ik nog even naar het centrum, op bezoek bij de Ware God (en die zit niet alleen aan de halte Hemel op lijn 4).

De twee eerdere teksten waren:

 

Het is best kosmopolitisch, hier in de Groenenhoek…

Jacob van Berchem voor “de canon”

(nu ga zelfs ik mee in het canon-gedrum)

Het was een Rijselse vriend die het zei, want geen Vlaming had me ooit zijn naam genoemd, Berchem, Van Berchem, n’est-ce pas le nom d’un musicien du XVIème, XVIIème siècle, spécialisé dans la musique de chœur?

En ja, Jacob van Berchem, of de Berchem, Berghem, Bercan… en ook Jacom, Jacques, Jacquet, Jachet, Giachet of Giachetto, was een zestiende eeuws componist van de zgn. Franco-Vlaamse school, die zoals veel van zijn vak- en tijdgenoten vooral in Italië actief was. Hij is in 1505 geboren in het Antwerpse Berchem (en dus niet in het Brusselse Berchem, of in het Luxemburgse, nu vooral bekend om zijn tankstations, het Rijselse Berkem, of een van de talrijke andere Berchems en Berghems ten lande), en overleed wellicht in 1567 in het Zuid-Italiaanse Monopoli (Apulië). Het begrip Franco-Vlaamse componisten, om dit vooraf duidelijk te stellen, verwijst niet naar Frans-Vlaanderen, maar wel naar het feit dat de talrijke succesrijke musici uit de 15de en 16de eeuw, wier werk vaak polyfonisch was, vooral uit Vlaanderen, Henegouwen en Noord-Frankrijk afkomstig waren, en daar in de kerken hun initiële zangvorming genoten hadden. Paul Van Nevel (Huelgas Ensemble) schreef er meermaals over, zoals in “Nicolas Gombert et l’aventure de la polyphonie franco-flamande” (2004, naar een eerdere Nederlandse uitgave uit 1992), of in het muziek-, landschap- en fotoboek met Luk Van Eeckhout, “Het landschap van de polyfonisten – De wereld van de Franco-Flamands” (2018), waarin hij hun muzikale kwaliteiten aan de schoonheid van het Noord-Franse, lichtglooiende, vaak mistige landschap in Artesië en Picardië linkt. Sinds zowat een halve eeuw wordt hun lang vergeten muziek door ervaren musici weer uitgevoerd en op CD’s en andere dragers verspreid. Hun namen zijn Guillaume Dufay, Gilles Binchois, Josquin Desprez, Johannes Ockegem, Jacob Obrecht, Pierre de la Rue, Adriaan Willaert, Cypriano de Rore, Philippus de Monte, Orlandus Lassus, Giaches de Wert en tientallen anderen. Waaronder dus Jacob van Berchem — of zal ik Jacquet de Berchem schrijven? —, uit geografisch oogpunt een randgeval, die mee in Van Nevels Franco-Vlaamse top-100 staat.

Van dit werk van Caravaggio, de Luitspeler, uit 1595, wordt beweerd dat er muziek van Van Berchem op geschreven staat.

❧

Ik baseer me hier op “tertiaire” bronnen: vooral de Frans-, Engels- en Duitstalige wiki-pagina’s over de Berchem — een Nederlandstalige bestaat niet eens, wel zijn er pagina’s in het Italiaans, het Pools en het Galicisch (NW-Spanje) —, op enkele muziekwebsites (zoals >discogs.com, of >Choral Public Domain Library), en op eerder ingewonnen informatie (zoals omtrent het hof van Este in Ferrara).

Jacob van Berchem wordt pas voor het eerst vermeld in 1539, wanneer de Venetiaanse muziekuitgever Antonio Gardano een aantal van zijn werken in een verzamelbundel opneemt. Wellicht is Van Berchem daar een leerling geweest van Adriaan Willaert (Rumbeke, circa 1490 – Venetië, 1562), die als stichter van de Venetiaanse school en dus wegbereider van Claudio Monteverdi wordt beschouwd. Van Berchems faam in Venetië groeit snel, hij treedt in contact met andere musici en met de plaatselijke prominenten, onder wie de doge, en in 1546 wordt voor het eerst een bundel met eigen madrigalen gepubliceerd.
Van 1546 tot 1550 is Jacob van Berchem kapelmeester aan de kathedraal van Verona, maar hij lonkt naar het hof van Ferrara. Een aantal van zijn werken draagt hij op aan graaf d’Este, waaronder zijn Capriccio, gebaseerd op een selectie van 91 verzen uit Ludovico Ariosto’s Orlando Furioso. [Ariosto had zijn meesterwerk tussen 1506 en 1516 voor graaf d’Este aan diens hof in Ferrara geschreven, en daarbij een erfelijke lijn van zijn verhaal naar het geslacht d’Este geconstrueerd.] Niets wijst er op dat Van Berchem in Ferrara aangeworven werd, en hij trekt meer zuidwaarts, naar Rome en Monopoli, waar hij in 1553 een rijke adellijke dame huwt, en er door de plaatselijke religieuze en wereldlijke machthebbers in bescherming wordt genomen.

Jacob Van Berchem heeft weinig religieuze werken nagelaten: slechts twee missen en negen motetten kunnen met zekerheid aan hem worden toegeschreven. Ze zijn veeleer traditioneel, onder meer met canons. [En als je dan leest wat een canon is, weet je meteen waarom sommige politici en cultuurbewakers zo canon-gezind zijn: eerst is er één die zingt, waarna de anderen exact hetzelfde zingen.]
Het œuvre aan wereldse muziek is veel groter, met vooral Italiaanse polyfonische en homofonische madrigalen en Franse chansons. Onbeantwoorde liefde is het belangrijkste thema, op teksten van Petrarca, Ariosto, Tansillo en anderen. Vele van zijn liederen werden gepubliceerd, en tot in de 17de eeuw wijd verspreid.
François Rabelais, in zijn proloog tot “le quart livre des faicts & dicts heroïques de Pantagruel” (1546), beschrijft een uitgelezen koor met de befaamdste musici uit zijn tijd, zoals Iosquin des Prez, Ollzegan, Hobrethz, De la Rue (…) en Iacquet Bercan, chantans melodieusement… een scabreus chanson dat ik hier niet citeer.

Nee, ik start geen actie, geen facebook-groep om die onbekende bekende Berchemnaar in de canon te krijgen, maar een straatnaam mag wel, en vooral aandacht voor zijn muziek.

 

de Antwerpse tram

In september 2019 verhuisde ik naar Antwerpen, en enkele weken later schreef ik deze tekst, in tram 8 aan halte Stadspark.

(aangepast en vervolledigd op 9 november 2019)

❧


informatie voor de reizigers in tram 8, november 2019

(…)
Ik mag buitenlanders wel bewonderen die in Antwerpen de tram nemen, zich niet van nummer vergissen en op de juiste halte afstappen, want de informatie die De Lijn haar (potentiële) klanten biedt, is meestal fout, of onbestaande. De elektronische borden aan de haltes vermelden tramlijnen die niet meer bestaan (tram 24 en 12 aan de Nationale Bank?) en kondigen trams aan die niet verschijnen of plots een andere bestemming krijgen. De gesproken aankondigingen van de haltes die je in de tram soms hoort zijn onbetrouwbaar, want vaak te vroeg of te laat, en aan de tramhaltes of in de trams zelf hangen geen of flink verouderde (en door de zon verbleekte) schema’s, waarop je kan zien hoe de tram destijds reed. Goed voor historici met ferrovipathische neigingen. Sommige plannen vermelden werkzaamheden die in 2018 zullen worden uitgevoerd. Dat zijn schema’s die allicht nog dateren uit de tijd dat Tom Meeuws De Antwerpse Lijn bestuurde, wat hij tot 2015 mocht doen. Wie het met die man goed voor heeft, zal zeggen dat sinds hij daar vertrokken is, alles vierkant draait. Wie het met hem anders ziet, zal stellen dat hij het toen heeft nagelaten de nodige aanbestedingen (en aanwervingen) voor te bereiden, terwijl hij meer bezig was met het organiseren van feestjes, wat voor het uitbouwen van netwerken — netwerken van invloedrijke mensen, niet van bussen en trams — veel efficiënter is. De recente Antwerpse en socialistische geschiedenis heeft aangetoond dat hij daarin goed gekozen heeft. Intussen staan de reizigers in de regen te wachten op een tram waarvan ze niet weten wanneer hij komt en waarheen hij rijdt, en vrezen ze bij overstap een toeslag te moeten betalen omdat er vertraging is. Voordeel is wel, dat ze tijd in overvloed hebben om hun traject te overdenken of aan andere reizigers advies te vragen. Als het geen panne is, door omstandigheden, zoals tijdens het schrijven van deze tekst (met pen op papier), in tram 8 op de Frankrijklei, halte stadspark, vandaag, is het wel om lang een kruispunt te overschouwen (wachten tot de tram eindelijk ook, ná de auto’s, het kruispunt op mag rijden), of om naar de zwarte muren van de pre-metrotunnels te staren. De Antwerpse zogenaamde “pre-metro” rijdt immers tergend traag, maar toch bruusk, en in de grote stations, waar plaats is voor meerdere stellen, stopt er toch maar één tram terzelfdertijd — de andere wachten braaf, in de tunnel, om op hun beurt het station binnen te rijden.

Terloops, wat die stations betreft, heb je al eens gezien hoe groot het station Zegel is, in Borgerhout? De tram stopt aan de uiterste oostkant op -3 (het oosten is richting Deurne), de trappen naar -1 staan aan de uiterste… westkant van dat zeer lange perron (er is immers plaats voor meerdere trams), en daar, op -1, staan de trappen naar het straatniveau aan de… oostkant opgesteld. Ben je mee? Volg je nog? Bij De Lijn, of was het zijn voorganger MIVA die bouwheer was, moeten ze dat station wel heel mooi vinden, dat je er zo lang in wandelen mag.

(november 2019)
informatie omtrent het Antwerpse tram- en pre-metronet in tram 8 (géén, maar echt géén) en tram 11 (manifest fout): het schema rechts, “geldig vanaf 1 april 2018”, vermeldt voor lijn 4 haltes die tegenwoordig niet worden bediend (in Hoboken), maar vermeldt niét de zeer talrijke haltes, van de Groenplaats via de Lange Leemstraat en Groenenhoek tot in Silsburg, die al sinds maanden wél worden bediend. Er zijn bij De Lijn dus niet alleen wél aangekondigde trams die niét rijden, maar ook niét aangekondigde trams die wél rijden, zoals hier, in Berchem en Borgerhout, op de Gitschotellei. Een tramverrassing kan ook aangenaam zijn.

(halte Nationale Bank, november 2019)
de trams 12 en 24, die sinds juni 2017 deze halte niet meer bedienen, worden aangekondigd binnen respectievelijk 1 en 5 minuten

❧

Maar, ernstig nu, goed nieuws: mits enkele relatief kleine aanpassingen kan De Lijn, als ook de Antwerpse en Vlaamse overheden dat werkelijk willen, met het huidige aantal tramstellen en het huidige aantal wattmannen en -vrouwen (wattlui of wattlieden?) makkelijk tweemaal zoveel reizigers vervoeren als nu, enkel en alleen door die trams een tweemaal zo hoge commerciële snelheid te bieden: een automatische besturing in de pre-metrotunnels (zelfs modeltreinbaanbouwers doen dat al jaren met succes), kortere wachttijden aan de kruispunten, waarbij een tram met 150 reizigers (soms kunnen het er tot 250 zijn) niet twaalf auto’s met gemiddeld 1,4 passagiers moet laten voorgaan, en minder gedrum bij de betaalautomaten die bij de ingangsdeuren hangen. Als Antwerpen zijn mobiliteitsknoop wil ontwarren, kan de tram voor een belangrijke bijdrage zorgen, als hij vlotter, sneller en zekerder rijdt, en de reizigers correcte informatie gegeven wordt. Heel veel geld is daar niet voor nodig. Durven wel, en doen.

Nieuwere berichten »

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders Noren — Boven ↑