Jef Van Staeyen

Tag: literatuur (Pagina 6 van 14)

mijd de achterflap en ’t liegen

Laatst leende ik een boek van Frank Westerman in de bibliotheek: Een woord een woord (2016). Die man heeft enkele zeer boeiende boeken geschreven, niet in het minst De graanrepubliek (1999), dat toen het verscheen zowat de tegenhanger-aanvulling van Geert Maks Hoe God verdween uit Jorwerd (1996) was.
De journalistieke stijl van Westermans werk is inmiddels bekend: hij mengt de getuigenissen van soms dramatische gebeurtenissen met de koekjes en de koffie die zijn gesprekspartner hem gastvrij biedt. Daarbij springt hij van hot naar haar — in dit geval van Assen en Den Haag naar Moskou en Beslan of naar Parijs, en terug —, en ambieert het stellen van vragen veeleer dan het bieden van antwoorden. [Of, juister: hij wijst op het bestaan van meerdere, van elkaar verschillende antwoorden.]

Frank Westerman zat als kind bij de Molukse trein- en schoolkapingen van 1975, ’77 en ’78 als het ware op de eerste rij: hij zag en hoorde het gebeuren, en kende talrijke betrokkenen, zowel kapers als gijzelaars. Dat las ik laatst ook in zijn In het land van de ja-knikkers (2017). Voor Een woord een woord sprak hij met meerdere betrokkenen, en met en over de mensen die namens de overheid de dagen- of zelfs wekenlange gesprekken met de gijzelnemers hebben gevoerd.

Op de achterflap van het boek lees ik, nadat ik het boek gelezen heb:

‘De pen is machtiger dan het zwaard.’ We willen het graag geloven. Maar is het waar?
(…)
In Een woord een woord test Frank Westerman de kracht van het vrije woord onder het gewicht van de actuele aanslagen sinds Charlie Hebdo. (…) Om aan den lijve te voelen wat taal kan uitrichten tegen terreur volgt hij een training tot gijzelingsonderhandelaar in een oefendorp van de politie. Wat vermag het woord tegen de kogel.
Een woord een woord is een bevlogen zoektocht naar een weerwoord op terreur — op het snijvlak van beschaving en barbarij.

De achterflap-schrijver — een vak op zich? — knipt Westerman een pak dat hem — of althans dit boek — niet past. Een woord een woord gaat immers vooral over het voeren van onderhandelingen, en al wat daarbij hoort. Wie praat met de gijzelnemers, en wie niet, wat mag hij of zij vooral niet zeggen, en wat wel? Welke handelingen worden daarbij gesteld (inzake voedsel en drank, verwarming, verlichting, lawaai…,)? Hoe communiceer je terzelfdertijd met de politieke en administratieve beleidsmensen en met de publieke opinie, of met de militairen die dag en nacht klaar zijn om in te grijpen. Als er één ding is dat duidelijk blijkt, dan is het dat bij een kaping het woord niet vrij is. En het is evenmin geschreven, met een pen, maar gesproken, zodat het vluchtig, wisselend en weifelend kan zijn. Zodat de klank, de traagheid, het begrip of de irritatie meespeelt. En het vergeten. Het weerwoord op terreur — op het snijvlak van beschaving en barbarij, zoals de achterflap stelt — is nodig vóór een kaping of nadien, maar wordt opgeheven zolang de kaping duurt.
[Er is ook een voorflap aan het boek. Daarop zien we een gestileerde tekening van een klassieke vulpen met een bajonet erop. Exact wat het boek niet zegt.]

Dat niet alleen achterflappen, maar ook (onder)titels misleidend kunnen zijn, bewijst het reeds vermelde In het land van de ja-knikkers — de ja-knikkers zijn niet de mensen, maar de pompen die in Drenthe de olie op-pompten (*),De oliewinning in Drenthe, van 1947 tot 1996, en blijkbaar nu opnieuw, in de schaduw van de bekende gaswinning in Groningen, is buiten Nederland — of buiten Drenthe? — een onbekend verhaal. dat als ondertitel Verhalen uit de polder draagt. Het is een bloemlezing van boeiende, persoonlijke vertellingen. Het lijkt of het kind Westerman, door de directe confrontatie met belangrijke gebeurtenissen (niet alleen de kapingen, maar ook een indrukwekkend aardolie-accident bij hem in de buurt), voor journalistiek in de wieg is gelegd. Dat zo’n bloemlezing een titel draagt die slechts een deel van de lading dekt, is onvermijdelijk. Het is logisch, maar dat de ondertitel naar de polder verwijst, is dat minder. Tenzij — pars pro toto, zoals de naam Holland voor Nederland — in de ogen van Randstadbewoners (of van een uitgever, Querido in Amsterdam) die menen dat alles buiten hun stad alleen maar polder is.

het complot tegen Amerika — Philip Roth

Het is mooi, wanneer een film je verrast.
Jááren geleden volgde ik mijn vrienden naar de bioscoop. Geen idee welke film we gingen zien. Ik vertrouwde mijn vrienden en wist zelf geen suggestie te doen. De eerste minuten van die film waren de spannendste en de meest intense die ik ooit heb gezien: wordt het een drama? een comedie? een thriller? een misdaadfilm? Het was een Brian De Palma (*).Toegegeven, er klopt iets niet helemaal in mijn herinnering. Allicht ging het om de museumscène in Dressed to Kill (1980), maar die titel is zo expliciet dat de aard van de film voor iedereen duidelijk moet zijn geweest. Een titel als Obsession (1976) lijkt beter.

Het is mooi, wanneer theater je verrast.
Toen ik nog in Rijsel woonde had ik een abonnement op La Rose des Vents in Villeneuve d’Ascq, een scène nationale met vaak boeiende en verrassende spektakels in een eenvoudige kubus-vormige zaal met steile, mobiele tribune.  Ik mis die plek soms, net als le Salon de Théâtre in Tourcoing (*).Lees daaromtrent Grensoverschrijdend theater in Tourcoing en Moeskroen. Elke zomer, in juli of september, reserveerde ik een aantal spektakels voor het komende jaar, noteerde de datums in mijn agenda, kreeg de tickets, en vergat wat en waarom ik die reservaties had. Op de bewuste avonden arriveerde ik goed op tijd, kon ter plekke nog iets eten, en stapte onvoorbereid in de zaal. De verrassingen en de beleving waren er niet minder om.

Het is mooi, wanneer een boek je verrast.
Er staan veel boeken van Philip Roth in de bibliotheek, naast die van Joseph — geen familie. Er staan veel boeken van Philip Roth in de boekhandel, naast die van Joseph — Beschaafden in het land der barbaren… Er staan géén boeken van Philip Roth in mijn kast, naast dat van Joseph — Radetzkymars. Laatst nam ik er een in de bibliotheek: Het complot tegen Amerika (2004). De inhoudsopgave pagina’s 7 en 8 vermeldt negen teksten en een naschrift. Zijn dat verhalen? Essays? Is het journalistiek werk? (*).“Roman” staat er op pagina 3, maar de haastige lezer die ik ben, gaat daaraan voorbij.

Lindbergh

De eerste tekst, met vermelding juni 1940 – oktober 1940, draagt als titel Stem voor Lindbergh of stem voor oorlog. Mijn parate kennis van de geschiedenis reikt inmiddels ver genoeg om te weten dat de democratische politicus Franklin Delano Roosevelt — niet te verwarren met Theodore, de republikein, wel familie, verre familie — van 1932 tot een heel eind in de Tweede wereldoorlog president van de Verenigde Staten is geweest. Dat hij een ingrijpend crisis- en armoede-bestrijdingsbeleid heeft gevoerd — the New Deal — en zijn land in de oorlog heeft geëngageerd — daarbij geholpen door de Japanse aanval op Pearl Harbor en de Duitse duikboten die Amerikaanse vrachtschepen naar de dieperik torpedeerden. Dat hij met Stalin en Churchill in Yalta was om Europa te verdelen, maar nog voor het einde van de oorlog gestorven is — dat was in april ’45 —, waarna Harry Truman hem opvolgde. [Ik gebruik wel wikipedia om te weten hoe je Delano en Truman schrijft. Delano, naar de Lannoy, het minuscule stadje naast Roubaix.] En ik weet dat de beroemde Lindbergh, die in 1927 als eerste alleen de Atlantische oceaan is overgevlogen [ook dat jaartal heb ik opgezocht], berucht is om zijn uitgesproken nazi-sympathieën. Hij hoort in het rijtje van befaamde én beruchte personen waar ook Céline en de Frères Lumière staan.

Dus, wanneer Philip Roth in de eerste van zijn negen teksten, vijftig pagina’s lang, door de ogen van een kind Philip beschrijft hoe in 1940 de opkomst van Charles Lindbergh als republikeins presidentskandidaat onder de inwoners van de joodse wijk van Newark twijfel en onzekerheid zaait, of zelfs angst, lijkt dat, ondanks een korte vermelding in de tweede zin — “als Lindbergh geen president was geworden” (*)De eerste twee zinnen gaan als volgt: “In deze herinneringen regeert de angst, een voortdurende angst. Natuurlijk kent elke kindertijd wel zijn verschrikkingen, maar toch vraag ik me af of ik als kind minder bangelijk zou zijn geweest als Lindbergh geen president was geworden, of als ik geen joden als ouders had gehad.” — een getrouw, misschien geromanceerd verslag van wat er toen effectief is gebeurd. Een verslag dat de tegenstellingen goed vat, zowel tussen de joden en de gojim, als tussen de joden onderling en in elke jood individueel. De kleine Philip heeft een postzegelverzameling, en daar zitten enkele waardevolle Lindberghs in, en zijn iets oudere broer Sandy, die een begenadigd tekenaar is, heeft prachtige portretten van de heldhaftige Lindbergh gemaakt. Geen van beiden is die schatten graag kwijt. Niet veel later zullen we lezen hoe een inwonende neef langs vaders kant naar Montréal trekt om met het Canadese leger tegen Hitler te vechten, terwijl een tante aan moeders kant een professionele en amoureuse relatie begint met een invloedrijke rabbijn die zich tot aanhanger of zelfs raadgever van Lindbergh ontpopt — en Sandy kan overtuigen deel te nemen aan het Just Folks programma waarmee de regering joodse tieners een zomer lang ver van huis naar christelijke boerenfamilies zendt. Wie kiest voor Roosevelt, met een groot risico op deelname aan de oorlog in Europa, en wie voor Lindbergh, de vriend van Hitler die de joden vervolgt?

paukenslag

Maar al in een eerste zin, pagina 55, breekt de tweede tekst de illusie dat het om een waarheidsgetrouwe getuigenis gaat door een auteur die het als kleine jongen allemaal zelf heeft meegemaakt. Heel terloops lezen we: “In juni 1941, net een halfjaar na Lindberghs inhuldiging, reed ons gezin de vijfhonderd kilometer naar Washington D.C. om daar de historische plaatsen en de beroemde regeringsgebouwen te gaan bezichtigen.”
Roths boek is een “what if”, een tegenfeitelijke geschiedenis. Of veeleer: een tegenfeitelijke roman. Het bezoek aan Washington en zijn monumenten is voor Philip Roth — als auteur — meteen een uitgelezen kans om de dilemma’s te beschrijven waarmee de joodse familie wordt geconfronteerd. Ze voelen zich Amerikaan als de Amerikanen en zijn daar trots op, maar worden om hun joods zijn door veel van hun medeburgers niet geaccepteerd.

De manier waarop Philip Roth meldt dat Lindbergh tot president verkozen is, en hij de lezers even plots in een andere tijd en een andere context plaats, is naar mijn aanvoelen een van de stijlfiguren die uit de cinema naar de literatuur zijn overgewaaid. Even plots — of nog plotser — schrijft Roth op pagina 296 halverwege hoofdstuk 7, de Winchell-rellen (juni 1942-oktober 1942): “Wat de dood van Walter Winchell onmiddellijk tot landelijk nieuws maakte (…)”, nadat we diezelfde Winchell de pagina’s daarvoor nog springlevend hebben gezien. Door zijn opruiende politieke toespraken op straat, staande op een zeepkist, nam Winchell, eerst journalist en gevreesd politiek commentator, nadien presidentskandidaat, weliswaar grote risico’s, maar de moordaanslag en heel de context (het standbeeld van Jefferson voor het gerechtsgebouw van Louisville) worden pas in de pagina’s nadien verteld. Of, om het effect van die zin met muziek te vergelijken: denk aan de Paukenslagsymfonie (1791) van Joseph Haydn, wanneer de luisteraar, in casu de lezer, wordt aangespoord zijn misschien wat slabakkende aandacht bij de muziek, casu quo de tekst te houden.

the Homestead Act

Maar ik loop vooruit.
In hoofdstuk 6, Hun land (mei-juni 1942), begint deportatie — herplaatsing. Lindberghs regering begint op kleine schaal, zachtaardig, en doet er een wettelijk kleedje om. Het Amerikaans Integratie Bureau — begrijp: de joden zijn niet geïntegreerd, en moeten dat dringend worden — van het Ministerie van Binnenlandse Zaken werkt samen met de bedrijven, die hun joodse werknemers uit de joodse steden overplaatsen naar afgelegen, rurale plekken in staten als Kentucky, Oklahoma, Kansas of Montana — waar nauwelijks werk voor hen is.  Dankzij de Eigen Erf Wet van 1862 krijgen ze daar vrijwel gratis 40 ha woeste grond, om die zelf te bewerken.

Die Homestead Act van 1862 is geen fictie. Het is de wet waarmee destijds Europese kolonisten werden aangetrokken op land dat de federale overheid de Amerindiaanse bevolking met geweld en juridische spitsvondigheden ontfutseld had. Overigens werden ook de Amerindianen toen aangemoedigd hun gemeenschap en hun traditionele levenswijze te verlaten en zich onder de vorm van gezinnen als landbouwers te vestigen (de Indian Appropriation Acts), dit als onderdeel van het integratie-beleid dat zowel in de Verenigde Staten als in Canada tot diep in de twintigste eeuw werd gevoerd. [Maar dat is een uitwijding die ik eraan toevoeg. Roth spreekt nauwelijks over Indianen. De parallel vind ik wel treffend, wanneer de federale overheid, de ene reëel, de andere fictie, beslist bestaande maatschappelijke structuren uit elkaar te rukken, en hoe ze dat doet.]

Philips vader, die verzekeringsagent is, neemt ontslag om aan de verplichte ontheemding te ontsnappen, en aanvaardt een job als arbeider om in de joodse gemeenschap van Newark te kunnen blijven, al zijn talrijke collega’s en vrienden naar kleine stadjes in verre streken overgeplaatst. Het is de tweede sociale declassering die hij om die reden aanvaardt, rekening houdend met de sociale promotie, eerder in het verhaal, waaraan hij heeft verzaakt, omdat ook die hem ver van zijn joodse vrienden (en zijn kinderen ver van de joodse scholen) zou hebben gebracht. Om gelijkaardige redenen, en uit trots — het is ook mijn land —, weigert hij nadien het voorbeeld te volgen van vrienden die naar het Canadese Winnipeg zijn gevlucht.

complexiteit

Opgelet: plotbederver (spoiler alert).
De spanning neemt toe, zowel nationaal en internationaal als in het gezin. Er volgen rellen, de moord op een presidentskandidaat (Winchell, zie hoger), aanslagen op joden en joodse bezittingen, het verdwijnen van Lindbergh én zijn vliegtuig Spirit of Saint-Louis, complot-theorieën, een staatsgreep en bijna oorlog met Canada. En problemen met de neef, met een buurjongen, een oom, de tante, etc. Roth slaagt er wonderwel in die twee verhaallijnen te verweven, en de kwalijke effecten van de (inter)nationale politiek op het gezin Roth en op de kleine Philip te beschrijven. Nee: te vertellen. Daarbij vermijdt hij eendimensionale karakters: elk van de personages van het verhaal, zowel in het gezin als in de politiek, wordt in al zijn complexiteit beschreven. Je kan niets goed doen zonder ook iets fout te doen, bedenkt de radeloze kleine Philip (pagina 369).

Opvallend ook: door een merkwaardige wending in het verhaal, wordt Roosevelt toch nog president — in 1942 — en scharen de Verenigde Staten zich aan de kant van het Verenigd Koninkrijk en de Sovjetunie om Duitsland, Italië en Japan te verslaan. De rest van de geschiedenis kennen we, of kunnen we raden: behoudens het Lindbergh-intermezzo is er niets of weinig veranderd. Voor de wereldgeschiedenis althans, want voor de personages in het verhaal is niets meer wat het geweest is. Roths tegenfeitelijke geschiedenis is dus geen poging tot antwoord op de vraag hoe de wereld er vandaag zou uitzien als…

Na de negen hoofdstukken heeft Philip Roth in zijn boek nog een omvangrijk naschrift verzorgd, waarin hij de ware geschiedenis van een zestal hoofdpersonages beschrijft (Roosevelt, Lindbergh, La Guardia, Winchell, Wheeler, en Henry Ford), en van een dertigtal anderen beknopte biografische gegevens vermeldt. En er zit ook een authentieke toespraak van Lindbergh bij, in september 1941 in Des Moines (Iowa) voor het America First Committee, waarin hij de Britten, de joden en de regering Roosevelt oorlogstokers noemt. Dat naschrift is even lezenswaardig als de roman, omdat het de complexiteit van ook die geschiedenis en die personages goed weergeeft. Het huidige politieke spanningsveld van de Verenigde Staten in twee kampen, zoals de pers ons leert, lijkt kinderspel tegen wat het — niet alleen in de roman maar ook en vooral in de werkelijkheid — toen is geweest. Maar daarover verwijs ik graag naar wat Bill Bishop in The Big Sort (2008) heeft geschreven.

Philip Roths tekst zit vol fijne humor.
De kleine Philip vindt zijn buurjongen Seldon Wishnow zeer kleverig gezelschap, en wil hem zoveel mogelijk mijden. Wanneer de familie Roth in opdracht van het Amerikaans Integratie Bureau naar Kentucky moet verhuizen, trekt hij naar zijn tante Evelyn — die in huize Roth omwille van haar relatie met rabbijn Bengelsdorf en diens connecties met Lindbergh niet meer welkom is — in de hoop door haar bemiddeling te bekomen dat niet de Roths maar de Wishnows naar Kentucky moeten. Hij verdedigt zich zo onhandig dat zowel de Roths als de Wishnows, dus zowel hij als Seldon, naar hetzelfde kleine stadje in Kentucky worden gestuurd.
Seldon en diens moeder zullen een belangrijke rol in het verhaal blijven spelen.
In dat hoofdstuk, nadat een vleiende Philip zijn tante heeft gefeliciteerd voor haar deelname aan een feest in het Witte Huis, waar ze met de Duitse minister van Buitenlandse zaken Von Ribbentrop heeft gedanst, lezen we (pagina 235):
‘O, schatje van me,’ zei ze, terwijl ze mij naar zich toe trok en me nu over mijn hele gezicht zoende, ‘Ik denk het ook. Ik ben zo blij dat je naar me toegekomen bent. Ik heb je zo gemist,’ en toen streelde ze me alsof ze wilde controleren of mijn zakken gevuld waren met gestolen waar. Pas jaren later heb ik begrepen dat de grote vaardigheid van haar tastende handen weleens de verklaring kan zijn geweest voor de snelle renovatie van tante Evelyns leven door een figuur van het kaliber van Lionel Bengelsdorf. Zo briljant en erudiet als de rabbijn was, een ieders meerdere zelfs in zelfingenomenheid, van tante Evelyn had hij waarschijnlijk niet terug.
Beeldspraak.
(…) schonk hij de whiskey in een borrelglas en gooide hem in één teug naar binnen, waarbij hij het gezicht trok van iemand die net een hap uit een gloeilamp heeft genomen. (pagina 260)

Het complot tegen Amerika is een tegenfeitelijke roman. Dat houdt in dat hij onware gebeurtenissen, te beginnen met de kandidatuur en de verkiezing van Lindbergh tot Amerikaans president, in een waarachtige context plaatst. Ik ga ervan uit dat al wat hij schrijft, met badkamers, auto’s en telefoons, met programma’s waarvoor de bevolking aan de radio’s kleeft, met nieuws-bioscopen waar men van de ochtend tot de avond de actualiteiten kan zien (oorlog, politiek, sport…), historisch zoniet exact dan wel betrouwbaar is — met uitzondering van een transistorradio op pagina 242 (*).De transistorradio die op een pick-nick werd meegenomen, is als het zebrapad in Jeroen Olyslaegers roman Wil. Het zijn creaties van de jaren ’50. “Ook wat er in dit huis met een doodgewoon mens gebeurt — ook dat zal eens geschiedenis zijn.” zegt Philps vader pagina 199. En meneer Tirschwell, redacteur en filmoperateur van het Newsreel Theater pleit dat “in een democratie, op de hoogte blijven van de actualiteit de belangrijkste plicht van een burger is.”

Besluit: een aanrader

het lied van Europa — Leon de Winter

 


een neushoorn (Albrecht Dürer, 1515)

Drie jaar geleden besprak ik op deze website kort Leon de Winters boek VSV (2012). Die bespreking, ook verwijzend naar een artikel van Jan Lensen in Ons Erfdeel (2013), klonk misschien wat negatiever dan bedoeld (de Jerommekes-dialogen, het voortijdige bijna-einde op twee derde van het boek, de brutale ontknoping), want De Winter is een begaafd stielman die spannende boeken schrijft, en de menging van feit en fictie en van onder- en bovenmaanse werelden is gedurfd en subliem. Nadien las ik Het recht op terugkeer (2008), en nu recent Het lied van Europa (2022).
De Europa van het boek is een beeldschone vrouw — in de ogen van De Winter, of is het zijn personageOp enkele plaatsen, waaronder pagina 405, laat De Winter het uitschijnen dat Nico Levi heel het boek geschreven heeft. Noem het een literair Droste-effect. Nico Levi, vooral een kwestie van borsten en billen —, intelligent, charismatisch, Russisch, voluit Europa Aleksandrovna Ivanova, wier lied de menigte begeestert, waarna haar gewelddadige dood tot immense rellen en opstanden leidt: de Dagen van Waanzin. [De Duitse (!) en Amerikaanse legers komen de rust herstellen.]

Net zoals in 2008 Het recht op terugkeer 16 jaar vooruitkeek, naar 2024 in een tot stadstaat gekrompen Israël, is Het lied van Europa een toekomstroman. Na enkele hoofdstukken in 2018, ’23 en ’25, springen we naar de jaren 2039 tot 2047. Een sprong met een reikwijdte van 17 tot 25 jaar. Zo’n toekomstroman — science fiction kan je het niet noemen, veeleer society fiction — houdt twee risico’s is. Het ene risico, dat ook in boeken over fictieve werelden bestaat — ik denk aan Les marins ne savent pas nager van Dominique Scali Dominique Scali is een Québecse schrijfster. Ik vermeld dit boek uit 2022 omdat ik het onlangs gelezen heb, en er een alternatieve wereld in zit die (te) uitgebreid beschreven wordt, maar het hadden er ook andere boeken kunnen zijn. — is dat de auteur zowel zichzelf als de lezers vermoeit in eindeloze beschrijvingen hoe die toekomstige of fictieve wereld eruit ziet. Het andere risico, soms het tegengestelde van het eerste, is dat de toekomstige of fictieve wereld een opgeblazen versie van de huidige wereld is, waarbij de auteur een aantal recente feiten en evoluties die hij belangrijk acht, tot gigantische proporties uitvergroot. Het eerste risico weet De Winter in Het lied van Europa te beperken — in 2047 wordt er nog steeds gegoogeld en worden met mobieltjes appjes verstuurdOm een document ongestoord en onbespied te lezen wordt in 2047 de wifi uitgeschakeld en een USB-stick gebruikt. Alsof een overheid die alles wil weten niet in staat is cookies in elke laptop te zetten, die bestanden verzendt zodra de wifi weer is aangezet… —, het tweede des te minder. De uitvergroting is de essentie van het boek.

In 2047 is Nederland, en bij uitbreiding Europa (het subcontinent, niet de vrouw) een onvrij land geworden. De overheid controleert, weet en noteert wat elke burger doet, en legt hem of haar om de beste redenen allerlei beperkingen op. Vet, suiker, alcohol en tabak worden om gezondheidsredenen gerantsoeneerd, voor vlees en vis is er voortaan enkel nepvlees en nepvis (of neovlees en neovis), en voor CO2 worden elke burger, op individueel niveau, zeer beperkte uitstootrechten opgelegd — waarop individuele uitzonderingen kunnen bestaan. Om de veiligheid te garanderen — naast volksgezondheid en klimaat een derde algemeen belang — en echte of vermeende desinformatie en opruiende taal te bestrijden, heeft de Europese Unie de controle over de media genomen.

Zo’n dystopie is daarmee uiteindelijk minder een verhaal over de toekomst, dan over de tijd, of zelfs het jaar waarin het geschreven is, en hoe de auteur die ziet. Het lied van Europa is van 2022: een pandemie, gele hesjes, conflicten rond asielzoekers en immigranten, klimaatschuld, terroristische aanslagen, woke, gendermisidentificatie, de EU Code of Practice on Disinformation… — enkel China en dekolonisatie ontbreken in het rijtje. Als het boek vijf jaar eerder of twee jaar later geschreven was geweest, had de dystopie er anders uit gezien: oorlog in Europa en elders, en de daarbij horende re-introductie van traditionele rolpatronen tussen mannen en vrouwen, energieschaarste, generatieve artificiële intelligentie,  extreemrechtse verkiezingssuccessen….
Dat is, samen met de wat stereotiepe beschrijving van sommige personages en de weinig overtuigende rebellie, toch de zwakte van het boek: Leon de Winter wil veel te veel pleiten. Dat doet hij vierhonderd pagina’s lang. Iemand moet eens tellen hoe vaak hij het systeem met punten en SeeSees (Carbon Credits) vermeldt.
Maar hij kent de knepen van het vak, en Het lied van Europa is een spannend boek. Allicht blijft er toch wat kleven van wat Leon de Winter ons zeggen wil.

post-scriptum: Waarom een rhinoceros als illustratie bij deze tekst?
Jonas, de Javaanse neushoorn op pagina 34, die jarenlang werd bijgevoed met het brood dat ‘s avonds onverkocht bleef, blijkt na zijn gewelddadige dood door een afgezwaaide mortier — het is oorlog in Syrië, en ook de dierentuin blijft niet gespaard — , op pagina 35 plots Jonas, het nijlpaard te zijn, waarvan het dieet indertijd met kostbaar brood werd aangevuld.

 

met jou kan je niet praten

Met deze merkwaardige zin — het had ook “jou kan je niet vertrouwen” kunnen zijn — begin ik deze tekst over de betekenissen van het Nederlandse “je”. Aanleiding was de lectuur van de Nederlandse vertaling van Robert Walsers “Geschwister Tanner” (“De Tanners”). De Zwitserse auteur Robert Walser (niet te verwarren met de Duitser Martin Walser) leefde van 1878 tot 1956. Hij schreef “Geschwister Tanner” in 1906, Machteld Bokhove verzorgde de vertaling in 2020, en bij de lectuur ervan was ik soms onzeker wat ik las.

dat overkomt je

Ik vind het niet uit, maar lees het in de dikke Van Dale van 1976 en het Chronologisch woordenboek uit 2001: het voornaamwoord “je” werd voor het eerst gesignaleerd in 1617 — “gij” al in de tiende eeuw — en heeft meerdere functies.

  1. “Je” is — uiteraard en vooral — de niet beklemtoonde tweede persoon enkelvoud. Waar met een klemtoon “jij” of “jou” zou staan, als onderwerp, lijdend of meewerkend voorwerp, of na een voorzetsel.
  2. Als wederkerend en als bezittelijk voornaamwoord kan “je” ook de tweede persoon enkelvoud én meervoud zijn. Veel eenvoudiger dan “jullie”. Voorbeeld: “Jullie kunnen je wassen in de douchecellen en je kleren in de lockers opbergen.” 
  3. “Je” kan de eerste persoon zijn, al valt dat niet zo op. Voorbeeld: “Er zijn nogal wat kosten aan mijn verwarmingsketel, en dan vraag je je af…”.
  4. Maar “je” is ook — en misschien meer en meer — een onbepaald voornaamwoord. Spreektaal, zegt — of zei — Van Dale. Waar in meer formele vorm “men” zou staan. En “zich”, of “zijn”, of nog wat anders.
    Voorbeeld: “Als je naar Antwerpen rijdt, weet je nooit hoe lang je in de file staat. Eens aangekomen, zoek je je rot om je auto te parkeren.” Meer formeel is dat “als men”, “weet men”, “hoe lang men”, “zoekt men zich” en “zijn auto”.
    Zowel deze als de vorige “je” wordt nooit beklemtoond tot “jij” of “jou”.

Het lijkt er op dat al die “je”-vormen aan een opmars bezig zijn. De “je” als tweede persoon werd pas na de Tweede wereldoorlog dominant (ten opzichte van “u”). In Nederland meer dan in Vlaanderen. De “je” als eerste persoon ontstond in diezelfde periode, en ook de “men”-functie, die weliswaar al uit de achttiende eeuw dateert, komt sindsdien frequenter voor. Ze biedt grammaticaal meer mogelijkheden dan “men”, dat altijd en alleen onderwerp is. Voorbeelden: “Dat overkomt je…”, “Dan wordt je auto…”

Merkwaardig is dat de tweede persoon in het Nederlands, in tegenstelling tot de eerste en de derde, die met “ik”, “wij”, “hij” en “zij” al meer dan duizend jaar onveranderd zijn, al veel woorden — en vervoegingen — gebruikt en soms versleten heeft: “du”, “gij”, “gijlieden”, “UEdele”, “u”, “jij” en “jullie”, waarbij wat eerst een meervoudsvorm was nadien voor het enkelvoud wordt gebruikt (“gij” was het meervoud van “du”) en vervoegingen in de derde persoon worden geïmporteerd (“u heeft” en “jullie hebben”  in plaats van “gij hebt”), allicht uit behoefte aan hoffelijkheid. Er is dus permeabiliteit tussen de Nederlandse persoonlijke voornaamwoorden, hun functies en hun vervoegingen. Of die vergelijkbaar is met de recente kaping van het voornaamwoord “hun”“hun heeft”, “hun is” … — is een andere vraag.

“Je” kan ook voor problemen zorgen. In een artikel op 18 oktober 2023 in De Standaard over mensen die in voorbereiding van hun nakend overlijden hun spullen sorteren, schreef Lieve Van de Velde: Het idee dat je nabestaanden na hun dood hun dierbaarste bezit en grootste rommel moeten sorteren, maakt sommige mensen zo ongemakkelijk dat ze zelf al opruimen.” Je nabestaanden die na hun dood hun rommel opruimen…? Mijn idee: driemaal “hun” of — beter — driemaal “je”.

Toch mag het een wonder heten dat nederlandssprekenden (zowel moedertaal-sprekers als anderstaligen) meestal hun weg weten met al die vormen van “je”. Iets dat je meer vanuit de praktijk (het horen en spreken) dan vanuit een stel regeltjes leert. De vier functies van “je” zijn daarom meer des- dan prescriptief. Ze beschrijven hoe we spreken, en schrijven niet voor.

Walser

In Walsers boek staan lange, onwaarschijnlijke monologen. Onwaarschijnlijk, wanneer iemand pagina’s lang in een vertrouwelijk gesprek niet onderbroken wordt, en daarbij dingen zegt die je niet voor mogelijk“Je zult voor de meeste mensen een oninteressante verschijning zijn, saai voor de meisjes, onbeduidend voor vrouwen, absoluut onverzekerd en onwilskrachtig voor mannen”, zegt Hedwig midden een lange monoloog tot haar broer Simon (p. 168). houdt. Maar het is literatuur.

In die monologen gebruikte Walser in 1906 vaak het onbepaald voornaamwoord “man” (“men”), dat Machteld Bokhove in 2020 heel vaak, op een zeldzame uitzondering na, door “je” vertaalt. Mij komt voor dat dat een onderdeel is van een ruimere stijlverschuiving, die de auteur naar een meer hedendaags taalgebruik moet brengen. Met de vraag of Walser dan Walser nog is.

Naar aanleiding van de verschijning van een eerder Walser-boek, “De bediende” (Der Gehülfe) in 2021, ook door Machteld Bokhove vertaald, schreef in De Standaard: “Joseph [de bediende] biedt evenveel weerstand als asse waarin men blaast. Hierin lijkt hij wel op Walsers proza, dat zichzelf voortdurend ondermijnt. Verheven zinswendingen worden onder de voet gelopen door basale tussenwerpsels, metaforen gaan met hem op de loop, en zoals Joseph alleen met een zekere verbazing kan vaststellen hoe diep de kloof is tussen wat hij wenst te doen en wat hij werkelijk doet, zo lijken ook Walsers zinnen soms enigszins verbaasd over de toon die zij aanslaan en de zijpaden die zij inslaan.”

citaten

Wat die zinnen betreft, volgen hier enkele citaten uit hoofdstuk 10, in Walsers Duits (D), en in vertaling (NL). Hedwig Tanner spreekt daarin pagina’s lang tot haar broer Simon, die haar nauwelijks onderbreekt.

  • D: Und doch bin ich froh; denn einmal muß man sich aussprechen. Wie du gestern mir nur so geduldig zuhören konntest, Simon! So beinahe andächtig! Und doch bin ich auch darüber froh. Am Abend ist man nicht wie am Morgen, nein, so ganz anders, so verschieden im Ausdruck und im Empfinden. (p.162)
    NL: En toch ben ik blij; want je moet je een keer uitspreken. Hoe kon je mij nou gisteren zo geduldig aanhoren, Simon! Zo aangedaan bijna! En toch ben ik daar blij mee. ‘s Avonds ben je niet als ‘s ochtends, nee, dan ben je totaal anders, zo verschillend in expressie en in gevoel. (p.165)
    Het “men moet zich uitspreken” wordt “je moet je uitspreken”, en “‘s avonds is men anders” wordt “‘s avonds ben je anders”. Het is niet duidelijk over welke “je” het hier gaat. Simon misschien?
  • D: Was man von dir verlangt, das tust du. Du willst alles, was man will. Ich glaube, man könnte von dir viel Ungebührliches verlangen, ehe du es einem übel nähmest. (p.163)
    NL: Wat iemand van je vraagt, dat doe je. Je wilt alles wat er van je gewild wordt. Ik denk dat je van jou veel onredelijks zou kunnen vragen voordat je het iemand kwalijk neemt. (p.166)
  • D: Man muß dich immer erst kennen lernen, ehe man dir glaubt. (p.164)
    NL: Je moet jou eerst leren kennen voordat je jou gelooft. (p.167)
  • D: In einer größeren Gesellschaft von Menschen, wo es doch darauf ankommt, daß man sich zeigt und beliebt macht durch hervorragendes Sprechen, wirst du immer stumm bleiben, weil es dich nicht reizt, den Mund noch aufzutun, wo schon so viele durcheinanderschwatzen. (p.165)
    NL: In een grotere groep mensen waar het er toch op aankomt dat je jezelf laat zien en geliefd maakt door briljant te spreken, zul jij altijd stil blijven omdat jij er geen zin in hebt je mond open te doen als er al zo veel mensen door elkaar heen kletsen. (p.168)
  • etc.

Uit het voorbeeld hierna blijkt hoe in het Nederlands met “je” iets meer mogelijk is dan met “men” (of in het Duits met “man”).

  • D: Man glaubt so Vieles, wenn man unerfahren ist, und die Erfahrungen machen einen wieder an anderes glauben. (p.153)
    NL: Je gelooft zoveel als je onervaren bent, en de ervaringen laten je weer iets anders geloven. (p.156)
    Voor het “laten je geloven” — waarin “je” een lijdend voorwerp is — bestaat geen equivalent met “men” — dat altijd een onderwerp is —, wat in de Duitse tekst met “einen” wordt opgevangen.

In een ander gesprek (hoofdstuk 11), lezen we:

  • D: Ich weiß auch, daß man gefällt, wenn man seine Pflicht erfüllt. (p.176)
    NL: Ik weet ook dat je mensen behaagt als je je plicht vervult. (p.178)

En, als uitsmijter, met “u”, dit gesprek, waarin de directrice van een Kuuroord voor het Volk zich over Simon ontfermt (hoofdstuk 18):

  • D: Man weiß nicht, wie man mit Ihnen dran ist. (p.307)
    NL: Je weet niet, waar je met u aan toe bent. (p.304)

Uit deze voorbeelden (en andere) moge blijken dat in deze vertaling, met het gebruik van het onbepaald voornaamwoord “je”, de juiste betekenis wel eens verloren gaat, en “verheven zinswendingen” worden afgevlakt.

drie boeken

Drie boeken van Robert Walser heb ik onlangs gelezen: “De bediende” (“Der Gehülfe”), “De wandeling” (“Der Spaziergang”), en nu “De Tanners” (“Geschwister Tanner”). In alle drie herken ik de thematiek van een man die nergens aardt, maar verlangt dat iemand zich over hem erbarmt — wat Walser zelf uiteindelijk is geschied, door zijn opname in een psychiatrisch hospitaal in 1929. Het werk van Walser is sterk autobiografisch: hij was de bijna jongste van acht — zijn broers en zussen (Geschwister) inspireerden talrijke personnages —, en verloor zijn moeder toen hij vier was.
“De bediende” is een prachtig boek, waarin ik de door Matthias Somers beschreven kwaliteiten herken. De vorm, met “proza dat zichzelf voortdurend ondermijnt”, stemt mooi overeen met het verhaal. Die congruentie van vorm en inhoud heb ik in de twee andere boeken minder ervaren. “De Tanners” en “De wandeling” bevatten wel prachtige stukken, zoals natuur- of stads- of dorpsbeschrijvingen, en verrassende gedachtenkronkels, waarvoor het verhaal, voor zover dat er is, als kapstok dient. Misschien verwachtte Walser soms niet meer dan opportuniteiten om zijn beschrijvingen en gedachten aan elkaar te reigen.

Brouwers

Ook Jeroen Brouwers heeft (in 1979) verhalen van Robert Walser vertaald.

verkavelingsvlaams

En toch nog dit. In een eerdere bijdrage, in mei 2010, hier opgenomen in 2014, opperde ik de hypothese dat de Vlaamse onzekerheid met (gesproken) Standaardnederlands, en de voorkeur voor Verkavelingsvlaams, haar oorsprong — of althans een deel ervan — vindt in de vervoeging van de tweede persoon. In gesproken taal is de tweede persoon de belangrijkste — je spreekt altijd tot iemand, en je taal, je woordkeuze, bepaalt en herbepaalt de relatie tot die persoon — en het is net de vervoeging van die tweede persoon die voor Vlamingen zo moeilijk is. Er bestaat geen continuüm tussen de dagelijkse, gesproken taal (met gij, u, gijlie, en alle mogelijke varianten… (golle en olle…)) en de Nederlandse standaardtaal. Waardoor men gaat aarzelen, “fouten maakt”, of uiteindelijk terugvalt op Verkavelingsvlaams. Een wat consequenter gebruik van “je” als bezittelijk of wederkerend voornaamwoord in de meervoudsvorm (zie hierboven, punt 2) zou een kleine bijdrage kunnen leveren aan een vlotter taalgebruik, en omslachtige of kromme formuleringen vermijden: “jullie je voorbereiden” in plaats van “jullie jullie voorbereiden”, “jullie u voorbereiden”, “jullie zich voorbereiden” … en dat soort dingen.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑