Jef Van Staeyen

Tag: architectuur en stedenbouw (Pagina 3 van 29)

de polders van Kruibeke ❧

Het Karperhuisje aan de Rupelmondse kreek

Na de grote overstromingen van 1976, toen onder meer de Klein-Brabantse gemeente Ruisbroek getroffen werd (aan de Rupel, nu een deelgemeente van Puurs-Sint-Amands en niet te verwarren met het andere Ruisbroek tussen Brussel en Halle) besliste de Vlaamse overheid het Scheldebekken beter te beschermen door de aanleg van hogere dijken en kaaien én van overstromingsgebieden. Het Sigma-plan. Enige tijd werd nog gedacht een stormvloedkering te bouwen ter hoogte van Oosterweel, maar dergelijke oplossing is duur en kwetsbaar. De nieuwe overstromingsgebieden en de verhoogde dijken langs de Schelde, de Durme, de Rupel, de Zenne en de Nete zijn in zekere zin de “compensatie” daarvan. Overstromingen in het Scheldeland komen minder van de regen op het achterland dan van de zee, met de stand van de maan (springtij) en de noordwestenwind. Dat is wat in 1953 gebeurde (de februaristorm die grote delen van Zeeland blank zette) en ook in 1976. De stijgende zeespiegel (klimaatverandering) en de baggerwerken op de Schelde (scheepvaart) verhogen het risico, vooral nu de andere rivier- of zee-armen van de Schelde-Maas-en-Rijndelta door afsluitdijken zijn beschermd. Sigma verwijst niet toevallig zowel naar de Schelde als naar het Nederlandse Deltaplan — en naar de som Σ van een rist projecten.

Meer ruimte voor de rivier is het krachtige motto van een aanpak waarbij Gecontroleerde OverstromingsGebieden (GOG) en Gereduceerde GetijdenGebieden (GGG) worden gecreëerd. Dijken worden meer landinwaarts, dichter bij de woonkernen gebouwd én verhoogd, en bestaande dijken naast de rivier worden verlaagd, zodat ze in uitzonderlijke gevallen overstroomd kunnen worden. Sluizencomplexen beheren de watertoevoor. Zo onstaat een nieuw landschap naast en buiten de rivier, waarvan sommige delen tweemaal daags gereduceerd overstromen, en andere, veel grotere gebieden slechts enkele keren per jaar, om dan extreem grote watervolumes op te vangen. Niet alleen de rivieren, maar ook de natuur, het landschap en de recreatie profiteren daarvan. Vlaanderen wordt weer een waterland. Van Antwerpen tot Gent, maar ook langs de Rupel, de Durme en de Dender ontstaat een uniek Nationaal park. Uniek, omdat het een brak- en zoetwater-getijdengebied is. De zee, meer dan de regen bepaalt wat er in de Schelde gebeurt: in Antwerpen bedraagt het vloedvolume 3000 m³/sec. en het afvoerdebiet slechts 100 m³/sec., met maxima tot 600.

Het grootste gecontroleerd overstromingsgebied (GOG) van het Sigma-plan en van het Nationaal park is de polder van Kruibeke op de linker Schelde-oever, ongeveer 600 ha groot (6 km²), met daarin ook gereduceerde getijdegebieden (GOG-GGG). Wanneer een overstroming dreigt, wat slechts enkele keren per jaar gebeurt, wordt de ganse polder afgesloten.

Er zijn heel diverse wandel- en fietsmogelijkheden in het gebied, in besloten of integendeel heel open ruimten, door natte bossen tussen plassen of droog op de dijken, aan de rand van de dorpen — en het stadje Rupelmonde, waar ook een oude getijdenmolen staat — of met zicht op de industrie en de werven op de rechteroever van Hoboken tot Schelle. Je bereikt het met bus 93 die van Antwerpen Linkeroever naar Rupelmonde rijdt (en dan Temse en Sint-Niklaas), met het veer vanuit Hoboken of Hemiksem, of met de waterbus. Heel bijzonder is wel, in Vlaamse context toch, dat er geen cafés noch restaurants zijn — die vind je in Rupelmonde of de dorpen achter de dijk — wat overigens de enige manier is om de polders tegen auto’s te beschermen. Wie de Schelde mét café-restaurants wil hebben, kan beter naar de omgeving van Temse en Klein-Brabant gaan.

In 2016, tijdens een boot- en wandeltocht met de vereniging Grenzeloze Schelde “ontdekte” ik het gebied en het project. Ik ben er sindsdien meermaals, maar te weinig, teruggekeerd. Ik ga dat vaker doen: Zestien foto’s van de Kruibeekse polder.

Ook buitenlandse toeristen en/of reisorganisatoren hebben de streek ontdekt. Reeds tweemaal zag ik buitenlandse fietsers van Boat Bike Tours. “Het landschap rond de Schelde is zonder twijfel een van de natuurlijke hoogtepunten van de (achtdaagse) tocht (van Amsterdam naar Brugge)” lees ik op de website.

maison du peuple, Brussel ❧

   

Het Maison du Peuple in Brussel, of Volkshuis, was een ontwerp van architect Victor Horta en werd gebouwd van 1896 tot 1898. Het werd afgebroken in 1965 om plaats te maken voor de “Stevenstoren” (of “Tour Blaton”, naar de naam van het bouwbedrijf dat het heeft opgetrokken), ontworpen door architect Alberto Vanderauwera.

niet de bomen maar de mensen zijn gekwetst

Drakenhoflaan, Deurne, 18 augustus 2025, voor het kappen.

Het komt hard aan. Je woont in een straat met bomen. Ze zijn je vertrouwd. De voorbije maanden hebben ze vaak voor schaduw gezorgd. En misschien keek je al uit naar de herfst met haar prachtige kleuren. Maar je wist ze bedreigd: een project voor een keerlus voor trams waarvan niemand je ooit het nut had kunnen verklaren. Sinds jaren werd er gediscussieerd, was er actie gevoerd, maar je werd niet gehoord. Je vreesde dat een kap imminent was. Je zag en hoorde dat er wat dreigde: parkeerverbodsborden en het gerucht dat er “voorbereidende werkzaamheden” zouden gebeuren.

Die maandag en dinsdag was het zover. De “voorbereidende werkzaamheden” was het kappen van bomen. Eerst in de Boekenberglei, enkele bomen links en rechts, en dan het grote werk: de Drakenhoflaan-Gitschotellei, 62 bomen in het totaal. Er was politie, veel politie, er waren buren en betogers, en enkele incidenten. Er was protest. En er was emotie, echte terechte, en soms gespeelde — klimaat kan ook een hobby of een politieke hefboom zijn, of schrik voor je parkeerplaats. De werken werden — voorlopig — gestaakt. Maar veel kwaad was geschied. Dit, wat echt een provocatie was — 18 augustus —, is niet voor herhaling vatbaar, waarnam de burgemeester.

Voor de mensen die bij die bomen wonen, zijn er twee trauma’s. Ze zijn tweemaal gekwetst. Ze hebben pijn aan het landschap en pijn aan de maatschappij. De aanblik van hun straat is niet meer wat hij was, en hun vertrouwen in “de politiek”, in overleg, in argumenten is danig geschaad. Dat laat sporen na. Het zal jaren duren eer in Antwerpen weer over de toekomst van bomen kan worden gepraat.

Maar voor de bomen is het niet zo erg. OK: de bomen zijn dood, zal je zeggen, dat is erger dan gekwetst. Maar het is niet de dood van die bomen die een beslissende impact gaat hebben op de biodiversiteit, de klimaatverandering, het stedelijk hitte-eiland effect, en al die dingen die zijn gezegd. Op de mensen is al erg genoeg. Zo bijzonder zijn die gerooide bomen niet. De grootste, oudste, prachtige bomen — de eiken van de Boekenberglei — zijn blijven staan. En zullen blijven staan. Maar andere zijn perfect vervangbaar, en zullen vervangen worden door bomen die beter zullen zijn, die het beter zullen hebben, die zich beter kunnen ontwikkelen, die toekomstbestendig zijn. Een argument om bomen te rooien is dat niet, maar de manier waarop bomen in de stad geplant en onderhouden worden is vandaag veel beter dan ze gisteren was. Met ruimte voor wortels in goede grond. [En misschien kunnen we de bomen meteen wat beter verzorgen en voor wat anders “gebruiken” dan om auto’s in de schaduw te parkeren, fietsen vast te maken en honden te laten plassen. Daarvan gaan ze kapot.] Ik vraag me af of al de opinieschrijvers in de kranten de bomen hebben gezien waarom het gaat.

Wat in Deurne-Zuid de Drakenhoflaan heet, heet daarnaast in Borgerhout en Berchem de Gitschotellei. De kapwerken betreffen trouwens ook een stuk van die Gitschotellei (tot aan de Cruyslei en het mooie Boelaarpark). De Gitschotellei is een van de aangenaamste straten van Antwerpen. Door de bomen, inderdaad — en door de brede voetpaden, de winkels, de horeca, de huizen, de tram…  En er is weinig autoverkeer. Komende van Deurne, de Drakenhoflaan, ben je eerst in Borgerhout en dan in Berchem, met halverwege een stuk waar de huizen links al Berchem zijn, en rechts nog Borgerhout. Let nu op: in Berchem staan “oude” bomen langs de straat, in Borgerhout werden de laanbomen vijftien jaar geleden allemaal gekapt, en in de lente van 2014 door nieuwe vervangen. [Ook op Streetview te zien.] Dat gebeurde onder meer om een beter fietspad aan te leggen. Ga ‘s kijken. Zoek de “grens”. Tien, twaalf jaar — of zelfs minder — na het planten van de nieuwe bomen zie je nauwelijks het verschil. We moeten echt niet treuren om de bomen. Om de impact op de mensen wel, dat is belangrijk genoeg.

 

Boekenberglei, Deurne, 18 augustus 2025, een van de 62 bomen die worden gerooid.
[Het rooien van deze boom heeft niets te maken met de keerlus, maar met de aanleg van een fietspad, waarvoor de rijweg verschoven wordt.]

Deurne, Drakenhoflaan, 30 augustus 2025.  Als de bomen gerooid zijn zie je pas hoe lelijk de straten zijn.

Drakenhoflaan, 30 augustus 2025. Jarenlang verwaarsloosd, maar als hij dood is krijgt hij een naam.

Kunnen bomen nog wat anders dan schaduwrijke parkeerplaatsen zijn?
Borgerhout, Gitschotellei, 30 augustus 2025. Enkele van de 62 bomen die worden geveld.
[Ook na de geplande heraanleg blijft de geparkeerde auto de maat der dingen.]

Deurne, de oude eiken van de Boekenberglei, 18 augustus 2025.

Borgerhout, Gitschotellei, 30 augustus 2025, jonge platanen (geplant in de lente van 2014).
[Links de bomen van het Boelaarpark.]

Gitschotellei, Borgerhout en Berchem, 30 augustus 2025.
Tien jaar nadat ze geplant zijn (of zelfs eerder) zijn de jonge bomen nog nauwelijks van de oude te onderscheiden.

Nog over de buurt — juister: de Gitschotellei en de Groenenhoek— schreef ik vijf jaar geleden, toen ik in de Marsstraat woonde: talen en namen in de Groenenhoek. Een heel andere tekst. Hij begint met een omweg naar de buurt (Harmonie) waar ik nu woon.

de belastingdienst en de NMBS beseffen niet wat informatica kan

Omwille van MyMinFin zou je denken dat de belastingdienst wel wat van informatica kent, en weet wat je ermee kan doen. Toch is dat niet steeds het geval.

Op woensdag 23 juli meldde de pers dat de belastingdienst 22 van haar 43 kantoren gaat sluiten. Een “langetermijntraject”, waarmee 2030 wordt bedoeld, en dat moet bijdragen aan de door de regering besliste “vermindering van de overheidsuitgaven en verhoging van de efficiëntie van de federale diensten”.
“De FOD Financiën is verplicht, aldus de woordvoerder Francis Adyns, bij te dragen aan de collectieve inspanning door een structurele verlaging van de werkingskosten, terwijl een hoog serviceniveau voor de burger behouden blijft.”
“Geen naakte ontslagen” weet de vakbond van zijn kant, waardoor niet duidelijk is waar de “structurele verlaging van de werkingskosten” zit, tenzij, alweer Adyns, in het telewerk, “dat de voorbije jaren sterk toegenomen is, en heeft geleid tot een aanzienlijke daling van de gemiddelde bezettingsgraad van de gebouwen.”
Met andere woorden, de gebouwen worden te groot, en daarom is besloten de kleinste te sluiten.

Was het dan niet mogelijk de gebouwen, en vooral de grootste, wat kleiner te maken? Uit niets blijkt dat de FOD Financiën — die ongeveer 20.000 werknemers heeft — bij die beslissing ook buiten zijn eigen muren heeft gekeken, naar de impact op de woon-werk-verplaatsingen, op de ruimtelijke ordening, de duurzaamheid, de dienstverlening aan het publiek…

Want wat is nu net het voordeel van informatica? Van informatie en communicatietechnologieën (ICT)? Inderdaad: dat je voor je kantoorwerk van overal kan werken, en dat je je mensen niet in (grote) kantoren moet samenbrengen.
Het grote voordeel, de grote kracht van ICT is, dat het vandaag makkelijker dan gisteren wordt, om een net van kantoren open te houden. Het voordeel is ook, dat je de belastingdienst in dezelfde gebouwen samen met andere, zelfs gemeentelijke, diensten kan zetten, en dat je het aantal kantoren — of standplaatsen — desgewenst ook kan verhogen. Een kantoor in Dendermonde, bijvoorbeeld? Wanneer mensen thuis werken, of in telewerkplekken, waarom dan niet in kleinere kantoren, met hun collega’s, op een optimale, goed bereikbare plek?
Het bedrijfsmodel van de FOD Financiën, dat mensen in grote aantallen samen zet, dateert uit de vorige eeuw.

stations

Een gelijkaardig verhaal loopt voor de NMBS, die ongeveer 17.000 werknemers heeft, waarvan het leeuwendeel niét op de trein of langs het spoor.
De NMBS sluit loketten — vervangt ze door automaten en websites — en vermindert de dienstverlening. Tickets voor internationale treinen worden sinds vorig jaar in slechts twaalf zgn. travel stores” verkocht. [Neem de trein naar het loket, zegt de NMBS.]
Nochtans biedt de informatica een uitgelezen kans om de dienstverlening in de stations te versterken. Wat belet de NMBS haar personeel over een groot deel van de 550 stations te spreiden, en een deel van dat personeel deeltijds de opdracht te geven de reizigers informatie te verstrekken en tickets te verkopen, ook voor internationale treinen. Wat een reiziger geacht wordt zelf te kunnen doen (bestemmingen, uurroosters en prijzen vergelijken, te beslissen en te betalen) moet élke NMBS-medewerker toch ook kunnen doen.
De voordelen? Stations worden bevolkt, misschien zelfs ook door tele-werkers van andere diensten en bedrijven; personeelsleden werken minder ver van huis, maar wel met collega’s; en de reizigers worden geholpen — weliswaar op vooraf bepaalde uren.
Dat is wat informatica, wat de informatie- en communicatietechnologieën (ICT) echt mogelijk maken. Of blijft ook de NMBS een bedrijf uit de vorige eeuw(en)?

 

Over hetzelfde onderwerp, uit 2017: ook voor de NMBS kan telewerken een oplossing zijn.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑