Jef Van Staeyen

Categorie: Blog (Pagina 14 van 60)

treinen en autocars

(naar aanleiding van het busongeval van 10 april 2022 op de E19-autoweg in Schoten)

We hebben treinen — internationale treinen —, spoorwegen en stations. Maar de exploitatie laat vaak te wensen over. De organisatie is nationaal — of zelfs regionaal, zoals in Frankrijk — en door reglementen, manieren van denken en statuten geremd. Om al die obstakels te overwinnen, denken politici aan concurrentie. Als het spoorwegsysteem vast zit, en we kunnen of willen er niets aan doen, al was het maar door echt Europees te denken — een Europees spoorwegbedrijf, met het beste, niet het slechtste van elk? —, kan concurrentie van private treinen, maar ook autocars, daar wel wat aan doen.

In 2015 kreeg de toenmalige Franse minister van economische zaken, Emmanuel Macron, van zijn president François Hollande zowat carte blanche om het interstedelijk reizigersverkeer te liberaliseren. La loi Macron leidde tot de cars Macron. Talrijke Franse en buitenlandse ondernemingen wierpen zich op de markt, waarbij aan lagere prijzen voor een meestal jong en wat minder koopkrachtig publiek reizen werden aangeboden. Die liepen vooral tussen de grote steden, zowat parallel aan de bestaande spoorverbindingen, en niet, zoals verhoopt of althans beweerd, ter opvulling van de steeds groter wordende gaten in het spoorwegnet. Lagere snelheden, minder ruimte en comfort, onzekerheid omtrent de bagage, het deerde de reizigers weinig, die hun duiten liever aan andere dingen besteedden. Het nadeel werd zelfs een voordeel, wanneer het treinverkeer voor de zoveelste keer door een nationale staking getroffen werd.

Ook op andere manieren evolueerde de mobiliteit. Informatica en smartphones gaven de covoiturage of carpooling de efficiëntie die haar lange tijd ontbrak. Blablacar is zo’n deelplatform, waarmee automobilisten die, zeg maar, occasioneel van Étampes naar Auxerre rijden, een plaats aanbieden aan wie ongeveer in dezelfde richting moet.

“Als er concurrentie ontstaat, doen we daar best zelf aan mee”, oordeelden ze bij de Franse spoorwegen. Ze startten met goedkope TGV’s, die op onmogelijke uren uit bijna onmogelijke stations vertrokken, ze zetten een woud van tarieven op, zodat wie zes weken op voorhand wil weten welke trein van Bourges naar Montluçon rijdt, naast de prijs kan lezen dat er nog vier plaatsen beschikbaar zijn, en vooral: ze startten zelf een autocar-bedrijf, Ouibus, om de eigen treinen in de wielen te rijden.

Velen achtten zich geroepen, maar weinigen hielden het stuur stevig vast. Het duurde niet lang of enkele bedrijven moesten de boeken neerleggen, en andere werden opgekocht. Megabus verdween, Flixbus kocht Eurolines, en het noodlijdende Ouibus werd door de SNCF aan Blablacar verkocht. In ruil werd het Franse, openbare spoorwegbedrijf ook aandeelhouder van Blablacar, maar niemand weet of mag zeggen hoeveel. Wie heden een treinreis wil boeken, krijgt van de spoorwegen de vraag voorgeschoteld of hij niet beter met de auto of autocar  zou gaan.

Die autocars zijn niet zonder problemen. Ze blijven veel gevaarlijker dan treinen — maar wel veiliger dan auto’s —, ze verhogen ook het fileprobleem. Om snelle treinen te laten rijden, hebben de overheden de voorbije jaren aanzienlijke sommen in sporen en stations geïnvesteerd, waarna de autocars op de autoweg in de file staan. Wat elektrisch kan (een trein), rijdt op diesel (een autobus). Steden worstelen met de autocars in hun smalle en drukke straten, waar ze de fietsers en voetgangers bedreigen — de treinen en metro’s of trams rijden wél ondergronds —, én met de vraag van de busbedrijven, en van hun reizigers, naar standplaatsen in de nabijheid van de stations. En omdat bagage op straat makkelijk gestolen wordt, eist men politie. Met andere woorden: al wat al bestaat, treinen, sporen, perrons en stations waar je op je trein kan wachten en je bagage niet gestolen wordt, maar dat niet optimaal georganiseerd is, en dat niet voor alle reizigers even prijsvriendelijk is, wordt náást de sporen en náást de stations, en met meer maatschappelijke en ecologische schade en hinder nog eens over gedaan. Zo’n autocar — van Rijsel naar Amsterdam —, die althans deels voor de Franse spoorwegen rijdt, heeft zich vorige zondag op de autoweg in Schoten onzacht tegen de betonnen vangrails gevleid. Op dertig meter van de hogesnelheidslijn.

we willen trams, geen tunnels

Op 4 maart 2022 verklaarde Vlaams minister van mobiliteit en openbare werken Lydia Peeters aan Radio 2 Antwerpen dat er geen extra geld is voor openbaar vervoer in de Antwerpse regio. Ze antwoordde negatief op de vraag naar meer middelen, die de burgemeesters van de 32 gemeenten van de Vervoerregio haar hadden gesteld. Er zal dus met de oude (te korte, en versleten) riemen moeten worden geroeid, wat veelal betekent dat de capaciteit die je in A creëert, in B moet worden geschrapt. De conflicten over de tramlijnen 7 en 15, en de twee door de Vervoerregio verworpen openbaar vervoerplannen getuigen ervan. Veelal, schrijf ik, want met betere doorstroming, een regelmatiger aanbod en vlottere halteringsprocedures valt er wel wat capaciteit en comfort te winnen.
De blokkering leidde ertoe dat TreinTramBus, de Vlaamse vereniging van openbaar vervoergebruikers, zelf met een tramplan kwam, dat duidelijk beter is dan wat De Lijn tot nu toe heeft voorgesteld. Een plan met de beperkte — té beperkte — middelen. Het lijkt wat op een vakbond die zelf een plan opstelt waarin staat wie ontslagen wordt, om zoveel mogelijk mensen aan de slag te houden. In dit geval, vanwege TreinTramBus, de minst slechte oplossing.

Geen drie weken later, op 24 maart 2022, verklaarde dezelfde Vlaamse minister van mobiliteit en openbare werken Lydia Peeters aan dezelfde Radio 2 Antwerpen dat ze een plan heeft met acht projecten om het tramnetwerk in Antwerpen vanaf 2025 fors uit te breiden en te versterken. “We willen meer trams onder de grond en buiten de stad”, zei de minister. En daar wringt het schoentje. Uitbreidingen van het tramnet “buiten de stad” zijn goed — kunnen goed zijn, mits ze een goede bediening creëren. En ook de districtentram zal een uitstekende zaak zijn; daar passen zeker tunnels in. Maar een belangrijk onderdeel van het plan zijn bijkomende tunnels op plaatsen waar de trams nu bovengronds rijden: met name van Mercatorstraat naar Berchem station, en op wat poëtisch de N12 in Deurne-Noord wordt genoemd, maar wat voor stedelingen alhier gewoon het Cogelsplein en een stukje Turnhoutsebaan is. “Daar waar het mogelijk is — let op het woord “mogelijk”; er staat niet “waar het nodig is” — , komt de tram ondergronds. Als we in smalle woonstraten zitten, of straten waar er niet voldoende ruimte is voor de fiets bijvoorbeeld. Dat zal ook de snelheid van de trams ten goede komen omdat er geen obstakels zijn op de trambedding. Zo kan alles vlotter verlopen”, zei de minister. Vijftig jaar geleden werden tramlijnen ingegraven en de haltes in ondergrondse grotten gestopt om plaats te ruimen voor auto’s, nu wordt hetzelfde aangekondigd ten voordele van fietsen. “Minder obstakels”, zei ze ook, en “vlotter verlopen”, waarbij de minister, die niet in staat bleek het woord “te voet” uit te spreken, zelfs waar het verplaatsingen in de stad betreft, voorbij ging aan het feit dat voor tramreizigers zo’n ondergrondse halte helemaal niet vlotter is. En dat de genoemde straten — waar overigens ook van die dikke Lijnbussen rijden — helemaal geen “smalle woonstraten” zijn.

Om misverstanden te voorkomen: het Cogelsplein en de Deurnse Turnhoutsebaan liggen niét op het traject naar Ranst. Om dat te creëren moet je de flessenhals van de Herentalsebaan aanpakken, waarvoor een specifiek, alternatief traject is voorzien.
En: als er tussen Mercatorstraat en Berchem station plaatselijk een tunnel nodig is, reserveert men die best voor het snelle fietsverkeer, dat liever niet door overstekende voetgangers en dwarsende straten gehinderd wordt. Terwijl voetgangers en trams elkaar wél nodig hebben, liefst op straatniveau. Het oversteken van een trambaan met in elke richting elke drie minuten een tram is voor voetgangers ook makkelijker dan dat van een baan met onvoorspelbaar fiets-snel-verkeer. Overigens: worden de platanen gekapt om de platanen te redden?

 

Het Cogelsplein in Deurne, met banken en tramhalte. (Weliswaar hadden de banken wat korter bij, en de fietsen wat verder van de tramhalte mogen staan. Wie op zo’n bank op de tram wacht, moet goed opletten, en hopen dat er ook andere reizigers zijn.)
Dit plein en deze halte liggen vlakbij de brug over het Schijn en de plek waar het beloofde Schijnpark (een van de mooiste toekomstige Ringparken) aan het Rivierenhof raakt. Een plek om te koesteren, niet om onder de grond te steken.  

 

De Stanleystraat naast de spoorwegberm. Wordt de tramtunnel tussen Mercatorstraat en Berchem station straks ook langs hier geleid?

 

Het plan van minister Peeters is blijkbaar — althans in belangrijke mate — geen openbaar vervoersplan, maar een plan om zware infrastructuurwerken uit te voeren. Infrastructuurwerken waarvan sommige het openbaar vervoer meer schade gaan berokkenen dan ten goede komen. Het doet daarmee ook wat denken aan die andere beslissing van de Vlaamse regering, die om de door covid geteisterde cultuursector te steunen, een plan aankondigde om meer cultuurgebouwen te zetten.

Ik wil hopen dat in volgende zin het meervoud “we” terecht is: we willen trams, geen tunnels.

Oekraïne is ver en groot (kernenergie)

Bij de huidige discussie over het al dan niet sluiten van de twee nog overblijvende kernreactoren in België, wordt zekerheid tegenover ideologie gesteld. Begrijp: alleen het openhouden van de reactoren kan voor zekerheid zorgen — zekerheid van stroomvoorziening — en het sluiten ervan is niet meer dan een ideologische keuze.

Toch zit de zekerheid aan de kant van het sluiten. Eén van de kenmerken van kernenergie is een zéér klein risico op een zéér groot ongeval. Een ongeval dat men zich in feite nauwelijks inbeelden kan. Wat zijn de consequenties van een kernongeval in Doel, in de kerncentrale die op een tiental kilometer van Antwerpen ligt?
Om daar een idee van te krijgen heb ik de kernramp van Chernobyl genomen, van april 1986: Wat was de radioactieve neerslag? Welke gebieden heeft men ontruimd? Wat zou dat geven als je die ruimtelijke gegevens naar Antwerpen overdraagt?
Uiteraard is er de specifieke weersituatie van april 1986, het reliëf, de begroeiing, etc., en het menselijk handelen na de ramp, toen afvalstoffen in allerijl werden gedumpt.
Het vlekkenplaatje van april en mei 1986 is dus niet meer dan één mogelijkheid uit de duizend, maar het geeft wel, veel beter dan een kaart van Oekraïne — en van Wit-Rusland, want ook de kerncentrale van Chernobyl stond vlakbij een grens — een idee van de ruimtelijke omvang van een kernramp.
Oekraïne is ver en groot, en Chernobyl is slechts een vlekje op dat grote land..

Dit is, geprojecteerd op de Benelux, en op Doel, een kernramp van de omvang van Chernobyl. Het is maar één mogelijkheid uit de duizend. Naargelang de windrichting en -kracht, de regen, het menselijk handelen (zoals het dumpen van bestraald materiaal) kunnen totaal andere figuren van gelijkaardige omvang optreden.

 

Dit is, 35 jaar naar de kernramp, het spergebied van Chernobyl, geprojecteerd op een kaart van de Benelux. Ondanks de evacuatie wonen er enkele honderden, vooral oudere mensen in autarkische omstandigheden. Verwacht wordt dat het gebied pas over vijfhonderd eeuwen weer natuurlijke, en dus aanvaardbare stralingswaarden zal halen.

❦

Zelfs als je stelt, dat de kans op een kernongeval in Doel kleiner is dan in Chernobyl, ze bestaat wel degelijk, en de mogelijke impact is enorm.
De zekerheid zit dus niet aan de kant van het nog langer open houden van de kerncentrales, maar van het sluiten ervan, vandaag beter dan morgen. De enige onzekerheid bij het sluiten van de kerncentrales is het risico op een tijdelijk stroomtekort, waarbij enige bedrijven tijdelijk worden stilgelegd (wat omwille van covid-19 ook is gebeurd) en de huishoudens gevraagd of verplicht worden een aantal huishoudapparaten (wasmachines, ovens, strijkijzers…) of laadpalen even tijdelijk niet te gebruiken, en/of de verwarming of koeling wat zachter te zetten. “Flatten the curve”, weet je nog? Dergelijk stroomtekort is (ten eerste) makkelijk voorspelbaar, en dus beheersbaar, en (ten tweede) van korte duur. Het is niet moeilijk ervoor te zorgen dat hospitalen, liften, water- en gasvoorziening, waterzuiveringsstations, openbaar vervoer, verkeerslichten, telecommunicatie, continue productieprocessen, etc. niet worden geraakt.

 

Maar misschien lijd je aan het Pompeï-syndroom, en hou je wel van de idee dat het leven in Antwerpen, de haven en de Scheldedelta op een dag plots stopt, en dat mensen zich over enkele duizenden jaren kunnen verbazen over het hoge Antwerpse beschavingsniveau, toen Rubens en Conscience in het Sportpaleis konden genieten van de concerten van K3.
« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders Noren — Boven ↑