Jef Van Staeyen

Categorie: Blog (Pagina 4 van 60)

vernuft

1.

Laatst sprak ik met de vrouw die mijn voeten verzorgt over huizen en architectuur.
[Die voeten van me, daar kan ik steeds moeilijker bij.  Zij heeft schaartjes, tangetjes en vijlen die ik niet heb. Ze zet kracht zoals ik niet kan.]
Ze werkt en woont in een oud huis in Oud-Berchem, in een straat waar veel mooie oude huizen staan. We praatten over mozaïeken en sgraffiti, over smeedwerk en schrijnwerk, en over oude meubelen. Ik vertelde de vrouw die aan mijn voeten zat over een Rijselse meubelmaker — ébeniste — die na de Eerste wereldoorlog zijn eigen IKEA had, een catalogus vol kasten die allemaal met dezelfde onderdelen werden gebouwd, want de oorlog had veel vernield. [Ik had zijn kleinzoon in zijn atelier ontmoet — hout bewerken is een mooi beroep.] We praatten over de meubels in Good-bye Lenin — de Berlijners zetten hun oude spullen op straat en kochten nieuwe — en Bienvenue chez les Ch’tis — de massieve tafels en kasten lieten weinig ruimte in de kleine en sombere huizen. En over tegelvloeren, lijstwerk, plafond-ornamenten en binnendeuren, beglaasd of vol. Paneeldeuren. Ik wees haar op het feit — dat ze niet had opgemerkt — dat er aan zo’n deuren twee soorten klinken zitten. [Noem het mansplaining van me. Als je niet weet wat dat is, leg ik het wel uit.] Aan de kant waar je de deur open trekt, is de klink een T, en waar je duwt, een L. Dat is geen mnemotechnisch middeltje, geen geheugensteun voor wie de deur open doet, maar een manier om je hand, en vooral de knokkels te beschermen, zodat je je niet kwetst aan de lijst. Al dacht zij bij kwetsen veeleer aan het spijkertje dat soms, verkeerdelijk, de klink aan het sluitwerk houdt.
Die L-vorm van de deurkruk vind ik een prachtig voorbeeld van vernuft. En vernuft vind ik mooi. Er mocht een Nobelprijs voor vernuft bestaan.

Dit zijn niet de deurkrukken uit het verhaal, maar vergelijkbare T- en L-krukken uit een burgerhuis.

2.

Een kwarteeuw terug.
In de keuken van mijn appartement in Rijsel had een schrijnwerker voor me een gipskartonnen wand geplaatst. Van een doorloopkeuken maakte ik een vierkante keuken en een afzonderlijk berghok. Samen met de loodgieter, de elektricien, de steenhouwer en de schrijnwerker richtte ik die keuken in. Elk een deel van het werk. Aan de gipskartonnen wand hing ik kastjes op. Daarvoor kocht ik roestvrij-plaatstalen pluggen, die je met een hamer (zonder boren!) in het gipskarton slaat, en vervolgens met het op te hangen element vastschroeft. Het plaatstaal plooit zich mooi vast. Knutselen, doe-het-zelven is plezant als alles lukt, maar met die plaatstalen pluggen kwam ook het intellectueel plezier, de bewondering om wat een anonieme uitvinder zo mooi had bedacht. Geef ook hem of haar een Nobelprijs voor vernuft.

3.

Dit korte lijstje rond ik af met een grapje vanwege de fysica. Of: hoe een banaal natuurverschijnsel met vernuft wordt gebruikt.

Toen we onlangs met enkele mensen van Treintrambus in het station van Mechelen-Nekkerspoel folders uitdeelden — enkele dagen later werden in de dienstregeling de helft van de intercities geschrapt — kwam een man de reclame-affiches vernieuwen. Je weet wel: zo’n lichtbakken van ongeveer anderhalve vierkante meter, waarin papieren affiches hangen, die vaak al na enkele dagen worden vernieuwd.
De beglazing van zo’n lichtbak scharniert aan de bovenkant. De man opent het ding, neemt een of andere staaf of buis en rolt de affiche, die al deels is losgekomen, er half op. Met de bedrukte zijde naar binnen. Om de bovenste helft vrij te maken, verschuift de man een klein hendeltje aan de rechterkant, waardoor die helft een eind naar beneden komt. De man rolt de affiche verder op, en maakt ze los uit een profiel aan haar bovenkant. Ergens aan zijn werkpak steekt een zelfklevertje klaar, waarmee hij de opgerolde affiche sluit. Hij neemt een nieuwe affiche, waarmee hij de omgekeerde beweging maakt. Hij schuift de bovenkant van de affiche in het profiel, ontrolt ze, duwt met het hendeltje de half uitgerolde affiche terug naar boven, en ontrolt de rest. De affiche hangt, weliswaar, maar de hoeken linksonder en rechtsonder krullen flink omhoog. Nu komt een probleem, denk je dan, als je het ziet, want de man klapt het beglaasde raam weer dicht, daar komen grote ezelsoren van. Maar je vergeet de luchtdruk, die het sluitende raam op de affiche zet, waardoor ze mooi vlak en strak komt te staan. Je gelooft je ogen niet als je hetziet. OK, het is maar reclame, en je zou wensen dat openbaar-vervoersbedrijven, De Lijn dan veeleer dan de trein, wat vaker en vlotter hun affiches vervingen, maar het is wel knap.

 

briefwisseling met De Volkskrant

Geen krant is meer De Volkskrant dan De Volkskrant. Ze is een unieke, echt-Nederlandse combinatie van calvinistische radicaliteit en katholieke schuld en schaamte. Niet toevallig is de van oorsprong Brabantse, katholieke krant van Den Bosch via Utrecht naar Amsterdam verhuisd.

De Volkskrant heeft een brievenrubriek, die nog meer De Volkskrant dan De Volkskrant is, als je begrijpt wat ik bedoel, en die niet achter een betaalmuur zit. Je kan hem veelal makkelijk lezen — behalve de oudere edities, en de artikels waarnaar verwezen wordt — en je kan ervoor schrijven. Wat ik recent deed.
[De naam van een collega-lezer-schrijver-van-brieven heb ik hier tot J.B. afgekort.]

Op 3 januari 2025 zond J.B. uit Zeist een brief.
Hij bekloeg zich over de moeilijke relatie tot zijn buren, die van barbecuën houden, en niet van de verse groenten die hij zelf verkiest, en met wie geen gesprek — geen overeenstemming — over maatschappelijke thema’s mogelijk is.
En: samen klaverjassen is beperkt.

Op 6 januari zond ik volgende reactie:
Ben ik blij dat ik mensen als J.B. uit Zeist niet als buren heb (De Volkskrant, 3 januari 2025),
— Mooi weer vandaag, vind je niet? Ik hou wel van wat sneeuw, met de zon erop.
— Ja, maar de vluchtelingen.
— Die film van Harry Potter gisteravond ook gezien?
— Nee, want de transgenders.
— Heb je gezien dat de gemeente onlangs vier nieuwe bomen heeft geplant op het plein?
— Ja, maar die barbecue staat er nog steeds.
Misschien moeten mensen, naar Amerikaans voorbeeld, met gelijkgezinden in gelijkgezindenwijken gaan wonen, waar iedereen hetzelfde vindt. Bill Bishop in “The Big Sort. Why the clustering of like-minded America is tearing us apart”, 2009, legt uit hoe dat werkt. Noem het “de grote schifting” :-)
Ik heb buren, en buren gehad, met radicaal andere meningen dan ik. Toch drinken we samen koffie, of wat bier. Ze hebben wel gemerkt dat ze sommige grappen beter voor elders kunnen houden.

Dezelfde dag nog publiceerde De Volkskrant mijn brief als volgt:
Gelijkgezinden
Ben ik blij dat ik mensen als J.B. die klaagt over zijn barbecuende buren, niet als buurman heb. Misschien moeten mensen, naar Amerikaans voorbeeld, met gelijkgezinden in gelijkgezindenwijken gaan wonen, waar iedereen hetzelfde vindt. Bill Bishop legt in The Big Sort. Why the clustering of like-minded America is tearing us apart uit hoe dat werkt. Noem het ‘de grote schifting’. Ik heb buren met radicaal andere meningen dan ik. Toch drinken we samen koffie, of wat bier. Ze hebben wel gemerkt dat ze sommige grappen beter voor elders kunnen houden.

En ze meldde me:
Hartelijk dank voor uw bijdrage, die wij met belangstelling hebben gelezen. We zijn verheugd u mede te delen dat uw brief is geplaatst in de rubriek Geachte Redactie van de Volkskrant.

Ik reageerde:
geachte redactie,
Dank voor uw bericht.
Maar toch.
Contractueel heeft u gelijk: wie een lezersbrief schrijft aan de krant, aanvaardt meteen dat de redactie hem inkort en daarvoor aanpast.
Inhoudelijk veel minder.
Ik heb mijn brief kort gehouden, met enkel het nodige erin.
Maar door het schrappen van de zes korte lijnen, in feite drie zeer korte gesprekken, “prikkelend geschreven”, die over meningen gaan, gaat mijn brief wel de mist in.
Het verband tussen het begin en het einde verdwijnt.
Ik troost me met de gedachte dat niemand van de lezers me kent.
Maar vraag me ondertussen wel af of J.B. uit Zeist, op wiens brief ik reageerde, wel heeft bedoeld en geschreven wat in uw krant heeft gestaan.

a Dutchman in Houston — Jan de Hartog, the Hospital

In een tekst die ik in 2007 na de reis naar Québec en Montréal geschreven heb — Nieuwe wereld — kwam ik na lange omzwervingen bij Jan de Hartog  terecht. Canada is migratie — besefte ik toen dat ook mijn dochter door dat beestje gebeten ging worden? —, en van migratie naar migranten en dan naar vluchtelingen, naar de Joodse vluchtelingen op de Duitse oceaanstomer Saint-Louis in 1939, en tenslotte naar “Schipper naast God”, het zijn kleine, logische stappen.

Ik schreef:

De zwerfvaart van de Saint-Louis, die in 1939 door de publieke opinies met aandacht werd gevolgd, heeft wellicht Jan de Hartog geïnspireerd toen hij in 1941 het toneelstuk “Schipper naast God” schreef, dat in 1943 in Engeland in première ging. Het verhaal speelt in 1938: nadat de 146 Joodse vluchtelingen aan boord van de “Hoop voor Allen” in Montevideo niet aan land zijn kunnen gaan, en na lange discussies met wereldlijke en kerkelijke gezagsdragers, besluit Kuiper (de kapitein) zijn schip in de Amerikaanse wateren tot zinken te brengen, zodat de marine wel verplicht is de Joden te redden.
“Dus wanneer ik met mijn honderdzesenveertig Joden de zee opvaar en daar verrek van honger en dorst [en niet langer probeer hen in Amerika aan land te zetten], tot ik een spookschip geworden zal zijn, dan ben ik een goed staatsburger?” (tweede bedrijf)
Ook Jan de Hartog is uiteindelijk, zijn personages achterna, naar Amerika getrokken. Hij is daar een Amerikaans schrijver geworden, die sommige van zijn boeken naar het Nederlands vertaalde. Voor zijn nieuwe landgenoten was hij de Dutchman; voor Nederlanders werd hij omzeggens een landverrader. Tweemaal is De Hartog moeten vluchten. Een eerste maal uit bezet Nederland, omwille van de titel van zijn in 1940 verschenen “Hollands Glorie” dat allengs als een daad van verzet werd beschouwd; een tweede maal uit Houston, waar zijn roman “The Hospital” niet in goede aarde viel. Hij is altijd een eigengereid, borstelig schrijver gebleven.

 

“Het ziekenhuis”, de Nederlandse vertaling van “The Hospital”, zag ik wat toevallig in een tweedehandsboekhandel in de Wolstraat. Elsevier, 1965, gebonden, alleen een lintje ontbreekt. “Een verhaal uit Texas, dat nog altijd het Wilde Westen van Amerika is” staat er als incipit. Zonder de reis naar Canada in 2007 had ik dat boek in 2024 nooit gekocht. Zo zit mijn hoofd in elkaar. Serendipiteit heet dat.

Jan de Hartog en zijn Engelse vrouw Marjorie Mein waren quakers. Na enige omzwervingen in Europa hadden ze zich in 1956 in de Verenigde Staten gevestigd. Een beetje per toeval was dat in Houston, een havenstad met een grote kraan die hun woonschip uit Europa, een omgebouwde tjalk, de Rival, uit een vrachtschip hijsen kon. Na nog enige omzwervingen met de Rival en een korte terugkeer naar Nederland om samen met zijn broer voor zijn stervende moeder te zorgen, vestigde het koppel zich definitief in Houston, waar De Hartog een baan als docent dramaturgie was aangeboden. Het was Jans moeder die de bekering tot het quakerschap bewerkstelligde, en het was het quakerschap dat Jan en Marjorie ertoe bracht zich als vrijwilliger in te zetten voor het Jefferson-Davis hospitaal. Exacter: voor de patiënten en  verpleegkundigen ervan.

buddy en honey

Jan de Hartog is vol lof over Houston, waarvan hij de mensen, het leven en de dynamiek prijst, en dat hij uitdrukkelijk in het westen, en niet het zuiden van de Verenigde Staten situeert, maar hij is scherp over de mensonterende toestanden in het hospitaal. Houston heeft een Medisch Centrum met zeven moderne ziekenhuizen, en een openbaar hospitaal voor de arme, vooral zwarte bevolking: het Jefferson-Davis. De smerigheid, de hopeloosheid, de pijn en de werkdruk voor de verpleegkundigen druipt van het boek. De Hartog en zijn geloofsgenoten verzetten bergen om geld en vrijwilligers te vinden, maar botsen op de meest diverse obstakels. Het hospitaal wordt gefinancierd door de county (een soort provincie) en de stad, die elkaar voortdurend in de haren zitten en de financiële middelen zelfs willen verlagen; goedbedoelde initiatieven verzanden in prerogatieven van mensen en diensten die liever de controle houden over wat slecht of niet werkt dan haar te verliezen over wat goed functioneert; er zijn conflicten met jonge artsen die het hospitaal vooral als een uitstekende scholing zien; er zijn procedures en regels — het Rode Kruis treedt enkel op als het wordt gevraagd, en het hospitaal wil geen hulp tenzij die er zelf om vraagt — en er is het diep gewortelde misprijzen voor de zwarten. De blanken zijn niet in staat zich met de zwarten te identificeren, zelfs niet ze met Mister of Miss aan te spreken (in plaats van buddy of honey), en wanneer het ziekenhuis naar nieuwe gebouwen verhuist, staan de lokale televisieploegen klaar om de eerste patiënt te filmen… die vooral blank moet zijn.

Het verhaal zeilt 300 pagina’s lang van successen naar tegenslagen naar nieuwe successen, etc. Mislukkingen bieden nieuwe kansen, maar wat lijkt te slagen loopt op een sisser uit. Het boek had korter of langer kunnen zijn, met alle tegenslagen en meevallers, en met de portrettering van enkele uitzonderlijke mensen, die vooral bij de verpleegsters te vinden zijn. Korter misschien, omdat de climax in de eerste hoofdstukken zit, en omdat wie na de laatste pagina’s de eerste herleest, opvalt hoe sterk die geschreven zijn. Voor De Hartogs boek geldt, wat ook voor het ziekenhuis geldt: hoe meer zieken er zijn, hoe minder je ze ziet. [Lees daaromtrent ook het lange citaat hieronder.] Anderzijds is de intentie van het boek niet, vandaag gelezen en geapprecieerd te worden, maar wel in het Houston van 1964 een hervorming van het ziekenhuis te bewerkstelligen, wat het in zekere mate ook is gelukt.

n****

De taal van het zestig jaar oude boek verrast. Enerzijds lezen we in een gesprek met een landgenoot “sprak hij een Hollands woord dat ik hier niet kan herhalen” (pagina 123). Een woord, vermoed ik, dat nu elke dag op radio of televisie te horen valt. Anderzijds is het boek, vanaf de eerste alinea, vergeven van de vijf- of zesletterige n-woorden, en allerlei samenstellingen ermee (n****baby’s, n****kindjes, een n****meisje, een n****broeder, waarmee een ziekenverzorger wordt bedoeld…). Ik ben nu voldoende ge-contra-conditioneerd om daardoor verschrikt en gegeneerd te zijn. De preutsheid is gekeerd. Mag ik even geschokt zijn wanneer De Hartog de roodgenekte proleten vermeldt (pagina 137)?

een citaat

(pagina 25 en volgende: Jan de Hartog verwijst vaak naar zijn oorlogservaringen, en naar zijn leven op zee.)

De stank van armoede kun je niet omschrijven, hoewel hij overal in de wereld dezelfde is. Ik had hem geroken in India, in Parijs, in gevangenkampen tijdens de oorlog, maar het meest onvergetelijk toen de eerste slachtoffers van de nazi-concentratiekampen na hun bevrijding in het vaderland terugkeerden. Het riep beelden in mij wakker van horden mensen, teruggebracht tot een staat van dierlijkheid, door ambtenaren gevoederd met hutspot geschept uit tonnen op een winderig stationsperron. Goederenwagens vol menselijk vee had ik hun last zien uitbraken op dat perron. Ik had gezien hoe menslievende helpers waren begonnen met hen te behandelen als ongelukkige medemensen, maar voordat de dag voorbij was, schreeuwden zij tegen hen en dreven die wemelende, afgestompte massa op als cowboys een kudde vee. Ik veronderstel, dat dit kwam, omdat zij er zich niet meer mee konden vereenzelvigen. Het was onmogelijk voor normale, beschaafde mannen om zich te vereenzelvigen met die stinkende, vervuilde, uitgehongerde, van luizen krioelende menselijke wrakken. Niemand kon zich een realistische voorstelling maken van de omstandigheden, waarin deze mensen gedwongen waren geweest te leven, met als resultaat hun degeneratie tot een kudde vee, doelloos ronddolende op de grens van een massale paniek. Ik was hun stank vergeten; ik herinnerde mij die weer, na al die jaren, toen ik het Jefferson-Davis Gasthuis in Houston, Texas, binnentrad.
Achter een bureau in de hal zaten twee jonge vrouwen (…). Zij behandelden de menigte van patiënten die wachtte op toelating tot een van de afdelingen, op vrijwel dezelfde manier als die helpers op dat Belgische perron zich hadden gedragen tegen de woordvoerders van die rumoerige, blatende, loeiende en fluitende kudde in de goederenwagons, die op het punt stonden gelost te worden. Zij waren wel beleefd, maar zij spraken tegen een volkomen andere diersoort. Hadden deze armoedig geklede, onderdanige schepsels tot hun eigen ras behoord, dan waren zij wellicht tot een zekere vorm van identificatie in staat geweest, maar voor het merendeel waren het n****s. Op het ogenblik dat ik die hal binnenkwam, voelde ik dat hier het kernprobleem voor dit ziekenhuis lag. Ik kreeg opeens het gevoel van twee volkomen verschillende werelden: een vóór dat bureau, en een eráchter. De bewoners van die werelden waren niet in staat om elkander als individuele mensen te zien, alleen maar als vertegenwoordiger van hun ras. De vijf minuten die ik wachtend voor dat bureau in die hal moest doorbrengen, overtuigden mij van Marjories gelijk, toen zij opmerkte dat dit een zuidelijke stad was, die deed alsof zij bij het westen hoorde.
De verandering in de beide jonge vrouwen toen ik aan de beurt kwam, was opvallend. Ik werd door hen begroet met dezelfde warmte, vriendelijkheid en opgewektheid die ik tot nu toe overal in deze stad had ondervonden alsof wij medeleden waren van een geheime organisatie, een samenzwering tot succes. (…) Ik liep naar de lift en wachtte daar even met een groepje bezoekers, die allemaal in het bezit waren van het bewijsje dat zij het gasthuis mochten betreden. Toen de lift voorgleed en wij naar binnen mochten, had ik opeens het vreemde gevoel weer in uniform te lopen; pas toen ik erin stond en tegen de gekleurde liftjongen ‘Tweede’ had gezegd, drong het tot mij door dat ik — alhoewel als laatste erbij gekomen — als eerste die lift had mogen binnengaan, schijnbaar met stilzwijgende instemming van alle betrokkenen. Het was zo volkomen vanzelfsprekend gegaan, dat ik het mij pas bewust werd door de associatie met mijn zeemansverleden.
(…)
Uiteindelijk zou het onvermijdelijke mij ook overkomen. Net als alle anderen zou ook ik gewend raken aan het schouwspel van deze wachtende mensen en hun eeuwige, zwijgende aanwezigheid aanvaarden als een onveranderlijk natuurverschijnsel, zoals het klimaat.

Texas State Historical Society

Meer over het Jefferson-Davis ziekenhuis en over de impact van Jan de Hartogs boek lees je bij de Texas State Historical Association: The most famous report on Jefferson Davis was written by a hospital volunteer, Jan de Hartog, who initially published a letter in the April 21, 1963, edition of the Houston Chronicle and detailed the appalling conditions he observed at Jefferson Davis. He later wrote about his experiences in his book The Hospital.

On November 20, 1965, county residents finally approved the creation of a hospital district to oversee operations of Jefferson Davis and Ben Taub hospitals, the fifth time the measure had gone to voters. Met andere woorden: Jan de Hartog moest niet alleen de bestuurders en de lokale politici overtuigen, maar eerst en vooral de kiezers van de county. De oprichting van een hospitaal-district, dat de werking van het hospitaal bepaalt en financiert, hadden ze meerdere keren weggestemd.

drie toeristische teleurstellingen

Er zijn talrijke plaatsen waar ik zeer mooie herinneringen aan heb. Sommige wil ik graag nog eens bezoeken. Andere niet — uit vrees dat het tegenvalt…
En er zijn enkele — zeldzame — plekken die me zwaar hebben teleurgesteld. Ik geef er drie. Ik denk niet dat er nog andere zijn.

Mulhouse, treinen in de duisternis  ★☆☆☆☆

Ik ben een spoorwegfanaat, een ferrovipaat. Zowel van kleine als — vooral — van grote treinen. Toch heb ik tweemaal Luzern bezocht (met vrienden, en met mijn kinderen) zonder naar het befaamde transportmuseum te gaan. Zó fanatiek ben ik dus niet. In het Franse Mulhouse wilde ik dat corrigeren. Reeds lang geleden had mijn Franse familie, die mijn bewondering voor grote machines op sporen kent, me over dat museum gesproken. Een vakantie in de Vogezen en het Zwarte Woud in 2003 was de gelegenheid om met de kinderen naar dat museum te gaan.
In Mulhouse is er echter ook een befaamd automobielmuseum, en ik ben (of was?) democratisch genoeg om de kinderen te laten kiezen. Treinen of auto’s? Het werden auto’s.
Het jaar daarop, in 2004, zaten we weer in de buurt. Dé kans om dan toch het spoorwegmuseum te zien. Op de website zocht ik de locatie en de openingsuren. Ondanks de beperkte bewegwijzering — nog geen GPS — vond ik het museum… en zag dat het in een gigantische bouwwerf herschapen was. Het museum was dicht, maar dat wist de website niet.
Derde keer goede keer. Ik werkte in de grensoverschrijdende samenwerking in Rijsel (Lille), en dat hield in dat ik meermaals per jaar voor conferenties, werkgroepen, uitwisselingsprogramma’s… op andere grenzen zat: Bayonne, Menton, Chamonix, Genève, Straatsburg, Longwy, Kopenhagen, Heerlen, Ratzdorf… of Mulhouse. Eén van die conferenties, in 2006, gaf me de kans, mits een vroeger vertrek (en een iets latere aankomst) uiteindelijk toch nog naar het spoorwegmuseum van Mulhouse te gaan.
Je meet mijn teleurstelling niet! Allicht was dat het resultaat van het renovatieproject dat voordien was uitgevoerd, maar voor de sfeer had men al die prachtige machines… in het halfduister gezet. Ik ging om de treinen te zien, de wielen, de stangen, de klinknagels, bouten en moeren, de ketels en schouwen, de vensters en deuren, de platen, het koper en het schilderwerk… er was amper wat te zien. De treinen hadden ook van karton kunnen zijn.

La Cité du Train in Mulhouse krijgt van mij één ster, omdat er naast de donkere hal waar je de treinen nauwelijks kan zien, ook banale, correct verlichte hallen zijn (of waren?) waar de prachtige locomotieven en wagons gewoon achter elkaar staan gerangeerd.

Melk, de abdij  ★☆☆☆☆

Ik moet nog op de middelbare schoolbanken gezeten hebben, de les geschiedenis allicht. Een foto van de abdij van Melk, op een rots aan de oever van de Donau, sprak me aan. Ooit moest ik die zien.
Een architectuurtrip met een vriend, ergens in de jaren 70 of 80, bood een eerste kans. Stuttgart en Wenen: Melk ligt op de weg. Maar des vriends interesse ging toch veeleer naar moderne, vooroorlogse architectuur, niet naar barok, en de weg was lang.
Járen later, in 1996, bood een reis met de kinderen naar Tjechië, Polen en Slovakije een nieuwe kans. Op de terugweg van Bratislava zijn we in Melk gestopt. Ik droomde van een wandeling door de grote poort, over de mooie pleinen, alles zoals de architect (Jakob Prandtauer) het heeft gewild. Niets daarvan: via een kleine poort mag je binnen, waarna een onduidelijk parcours door gangen, zalen en kamers volgt. De architectuur, de promenade architecturale — om het met een anachronisme te zeggen — krijg je niet te zien.

Het Stift Melk krijgt van mij één ster, want de abdij is mooi, en omdat ik hoop dat het parcours intussen verbeterd is.

Schengen zonder grenzen  ★☆☆☆☆

Je mag het een obsessie noemen, maar toen ik in de grensoverschrijdende samenwerking werkte leek een korte herfstvakantie in Schengen met de kinderen me een goed idee. Luxemburg was culturele hoofdstad van Europa (1995), het was herfst in de bossen, en vanuit een grensstadje als Schengen krijg je drie landen te zien. Het huisje dat ik huurde was niet op bezoekers ingesteld — de eigenaars hadden schrik van leegte, en hadden voor de gezelligheid de schabben, de meubels en de tafels vol stoffige, onnuttige spullen gezet —, het comfort was bedenkelijk — bij een warme douche hoorde een ontploffing in de geiser —, maar vooral, en ik had het moeten weten: Schengen is allicht het minst charmante dorpje van het hele hertogdom. Het is één klomp alcohol- en sigarettenwinkels en benzinestations. Of ik mijn geld voor het huisje heb teruggevraagd en -gekregen, weet ik niet, maar we zijn naar een Waals vakantiedorp nabij Virton gevlucht. Dat kende ik al van het jaar voordien.

Schengen krijgt van mij één ster, omdat het een aangename locatie is voor wie alcoholische dranken, sigaretten of benzine zoekt.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders Noren — Boven ↑