Gisteren ben ik langs de Leie gaan wandelen. Het museum Dhondt-Dhaenens, het kasteel van Ooidonk, het sas van Astene. Met een goed boek (W.G. Sebald) waarover ik weldra schrijf — ik had ook een schriftje voor aantekeningen met me mee.
Wat me verraste waren de fietsen. Naast het terras van een brasserie in Bachte-Maria-Leerne (rogvleugel met kappertjes) stonden tientallen fietsen geparkeerd. Maar terwijl zo’n fietsen enkele jaren geleden behoudens enkele hippe koersfietsen van kleurrijke Lycrarijders vooral oude dingen waren, lang geleden van een nonkel gekregen en enigszins opgeknapt, wat het slepend geluid nooit helemaal had weggewerkt, stonden er nu vooral blinkend nieuwe fietsen — alsof het Tesla’s waren (die waren er ook) — die blijkbaar pas uit hun kartonnen verpakking waren gekropen, en vaak per twee in het hetzelfde model en met dezelfde donkere kleur waren aangeschaft. Op het wandelpad zag ik ze aarzelend rijden, sommigen nauwelijks in staat het zware ding recht te houden wanneer ze stopten.
De elektrificatie van de auto’s loopt langzaam, die van de fietsen loopt snel.
Categorie: Blog (Pagina 3 van 60)
Omwille van MyMinFin zou je denken dat de belastingdienst wel wat van informatica kent, en weet wat je ermee kan doen. Toch is dat niet steeds het geval.
Op woensdag 23 juli meldde de pers dat de belastingdienst 22 van haar 43 kantoren gaat sluiten. Een “langetermijntraject”, waarmee 2030 wordt bedoeld, en dat moet bijdragen aan de door de regering besliste “vermindering van de overheidsuitgaven en verhoging van de efficiëntie van de federale diensten”.
“De FOD Financiën is verplicht, aldus de woordvoerder Francis Adyns, bij te dragen aan de collectieve inspanning door een structurele verlaging van de werkingskosten, terwijl een hoog serviceniveau voor de burger behouden blijft.”
“Geen naakte ontslagen” weet de vakbond van zijn kant, waardoor niet duidelijk is waar de “structurele verlaging van de werkingskosten” zit, tenzij, alweer Adyns, in het telewerk, “dat de voorbije jaren sterk toegenomen is, en heeft geleid tot een aanzienlijke daling van de gemiddelde bezettingsgraad van de gebouwen.”
Met andere woorden, de gebouwen worden te groot, en daarom is besloten de kleinste te sluiten.
Was het dan niet mogelijk de gebouwen, en vooral de grootste, wat kleiner te maken? Uit niets blijkt dat de FOD Financiën — die ongeveer 20.000 werknemers heeft — bij die beslissing ook buiten zijn eigen muren heeft gekeken, naar de impact op de woon-werk-verplaatsingen, op de ruimtelijke ordening, de duurzaamheid, de dienstverlening aan het publiek…
Want wat is nu net het voordeel van informatica? Van informatie en communicatietechnologieën (ICT)? Inderdaad: dat je voor je kantoorwerk van overal kan werken, en dat je je mensen niet in (grote) kantoren moet samenbrengen.
Het grote voordeel, de grote kracht van ICT is, dat het vandaag makkelijker dan gisteren wordt, om een net van kantoren open te houden. Het voordeel is ook, dat je de belastingdienst in dezelfde gebouwen samen met andere, zelfs gemeentelijke, diensten kan zetten, en dat je het aantal kantoren — of standplaatsen — desgewenst ook kan verhogen. Een kantoor in Dendermonde, bijvoorbeeld? Wanneer mensen thuis werken, of in telewerkplekken, waarom dan niet in kleinere kantoren, met hun collega’s, op een optimale, goed bereikbare plek?
Het bedrijfsmodel van de FOD Financiën, dat mensen in grote aantallen samen zet, dateert uit de vorige eeuw.
stations
Een gelijkaardig verhaal loopt voor de NMBS, die ongeveer 17.000 werknemers heeft, waarvan het leeuwendeel niét op de trein of langs het spoor.
De NMBS sluit loketten — vervangt ze door automaten en websites — en vermindert de dienstverlening. Tickets voor internationale treinen worden sinds vorig jaar in slechts twaalf zgn. travel stores” verkocht. [Neem de trein naar het loket, zegt de NMBS.]
Nochtans biedt de informatica een uitgelezen kans om de dienstverlening in de stations te versterken. Wat belet de NMBS haar personeel over een groot deel van de 550 stations te spreiden, en een deel van dat personeel deeltijds de opdracht te geven de reizigers informatie te verstrekken en tickets te verkopen, ook voor internationale treinen. Wat een reiziger geacht wordt zelf te kunnen doen (bestemmingen, uurroosters en prijzen vergelijken, te beslissen en te betalen) moet élke NMBS-medewerker toch ook kunnen doen.
De voordelen? Stations worden bevolkt, misschien zelfs ook door tele-werkers van andere diensten en bedrijven; personeelsleden werken minder ver van huis, maar wel met collega’s; en de reizigers worden geholpen — weliswaar op vooraf bepaalde uren.
Dat is wat informatica, wat de informatie- en communicatietechnologieën (ICT) echt mogelijk maken. Of blijft ook de NMBS een bedrijf uit de vorige eeuw(en)?
Over hetzelfde onderwerp, uit 2017: ook voor de NMBS kan telewerken een oplossing zijn.
Hier in de buurt is een ijssalon, dat Montebello heet.
Een zonnige, Italiaanse naam voor een ijssalon — de mooie berg.
Montebello is een dorp in Lombardije, tussen Genua en Milaan, Piacenza en Turijn. Maar de link van het ijssalon met het dorp is niet zo eenvoudig.
Montebello is de naam van de straat waarin het ijssalon gelegen is.
Die straatnaam verwijst naar het verdwenen fort Montebello, dat in 1806-1810 door het Franse leger werd gebouwd waar nu het Justitiepaleis staat.
Ze noemden het fort naar de (eerste) slag van Montebello, waar ze in 1800 de Oostenrijkers verslagen hebben.
Ook in 1859 werd er in Montebello slag geleverd, de tweede slag van Montebello: weer werden de Oostenrijkers verslagen, dimaal door een coalitie van een Piémontees-Sardijns (laat ons zeggen: Italiaans) en een Frans leger, als deel van de tweede Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog.
Door zijn naam verwijst het ijssalon naar de straat, die naar een verdwenen fort verwijst, dat naar een veldslag verwijst, die haar naam aan een dorpje te danken heeft. Het ijssalon, de straat, het fort, de veldslagen en het dorp zijn eponiemen. Ze dragen dezelfde naam. Ze zijn naar elkaar vernoemd.
Ik herinner me hoe ik, jaren geleden in Rijsel, onder de indruk was van het logo van een elektricien. Of was het een loodgieter? een schrijnwerker?
De man heette PIERRE CARRÉ, en het logo op zijn auto was iets met een cirkel.
Een doordenker (*)Pi Erre Carré, of πr² is het oppervlak van een cirkel. die me deed glimlachen.
Maar onlangs, aan de tramhalte in de Lange Leemstraat, moest ik schaterlachen toen ik op een wachtende auto een logo zag — en begreep.
Het logo ziet er zo uit.
Ik was verrast toen ik het zag.
Ik voelde me weer kind.
Toen zag ik de naam: dries otten.
Ik moet hoorbaar gelachen hebben, want de bestuurder van de auto (Dries Otten zelf) keek naar mij. Ik stak mijn duim omhoog — dat deed hij ook — en wees in de richting van het logo. We deelden een lach.
Dries Otten is meubelontwerper, interieurarchitect en scenograaf, hier in de buurt.
Het logo is ontworpen door Emma Thyssen, illustratrice.


