Gisteren ben ik langs de Leie gaan wandelen. Het museum Dhondt-Dhaenens, het kasteel van Ooidonk, het sas van Astene. Met een goed boek (W.G. Sebald) waarover ik weldra schrijf — ik had ook een schriftje voor aantekeningen met me mee.
Wat me verraste waren de fietsen. Naast het terras van een brasserie in Bachte-Maria-Leerne (rogvleugel met kappertjes) stonden tientallen fietsen geparkeerd. Maar terwijl zo’n fietsen enkele jaren geleden behoudens enkele hippe koersfietsen voor kleurrijke Lycrarijders vooral oude dingen waren, lang geleden van een nonkel gekregen en enigszins opgeknapt, wat het slepend geluid nooit helemaal had weggewerkt, stonden er nu vooral blinkend nieuwe fietsen — alsof het Tesla’s waren (die waren er ook) — die blijkbaar pas uit hun kartonnen verpakking waren gekropen, en vaak per twee in het hetzelfde model en met dezelfde donkere kleur waren aangeschaft. Op het wandelpad zag ik ze aarzelend rijden, sommigen nauwelijks in staat het zware ding recht te houden wanneer ze stopten.
De elektrificatie van de auto’s loopt langzaam, die van de fietsen loopt snel.

