moskenes.be

Jef Van Staeyen

Pagina 2 van 91

autoloze zondag

Vanmorgen, op de markt in Berchem, stond een klant, een in mijn ogen oude man – een leeftijdsgenoot – te pochen over zijn oude auto. Zijn oldtimer. De marktkramer wist blijkbaar waarover het ging, hij kende het model, ik niet. “Gelukkig heb ik een model van na 1973, voegde de man eraan toe. Toen is er in Amerika een oliecrisis geweest, waarna ze die auto’s lichter hebben gemaakt, opdat ze minder zouden gebruiken.”
Een oliecrisis in Amerika? zeg ik. Hier ook.”
Ik wilde nog de autoloze zondagen in herinnering brengen, maar de man wierp al op “1973? dat weet ik niet meer, daar ben ik toch te jong voor.”

de zaak Van Beirendonck

Europeanen, en bij uitbreiding Euro-Amerikanen, hebben de voorbije eeuwen talrijke juridische kaders gecreëerd om hun greep op de wereld te vestigen, te legitimeren en te bestendigen. Veroveringen en aldus afgedwongen privileges werden in ongelijke verdragen gegoten, met Indianen, Afrikanen of Chinezen. Wettelijke instrumenten werden bedacht en met onzachte druk aan andere continenten en hun inwoners opgedrongen.
Dit is immers een formeel kenmerk van het Europese meesterschap over de wereld: brute macht, van kanonnen en geweren, werd in schijnbaar vrijwillige juridische afspraken verankerd. Aan door mensen, in casu Europeanen, opgestelde regels werd een bijna goddelijke, in alle geval bovennatuurlijke en onaantastbare status gegeven. Met die vanzelfsprekendheid werd land veroverd, werden concessies gegeven op de grondstoffen die het bevat, werden handelsrechten afgedwongen, en werd privaat eigendom gecreëerd op wat van iedereen — of van niemand — was.

Het intellectueel eigendomsrecht is een van die instrumenten. In het verdrag van Bern van 1886 bepaald, en sindsdien meermaals uitgebreid, regeerde het aanvankelijk de conflicten tussen enkele Europese landen (plus Tunesië) en tussen hun burgers, om geleidelijk aan de hele wereld te worden opgelegd.
“Wat van ons is, is van ons. Wat van jullie is, daarover moeten we praten,” dat is, enigszins verzacht, de leidraad van het intellectueel eigendomsrecht, en in feite van talrijke rechtsprincipes, die door Europeanen aan de wereld zijn opgedrongen. Weliswaar werd in eenzelfde beweging het historisch Europees cultureel erfgoed tot universeel erfgoed verklaard, waaruit iedereen inspiratie kan putten, maar hetzelfde gebeurde ook voor de buiten-Europese tradities en hun actuele productie, tradities waar het Europees spanningsveld tussen een individuele, creatieve kunstenaar en een anonieme artistieke voedingsbodem niet bestaat — of slechts recent onder Europese invloed werd ingevoerd. Met andere woorden: de artistieke, ook actuele productie van andere continenten werd een vijver waarin iedereen vissen kan, maar de Europese vijver, met ook die vissen, werd met juridisch schrikdraad afgezet.

Wanneer een wettelijke regel door Europeanen op maat van Europeanen geschreven is, mag het niet verwonderen dat er vroeg of laat conflicten ontstaan.

Mijn reis naar Canada in juli 2007, de politieke actualiteit diezelfde zomer (een Russische vlag onder de Noordpool), en nog een en ander, inspireerden me tijdens de maanden nadien tot het schrijven van een album, “Nieuwe Wereld, over eindigheid en oneindigheid” waarvan hoofdstuk 2 (“de Russen komen − over markt en macht”) over allerlei vormen van toe-eigening gaat.
[Hoofdstuk 3 ging over “Wereldburgers, van mensen en grenzen”, en hoofdstuk 4 “Terug naar huis” meer specifiek over de rol van Antwerpen en België voor de migratie naar Amerika.  Hoofdstuk 1 was gewoon onze reis.]
“In Canada — en ook in het “kleinere” Québec — en in de wisselwerking tussen beide — en de verhouding tot de Inuïts, of tot de Russen — zijn ongemeen boeiende processen aan gang, die een voor mij nieuw licht werpen op de wereld van morgen, op zijn problemen, zijn uitdagingen, zijn kansen en mogelijkheden.” schreef ik. Canada is een land op de rand van de wereld en in het centrum van de geschiedenis, dat aan het denken zet.

Dit hier is de tekst van dat hoofdstuk 2 over toe-eigening. Met enkele kleine correcties.
Het kruis dat Jacques Cartier in 1534 in naam van de Franse koning aan de monding van de Saint-Laurent plantte, is een voorafbeelding van wat tot vandaag gebeurt, al worden niet alle kruisen, of vlaggen, even zichtbaar geplant.

tulpenboom ❧

 

Voor het raam staat een mooie tulpenboom. In de lente gaf die prachtige bloemen. Daarna bleef hij zwanger van groen.
Toen kwam een hittegolf. Wij, mensen, hebben om koelte gesmeekt, geklaagd en gekreten. Ook de tulpenboom kreeg het lastig; honderden bladeren kleurden bruin of geel.
De koelte kwam, de regen, de wind en de storm. De hitte zijn we vergeten. Nu hangt er nog één bruin, dood blad in die groene boom. Er groeien nieuwe bloemen en bladeren omheen.
Tienduizend doden heeft corona in dit landje gemaakt. Soms honderden per dag, nu nog zeven. Op een enkele naam na, een enkele dode, zijn we die duizenden alweer vergeten. Maskers vinden we storend, niet langer de doden.

 

post scriptum
Wanneer het hard waait, komt de tulpenboom aan mijn venster tikken. Toen hij leed onder de hitte, en verzwakt was, deed hij dat niet.

aanvulling — correctie, per 18 september
Op die nieuwe bloemen heb ik me verkeken. Talrijke nieuwe bladeren zijn er wel, maar de nieuwe bloemen blijken de vruchten van de tulpenboom te zijn, die verdraaid veel op bloemknoppen lijken.

burgemeesterstraten in Antwerpen

 

 

Sinds 1876, met Jean-François Loos, worden de overleden Antwerpse burgemeesters in straatnamen herdacht. Mathilde Schroyens, gestorven in 1996, is met enige vertraging voorlopig de laatste van hen. Onlangs kreeg ze een straatje op Linkeroever, in de nieuwe  Regattawijk.
Ook historische burgemeesters, sinds lang overleden, krijgen soms die eer. Al is dat vaak om andere daden dan hun burgemeesterschap. Reeds in 1819 werd een straat, nee een kaai, (bijna) naar Filips van Marnix van Sint-Aldegonde genoemd — alleen Sint-Aldegondis bleef in de kaainaam bewaard. Ook Antoon Van Stralen, Jan Van Schoonhoven en Nikolaas Rockox kregen een straat, of een pleintje. Toch was dat voor Van Schoonhoven veeleer een afdragertje, dat een voorganger al flink versleten had.
Zelfs aan eerder “vergeten” figuren wordt vandaag gedacht, zoals Philippe Vermoelen, die van 1814 tot 1817 burgemeester was, en in de reeds genoemde Regattawijk ook zijn straatje krijgt.

De geografie van die straten is niet echt toevallig: niet elke straat, niet elke wijk wordt voor zo’n burgemeesterstraat goed genoeg geacht. De kennis van de burgemeesterstraten is misschien een klein takje van wat ik sociale toponymie zou noemen: de keuze en het gebruik van plaatsnamen in functie van de socio-economische en wellicht culturele kenmerken van de bevolking. Ook het al dan niet plaatsen van monumenten speelt daarin mee. Waarbij sommige politieke partijen merkwaardige keuzen hebben gemaakt, die hen ongunstig konden zijn. Hebben de Antwerpse socialisten op straat met namen en beelden hun band met hun kiezers verloren?

Ik telde een twintigtal burgemeesterstraten in Antwerpen, en neem u graag mee ter verkenning: een bestand met kaarten, foto’s en teksten (30Mo).

 

post scriptum
In een eerste versie vergat ik de Marnixplaats, die net als de Sint-Aldegondiskaai, maar met 56 jaar verschil, naar Filips van Marnix van Sint-Aldegonde is genoemd. Het is nochtans moeilijk om het immense Schelde Vrij-monument niét te zien, dat midden op het plein staat, en het perspectief van acht straalsgewijs geplaatste straten beheerst.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2020 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑