Jef Van Staeyen

Categorie: Blog (Pagina 26 van 60)

Lubach en kernernergie

 

“We moeten nu, cleaire energie niet uitsluiten” zei Arjen Lubach in Zondag met Lubach, 4 november 2018 op de VPRO. Met een spits taalgrapje, zoals hij er honderd in zijn mouwen heeft.  [www.youtube.com/watch?v=YjFWiMJdotM — je tikt het zelf maar uit]
“We moeten snel minder CO2 gaan uitstoten, want anders warmt de aarde te veel op. Het overstappen op windmolens en zonnepanelen gaat te langzaam. Er is nog een manier om energie op te wekken zonder CO2-uitstoot: kernenergie. Maar omdat veel mensen kernenergie eng en stom vinden, moet het eerst de taboesfeer uit”
, zo begon Lubach zijn pleidooi voor meer, veel meer kernenergie — zesmaal meer dan vandaag.

Arjen Lubach — of is het zijn team? — is een verdraaid gewiekste cabaretier — of journalist?  of tv-presentator? Hij zit achter een tafel, dus stand-up comedian is hij niet.
Samen met dat team — 18 mensen, heb ik begrepen — overstijgt hij, veel meer nog dan andere cabaretiers die graag over politiek praten, de grenzen van zowel cabaret, documentaire als nieuwsuitzending. Het is een heel eigen genre, dat niet in een van die vakjes past. Hij schuwt geen onderwerp, is scherp en grappig, wat altijd leuk is wanneer je het eens met hem bent.
Ben je het niet helemaal — of helemaal niet —  met hem eens, vreet je je wel op aan zijn wijze van pleiten. Hij parodieert, ridiculiseert, knipt zinnen uit een betoog, en imiteert — altijd spottend. Hij heeft de lachers op zijn hand. Tegenspraak is er nooit.

Zo hield hij in november 2018 een sterk betoog vóór kernenergie, veiliger, minder vervuilend. En noodzakelijk, want met enkel hernieuwbare energie (wind, zon, water…) redden we het niet.

Ook het item van het kernafval kwam aan bod, dat hij letterlijk kleineerde. Wie een leven lang kernenergie verbruikt, produceert een klein hoopje afval, zowat ter grootte van een appel. Inderdaad. Dat kernafval blijft héél lang héél gevaarlijk voor alle vormen van leven. Het is radio-actief, honderdduizend jaar, zei hij. Anderen geven andere cijfers, voor wat in essentie moeilijk te becijferen valt, want al de gekende tijden zijn halveringstijden. En vanaf wanneer is er genoeg gehalveerd? Op die tijdsschaal, mogen we zeggen, maakt het nog weinig uit: laat het vijftigduizend of honderdduizend zijn, of één miljoen, het is wrééd lang.

 

Is het beeld van die appel een subtiele verwijzing naar de Genesis, of gewoon een onhandigheidje, waar volgens dat oude boek heel lang geleden al onze miserie begon.

Maltho, thi afrio lito

Het afval neemt weinig plaats, en heeft dus het voordeel dat je het kunt opslaan. Inderdaad. In het Zeeuwse Borssele, naast de enige kerncentrale van Nederland, staat een blauw gebouw, voor laag radio-actief afval, en een oranje voor hoog. Dat oranje gebouw, zei een woordvoerder, is beschermd tegen aardbevingen, overstromingen, harde windstoten, vliegtuigimpact, gasexplosies… En tegen de tijd? Want, zelfs al is het afval maar een okkernoot groot…

Om radio-actief afval veilig op te slaan, heb je, duizend eeuwen lang, of wat minder, of veel meer, drie dingen nodig:

  • een gebouw (of eventueel een ondergrondse inrichting) dat de tand des tijds doorstaat (en van tijd tot tijd wordt hersteld, of door een gelijkwaardig gebouw vervangen wordt),
  • een instelling die dat gebouw beheert, en daarvoor de nodige financiële en operationele middelen en know-how heeft,
  • een tekst, die uitlegt wat er in dat gebouw zit, waarom het er zit, en hoe je ermee omgaat. Die tekst — een bijsluiter, als het ware — moet over honderdduizend jaar nog leesbaar zijn, of door andere, recentere teksten vervangen zijn, die hetzelfde zeggen.

Nu even:

  • Het oudste gebouw van Nederland, blijkbaar de Proostij van Deventer, bevat een deel dat van omstreeks 1130 dateert. Géén negen eeuwen oud. Véél minder dan duizend. Op wereldniveau zijn er grafmonumenten (een mooie hint voor een bergplaats met kernafval…) van ongeveer zevenduizend jaar oud. Zeventig eeuwen. Veel minder dan duizend.
  • Nederland zelf is geen vijf eeuwen oud — mogen we 1581 als stichting nemen? — en werd in dat korte bestaan al tweemaal feitelijk afgeschaft. In Europa is de Rooms-katholieke kerk allicht de oudste (permanente) instelling, die nu al zestien of zeventien eeuwen bestaat, maar ook belangrijke schisma’s heeft gekend — zat de baas in Rome of Avignon? Wereldwijd is China de oudste instelling, zo’n veertig eeuwen. Ook veel minder dan duizend.
  • De oudste Nederlandse tekst is niet het beroemde “hebban olla vogala”, zoals we vaak denken, maar één zinnetje uit Clovis’ Salische wet uit het begin van de zesde eeuw, waarmee een lijfeigene de vrijheid gegeven werd:  “Maltho, thi afrio lito” (ik meld, je bent vrij, laat — de komma is belangrijk…). Vijftien eeuwen. En geef toe: zonder uitleg weet je nooit wat er staat. De oudste (door specialisten) nog leesbare teksten zijn vijftig eeuwen oud. Veel minder dan duizend. Hoe ziet een tekst er uit, als je hem drieduizend keer van de ene generatie op de andere overdraagt?
    Over oude teksten, en wat die bedoelen, wordt heel veel ruzie gemaakt.

En toch stelt Arjen Lubach voor dat het redelijk is een gebouw te zetten, een instelling te hebben of te creëren en een tekst te schrijven die duizend eeuwen doorstaan, voor de afval van de elektriciteit die u en ik en hij vandaag gebruiken, bijvoorbeeld om Zondag met Lubach te streamen, over kernenergie.

 

Siegfried

Een extraatje.
Enkele dagen geleden, in de Morgen, “snapte” Siegfried Bracke “niet dat men niet begrijpt dat atoomenergie bij nader inzien groene stroom is”.
Mogen we veronderstellen dat met“groen” “duurzaam” wordt bedoeld?
Duurzaam betekent dat geen negatieve effecten van ons handelen hier-en-nu worden afgewenteld op elders-of-later.
Door het afval dat kernenergie voortbrengt wordt een zware kost en een zware verantwoordelijkheid voor hedendaags elektriciteitsgebruik op de schouders alle latere generaties gelegd. Dat is helemaal niét duurzaam. Dat is niét groen.

Kernenergie is overigens de vuilste van alle energieën.
Vervuiling is het product of het effect dat je creëert, dat hinderlijk of gevaarlijk is, en… dat aan je controle ontsnapt. Het is voor de huidige generatie, die het nucleair afval produceert, totaal onmogelijk om de controle over dat nucleair afval te garanderen. Daarvoor leeft die generatie niet lang genoeg, en heeft ze de technologische, materiële en cognitieve middelen niet.

 

Hoe vertellen we al die komende generaties dat ze vooral niet in die appel mogen bijten, maar wel regelmatig geld opzij moeten leggen om hem goed te bewaren?
Hoe maken we hen duidelijk dat ze hun land zullen moeten verlaten als ze dat gebod niet respecteren?

 

alles begint op het trottoir

De basis van alle mobiliteit zijn de trottoirs. Alleen zijn ze vaak in een slechte staat of te smal.(…) Dat betekent dat je moet ingrijpen in straten en pleinen. De voetpaden zijn daarbij het belangrijkst. De meeste aandacht in het mobiliteitsdebat gaat meestal naar de autosnelwegen. Daar mag zeker aandacht naar gaan, maar de basis van alle mobiliteit is nog steeds het trottoir. Voor iedereen is dat het eerste contactpunt met de rest van de wereld. Alleen liggen die trottoirs er niet altijd goed bij. Ze zijn te smal, of zijn in slechte staat. Dat is problematisch voor mensen die zich op vier wielen verplaatsen. Ik bedoel daarmee de kinderwagen, de rolstoel en de rollator.Daarom is het zo interessant dat stedenbouwkundigen en mobiliteitsdeskundigen oproepen om naar de stad en de straten te kijken vanuit het oogpunt van een kind, of van iemand die niet goed ter been is. Als een trottoir geschikt is voor iemand in een rolstoel, dan is het voor iedereen aangenaam om er te wandelen. Als de vijftien- minuten-wijk ooit werkelijkheid wordt, dan zijn de voorzieningen ook te voet bereikbaar. Vergeet niet dat iedereen in zijn of haar leven wel eens minder mobiel is. Dat begint al als klein kind, in de kinderwagen.

 

Dit is een uittreksel van een bijdrage van Thomas Vanoutrive, professor mobiliteit aan de Universiteit Antwerpen en een van de bezielers van Straatvinken, op de website van Straatvinken, overname van een interview in Gazet van Antwerpen, 19 september 2020.

de onzichtbaren, Roy Jacobsen

De eerste winterstorm daarentegen is iets heel anders.
Die is elke keer weer even indrukwekkend als hij in volle hevigheid losbarst, zo’n storm hebben ze nog nooit meegemaakt, hoewel ook dát vorig jaar was. Daar komt het begrip ‘sinds mensenheugnis’ vandaan, ze zijn namelijk vergeten hoe die storm was, aangezien dat het enige is wat ze kunnen doen, de hel zo goed mogelijk doorstaan en die dan weer zo snel mogelijk uit hun geheugen wissen.
Nu hebben ze een storm over zich heen gekregen die al meer dan een etmaal met onverminderde kracht woedt, met schuimvlokken die als gele dotten wol over het eiland jagen, regen zo hard als hagel en een springvloed die maar niet wegebt. Hans is al drie keer naar buiten geweest om dingen vast te sjorren waarvan hij niet eens wist dat hij ze kón vastsjorren. Hij heeft gezien hoe een van de schapen in zee werd geblazen voordat hij de rest in het boothuis had kunnen opsluiten, omdat ze nog geen schapen hebben geslacht en er niet genoeg ruimte in de stal is om ze allemaal onder te brengen, hij bindt ze vast aan de boot, die hij bovendien ook nog eens extra vastsjort, het is belachelijk wat een man al niet doet wanneer hij getroffen wordt door de Eerste Winterstorm.
(…)
Ingrid heeft een hekel aan dit soort stormen, aan het kraken van het huis en de trompetstoten door de schoorsteen, het hele universum in rep en roer, de wind die de lucht uit haar longen perst als ze met haar moeder naar de stal loopt, het vocht uit haar ogen stuwt en haar tegen de huizen en kromgebogen bomen aandrukt en de hele familie dwingt in de keuken en de pronkkamer te slapen, waar ze nog steeds geen oog dichtdoen. (hoofdstuk 12)

Dit is een citaat uit het prachtige ‘de onzichtbaren’ van Roy Jacobsen, uit het Noors vertaald door Paula Stevens (2020 — oorspronkelijke titel ‘de usynlige’, 2013). Het is niet nodig de Noorse eilanden te hebben bezocht, ik weet zelfs niet of het helpt, want misschien heb je dan wel, net zoals wij, een zomers, zonovergoten land en zee gezien. Wat in het boek ook aanwezig is, maar niet alleen.

In februari lijkt de zee soms wel een turkooizen spiegel. Het besneeuwde Barrøy ziet eruit als een wolk aan de hemel. Het is de vorst die de zee groen kleurt, haar helderder maakt, rustig en lobbig, als gelei. Soms stolt de zee helemaal en komt er een vlies op, dan gaat de ene materie over in de andere. Het eiland krijgt een hoedenrand van ijs, die ook de naburige rotseilandjes omsluit, het is groter geworden.
Ingrid staat in haar laarzen op een vloer van glas tussen het eiland en Moltholmen en ziet wier, vissen en schelpen onder zich, in een zomers landschap. Zee-egels en zeesterren en zwarte stenen op wit zand, vissen die door het wuivende wierbos schieten; het ijs is een vergrootglas, doorzichtig als lucht, ze zweeft en ze is zes jaar oud, je móet wel over het ijs lopen als het er eenmaal is. (hoofdstuk 15)

Het is een merkwaardig verhaal, want het lijkt of het hoofdstuk na hoofdstuk, dag na dag, jaar na jaar voortkabbelt op onverwante evenementen. Toch bouwt zich een tragiek, maar zonder dat die in een spanningsboog naar een dramatisch eindpunt leidt. Het lijkt meer op leven dan op een boek. En beetje bij beetje ervaar je ook de spanningen, tussen zee en land, tussen afzondering en deelname in een ruimere maatschappij, die haar eisen stelt (een vuurtoren, klokvaste afspraken, geld…), en tussen bloedverwantschap en samenleven. In een prachtige taal, waaraan naast de auteur ook de vertaalster veel verdienste heeft.

Het is de tweede dag van het jaar, de treurigste van alle driehonderdvijfenzestig, een dag die eindigt met de aanblik van de heen en weer zwaaiende achterlantaarn die wordt opgeslokt door de brullende nacht, als een vonk in een schoorsteenpijp.
Dan slaat de somberheid toe.
Niet de somberheid van de storm, maar van de trage, fundamentele lessen in eenzaamheid die het jaar en het eiland hun leren. Opeens zijn ze met nog minder mensen en ze missen de baas van het eiland. Ze praten zachtjes of zwijgen, prikkelbaar en ongeduldig. Bovendien keert niet iedereen heelhuids terug van de Lofoten, het is een loterij met de dood, waarbij elk jaar meer dan tweehonderd man het leven laten, iets waar ze niet hardop over praten, maar een half woord is genoeg. Nergens zijn er dan ook zoveel kerkhoven met kruisen zonder lijk te vinden als die waarover God zijn beschermende hand hier uitstrekt, langs deze kust. (…)
Ze hebben een man op goed geluk en vergezeld van hun gebeden de kolkende duisternis in gestuurd, en nu krijgen ze hem misschien levend terug (…). (hoofdstuk 15)

 

waarheen met de tram (en te voet) in Antwerpen in 2030?

Ik had het al eerder moeten doen.
Dankzij Ringland kregen we op 17 juni een presentatie van de werkzaamheden van de Vervoerregio. Tweeëndertig gemeenten (van Beveren tot Malle, en van Essen tot Lier en Boom), plus De Lijn en de NMBS, overleggen samen over de mobiliteit in de Antwerpse regio, en werken aan een Routeplan 2030: welke initiatieven zijn nodig voor een duurzame en betrouwbare mobiliteit?

Dit is mijn reactie op het ontwerp van routeplan.

 

wil je meer lezen over Antwerpse trams?

wil je meer lezen over vergeten voetgangers?

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2026 moskenes.be

Thema gemaakt door Anders Noren — Boven ↑